De absurditeit van België

De expositie 'Visionair België' maakt niet duidelijk waarin België visionair zou zijn, maar toont wel de worsteling die de Belgen met zichzelf voeren....

Het is een gevaarlijke onderneming: als Nederlander te schrijven over België. Voordat je het weet worden alle clichés bevestigd die er onder Belgen over de 'Hollander' bestaan: betweterig, grote mond, arrogant. Behept met een beperkte hoeveelheid kennis over land en volk die alleen is gebaseerd op een weekendje zuipen en pissen tegen de Antwerpse kathedraal of op de doortocht naar Frankrijk via de E19 aan het begin van de vakantie.

Ook gevaarlijk: te schrijven over een tentoonstelling die de bedenker en samensteller op de valreep niet kon afmaken. Het overkwam Harald Szeemann. De Zwitserse curator en anti-globalist, gelauwerd om zijn Documenta-tentoonstelling, de biënnale van Venetië en zijn directeurschap van het Agentur für Geistige Gastarbeit, stierf op 71-jarige leeftijd twee weken voor de opening. Ga dan maar eens kritiek leveren op zijn laatste expositie. Terwijl daar in principe alle aanleiding toe is.

Zo past zijn tentoonstelling over de Belgische cultuur, die nu in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel is te zien, in de beste, negentiende-eeuwse traditie van landenpresentaties. Een vorm die in een tijd van vergaande mondialisering inmiddels volkomen is achterhaald. Bovendien klopt de titel niet. Visionair België klinkt naar utopie, naar het werk van een ziener, terwijl de tentoonstelling gewoon een gelegenheidsproject is. Szeemann werd er voor uitgenodigd omdat hij al eerder twee van zulke presentaties had gemaakt, Visionair Zwitserland (1991) en Visionair Oostenrijk (1996). En omdat België dit jaar 175-jaar onafhankelijkheid viert, leek het de directie van het Paleis een goed idee hem voor een derde visionair-tentoonstelling te vragen - op kosten van de zaak.

Komt nog bij dat de presentatie een kakafonie is die waarschijnlijk alleen voor Belgen en voor Szeemann zelf helemaal te doorgronden is. De Zwitser was de uitvinder en bekendste vertegenwoordiger van het maatschappelijke tentoonstellingsconcept. Steevast presenteerde hij caleidoscopische tentoonstellingen, waarin sociale, politieke, historische en culturele invloeden op elkaar inwerken. Met als gevolg dat zijn 'holistische' visie doorgaans resulteerde in een waterhoofdig samenraapsel om de identiteit van een land neer te zetten.

Dat is ook in Brussel gebeurd. Vooral in de eerste zalen heeft Szeemann kosten noch moeite gespaard om de lijntjes uit te tekenen die samen het beeld van België moeten oproepen, met foto's van Eddy Merckx en autocoureur Jacky Ickx, bustes van belangrijke wetenschappers en cultuurdragers, affiches die het land aanklagen als een van de grootste wapenproducenten ter wereld, een onderbroek met Mickey Mouse-print van filmregisseur Stijn Coninx en het schilderij van de IJzertoren (bedevaartsoord van Vlaamse nationalisten) dat Luc Tuymans in 1995 maakte. En dan ook nog de onbemande draaimolen van Carsten Höller die één uur linksom en één uur rechtsom draait, als symbool voor de tweetaligheid van het land. Het levert een versnipperd beeld op en een tentoonstelling die voor buitenlandse bezoekers een worsteling is zoals die waarmee het land zelf te kampen heeft.

En toch heeft deze tentoonstelling bestaansrecht. Waarschijnlijk juist omdat het de worsteling die de Belgen met zichzelf voeren zo onverdroten laat zien. Er heerst een zware somberte. Zeker als je afgaat op een werk van Cédric Noël die de eenheid van het land symboliseerde door de drie kleuren van de Belgische vlag - rood, geel en zwart - met elkaar te mengen. Er ontstaat dan een zompig bruingrijs. De tint van een droge dweil. Zo ongeveer moeten de Belgen, volgens hem, zich ook voelen: vaal, grauw en uitgewrongen.

Wat zo visionair is aan België wordt niet helemaal duidelijk. Het is een land dat door zijn verdeeldheid grondstof leverde voor 'een half dozijn burgeroorlogen', zoals de schrijver Geert Van Istendael memoreerde. Een koninkrijk waarvan de inwoners, juist door de eeuwen van overheersing (van de Romeinen tot de Spanjaarden, Fransen, Oostenrijkers en Nederlanders), uit noodzaak een tweede natuur ontwikkelden. Om te overleven.

Wat het handjeklap onder de bewoners (en de politici) zou verklaren, de stroperige ambtenarij met zijn zes verschillende overheden, het gebrek aan wetgeving, de oncontroleerbare speculaties binnen de bouwwereld en de kaalslag van historische panden binnen zo veel stadscentra. Neem de hoofdstad. Geen kaart zo chaotisch als de plattegrond van Brussel, met zijn ondoorgrondelijke stratenpatroon, ondergrondse snelwegen en chaos van achterbuurtsteegjes. Geen stad ook sociaal zo ondefinieerbaar: mondain als Den Haag, 'leefbaar Belgisch' als Antwerpen, kosmopolitisch als Parijs en hoofdstedelijk saai als Madrid.

Een chaotisch land dat Congo als een oefenterrein zag om zijn eigen gebrek aan autoriteit te maskeren. Met als resultaat een krachtdadige aanpak die onder goedkeuring van koning Leopold II - Congo was jarenlang zijn privébezit - ongekende vormen van slavenarbeid kende.

Begrijpelijk dat veel van wat er over België en de Belgische kunst te zeggen is, gaat over dingen die het daglicht niet kunnen velen, die verscholen liggen, onuitspreekbaar zijn. Dat maakt zoveel kunst in eerste instantie ook zo diffuus en introvert. Met als exemplarisch hoogtepunt op de Brusselse tentoonstelling de 'mistkamer' van Ann Veronica Janssens, waarin bezoekers op de tast ronddwalen in het schijnsel van de nationale driekleur.

Jagen Nederlanders het realisme en de nuchterheid na, de Belgen zijn mystiek. Ze willen blijkbaar alles behalve reëel zijn - alles behalve volwassen zijn en verantwoordelijk voor hun gedrag. Karaktereigenschappen die zich (blijkbaar) als vanzelfsprekend laten vertalen in het absurde, de ongebreidelde vorm van fantasie. België als het Europese achterkamertje waarin het surrealisme gestalte kreeg. In visioenen en nachtmerries die binnen de beslotenheid van het atelier onomwonden op het doek werden geschilderd. Denk aan de onverholen seksuele aberraties van Félicien Rops, de onderwereld van Fernand Khnopff, de dromerigheid van Léon Spilliaert.

Wat Visionair België zo bijzonder maakt, is dat die surrealistische Innenwelt zonder enige schroom of terughoudendheid tegen de muur wordt gespijkerd. Alsof ze er trots op zijn - wat begrijpelijk is -, terwijl het haaks staat op hun wat wereldvreemde houding.

Op zichzelf wel gek: Belgen zijn erg gesteld op hun privacy. Tegen de avond verandert elke straat in een lint van gesloten rolluiken, die pas laat in de ochtend weer open gaan. Maar tegelijk wordt die dromerige, verscholen en geheime wereld met een ongekende eruptie van kracht en passie naar buiten gebracht.

De uitgebreide celebratie van de zotheid kent zelfs exhibitionistische trekjes. Nergens anders vind je zoveel Breugheliaanse openhartigheid als het gaat om zaken waar anderen zich voor zouden schamen, zoals de poepmachine van Wim Delvoye, Thierry Zéno's erotische liefde voor het varken of de perverse religiositeit van Thierry De Cordier ('God is een peer'). Waar Nederlanders (kijk naar Mondriaan) de neiging hebben netjes binnen de lijntjes te kleuren, mijden Belgen de chaos en de hyperbool niet. Liever de overdrijving en de stoutmoedigheid dan de angst niet serieus te worden genomen - met alle risico's vandien.

Visionair België stikt van de voorstellen en plannen die geheel onhaalbaar zijn, maar desalniettemin worden opgelepeld alsof ze eerder vandaag dan morgen uitgevoerd gaan worden. Tegen beter weten in, maar mét een al dan niet gecalculeerd risico dat het absurde van de Belgische cultuur ook daadwerkelijk als absurd zal worden afgedaan.

Want hoe makkelijk is het niet om de vleugellamme luchtschepen van Panamarenko om hun onbeholpen vliegvermogen te veroordelen? Om te wijzen op de gebrekkige functionaliteit van het Atomium. Of de grootstedelijke ontwerpen van Luc Deleu enkel als irreële hersenspinsels te zien. In Brussel staat zijn maquette opgesteld voor Station Europa Gare Centrale. Het oogt als een utopisch stedebouwkundig ontwerp (met hogesnelheidstrein, hangbrug, kantoorkolossen en klassieke monumenten) dat elke werkelijkheidszin tart, maar dat in zijn grootheidswaan de even grootse (en volgens sommigen even onhaalbare) idealen van de Europese eenheidsgedachte adequaat gestalte geeft.

Het zit de Belgen blijkbaar in de genen. In 1895 stichtten Paul Otlet en de latere Nobelprijswinnaar voor de Vrede Henri La Fontaine het Internationaal Instituut voor Bibliografie. Hun doel was 'de vooruitgang van het internationalisme' te documenteren. Het archief, dat op het laatst meer dan negen miljoen fiches telde, is inmiddels door internet volkomen achterhaald. Op de keper beschouwd was het een volslagen nutteloze bezigheid, maar wel een die nog steeds de verbeelding voedt.

Belgen sparen zichzelf niet. Ze laten al hun absurdistische onvolkomenheden zien, samen met verwijzingen naar het Congolese verleden, de wapenhandel en het venijnige nationalisme. Met ruim aandacht voor de taalstrijd in de Voerstreek en de cultuurverschillen die zelfs in een tennismatch tussen de Franstalige Henin en de Vlaamse Clijsters blijken te spelen. De expositie toont een werkelijkheidszin waar menig ander volk niet aan kan tippen.

Want wie kan zich voorstellen dat een overzichtstentoonstelling over Frankrijk het Franse volk zo'n confronterende spiegel zou voorhouden- Een expositie waarin onomwonden ook de moorddadigheid van Napoleon aan bod zou komen, die immers tienduizenden soldaten zinloos eerst naar Moskou en daarna de dood in liet marcheren. Of een overzichtstentoonstelling van Nederland. De eerste presentatie moet nog gemaakt worden waarin naast de hoogtepunten uit de Gouden Eeuw ook de ongerechtigheden in Indonesië, de Molukse treinkapingen en de apathie tijdens de Tweede Wereldoorlog naar voren zouden komen.

In België kan dat. Het móet zelfs. Vanuit het besef, wellicht een teveel aan besef, dat de Belgen toch al de geslagen hond van Europa zijn. Het is al met al ook een vorm van masochisme: de drang om de vuile was tegen de muur te hangen. In het geval van Visionair België gebeurt dat door een buitenstaander. Een Belgische, of beter, een Vlaamse, Waalse, Duitstalige of Brusselse samensteller zou ondenkbaar zijn geweest: door de onderlinge cultuurverschillen zouden er alleen al vier verschillende exposities zijn geweest, in vier verschillende steden - waarna alsnog een burgeroorlog zou uitbreken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden