Mijn Bevrijding Spoorwegstakers

De 30 duizend spoorwegstakers die moesten onderduiken

In september 1944 doken ze allemaal onder, de ruim 30 duizend werknemers van de Nederlandse Spoorwegen. Voor een staking die zou duren tot de bevrijding in mei 1945. Na korte tijd keerden velen weer terug naar huis. De Duitsers bleken een oplossing te hebben gevonden.

Het seinhuisje in Breukelen werd tijdens de Spoorwegstaking gebruikt om er de was op te hangen. Beeld Spoorwegmuseum Utrecht

Sommige verhalen zijn te mooi om niet te worden naverteld. Zelfs als hun waarheidsgehalte twijfelachtig is. Zo begint in de film Bankier van het Verzet de Spoorwegstaking van 1944 aldus: ir. Willem Hupkes, president-directeur van de Nederlandse Spoorwegen, is op een mooie nazomerse dag aan het golfen als hem de oproep van de Nederlandse regering in ballingschap bereikt om over te gaan ‘tot een algemeene staking van het spoorwegpersoneel teneinde het vijandelijk vervoer en troepenconcentraties zooveel mogelijk te beletten’. Met tegenzin bergt hij zijn golfclubs op om zich naar zijn onderduikadres te begeven.

Zo is het vermoedelijk niet gegaan op 17 september 1944 – de dag waarop operatie Market Garden begon. Feit is wel dat Hupkes en zijn mededirecteuren nogal waren overvallen door de stakingsoproep. Zij hadden weliswaar al maanden voorbereidingen getroffen voor een staking bij een geallieerde invasie in Nederland, onder andere door de aanleg van een spaarpot met ‘invasiegeld’ waarmee het stakende personeel zou kunnen worden doorbetaald, maar zij wisten niet dat minister-president Pieter Sjoerds Gerbrandy de staking al op Radio Oranje had afgekondigd.

En zij waren niet de enigen: ook niet alle ministers in het oorlogskabinet waren erover geïnformeerd. Minister Willem Albarda van Verkeer en Waterstaat, onder wie de spoorwegen ressorteerden, werd er pas de volgende ochtend van op de hoogte gesteld. En diens collega van Buitenlandse Zaken, Eelco van Kleffens, mopperde op 18 september verongelijkt in zijn dagboek: ‘In den namiddag hoor ik dat de regeering spoorwegstaking heeft bevolen. Blijkbaar heeft Gerbrandy dit op eigen gezag gedaan: ik heb hiertegen wegens den ernst van het feit schriftelijk bezwaar gemaakt.’ De minister-president was overigens iets minder eigengereid geweest dan Van Kleffens veronderstelde. Hij had gehandeld op dringend verzoek van de geallieerden, en hij had over de radioboodschap overlegd met de minister van Oorlog, Otto van Lidth de Jeude.

Dat neemt niet weg dat de ingrijpende staking wel erg terloops is afgekondigd. Wellicht ook omdat Gerbrandy bij haar afkondiging in de veronderstelling verkeerde dat de oorlog – en daarmee ook de staking – binnen enkele weken ten einde zou zijn. Deze inschattingsfout, die overigens niet alleen door Gerbrandy werd gemaakt, is de minister-president nog lang nagedragen.

Jodentransporten

Hoe het ook zij: aan die oproep tot een algemene spoorwegstaking, waarvan niemand toen nog vermoedde dat ze bijna acht maanden zou duren, werd massaal gehoor gegeven. De directie werkte er enthousiast aan mee om zich enigszins te rehabiliteren voor haar ‘loyale’ samenwerking met de Duitsers in de voorgaande jaren – ook bij de zogenoemde ‘Jodentransporten’ naar kamp Westerbork. Op Gerbrandy’s instructie volgde het codebericht ‘De kinderen van Versteeg moeten allen onder de wol’. Oftewel: de ruim 30 duizend medewerkers van de NS – Versteeg was de codenaam van Hupkes – moeten onderduiken.

‘Mijn vader was daar meteen voor in’, zegt de 87-jarige Netty de Jager-Orie, dochter van een Rotterdamse treinmachinist. ‘Ik weet nog dat een verzetsvrouw bij ons langskwam met een mandje waarin, onder een paar appels, een radiootje of een zender was verborgen waarmee het stakingsparool werd verspreid.’ Het hele gezin – vader, moeder, een oudere zus en een oudere broer van Netty – dook op verschillende plaatsen onder. ‘In eerste instantie werd ik ondergebracht bij een gezin met twee volwassen dochters. Ik vond het er niet eens onaangenaam. In oktober was het gezin weer herenigd. We betrokken een appartement waaruit zogeheten Rijksduitsers (Duitse bewoners van niet-Duits grondgebied, red.) waren weggetrokken. De man was opgeroepen voor de Duitse krijgsdienst, zijn vrouw ging elders wonen. Met achterlating van de inventaris.’

Netty de Jager-Orie, met een foto van haar vader.

Op dit onderduikadres maakte het gezin de grote razzia in Rotterdam op 10 en 11 november 1944 mee, waarbij tienduizenden mannen tussen 17 en 40 jaar werden opgepakt om dwangarbeid voor de Duitsers te verrichten. ‘Een heel onaangename ervaring’, zegt Netty. ‘Buiten liepen Duitsers te schieten. In de lucht en op de straatverlichting. Ze trokken van deur naar deur. Bij ons zijn ze ook langsgeweest, maar ze gingen meteen weer weg toen ze in de gang foto’s zagen van de vorige bewoners, de als zodanig herkenbare Rijksduitsers. Mijn vader en mijn broer, die nog in allerijl een paar illegale krantjes in de kachel had verbrand, hebben de hele dag doorgebracht in een schuurtje. Zonder te worden ontdekt.’

Onderduiken in Rotterdam

Het lot van de ‘de kinderen van Versteeg’ was niet vergelijkbaar met dat van Joodse onderduikers. Nog afgezien van het feit dat voor hen geen deportatie naar een vernietigingskamp dreigde, maakten de Duitsers ook niet actief jacht op hen. Willem Hupkes, die redelijk comfortabel was gehuisvest in Hilversum, maakte al snel weer zijn dagelijkse wandeling. Frans den Hollander, die Hupkes in 1947 zou opvolgen als president-directeur van de Nederlandse Spoorwegen, betaalde hoogst persoonlijk bij ondergedoken NS-werknemers hun salaris in contanten uit – daartoe in staat gesteld door de gebroeders Gijs en Walraven van Hall, die met vervalste promessen (verhandelbare schuldbekentenissen) het verzet financierden. In de Hongerwinter werden, ter leniging van het tekort aan brandhout, dwarsliggers bij het NS-personeel bezorgd.

Floris Franco de Bruijn, personeelsfunctionaris bij de Nederlandse Spoorwegen en na de oorlog directeur van het Spoorwegmuseum in Utrecht, dook onder in zijn eigen huis – een ruim bemeten pand aan de Utrechtse Ramstraat. ‘Van daaruit wandelde hij geregeld naar vrienden in de nabijgelegen Emmalaan met wie hij schaakte’, zegt zijn 80-jarige zoon Hobbe. ‘Dat hij zich in de buurt een telefooncentrale van de Duitsers bevond, was voor hem geen reden om van die uitjes af te zien.’

De Spoorwegstaking werd door de NS-directie altijd als een epische verzetsdaad beschouwd, die zelfs Hitler ‘de das heeft omgedaan’. Na de oorlog bleek dat de bevrijding er amper door werd bespoedigd.

De familie van Netty de Jager-Orie keerde in december 1944 terug naar de eigen woning ‘op Zuid’. ‘Alles stond er nog. Gedurende onze afwezigheid was er niets overhoop gehaald.’ Kort daarop viel het gezin opnieuw uiteen: op 1 januari ’45 bracht vader Orie zijn dochter op een fiets met houten banden naar een kinderloos echtpaar in Heerde, Gelderland, om aan hongersnood te ontkomen. Daarmee liep haar vader enigszins op de feiten vooruit. ‘Het leven werd wel steeds soberder, maar honger, zoals mijn man dat heeft meegemaakt, heb ik eigenlijk nooit gehad. Wel trek.’ In Heerde maakte ze, wel doorvoed, de bevrijding mee. Pas in juli 1945 was de infrastructuur zodanig hersteld dat zij kon terugkeren naar Rotterdam.

Britse piloot

In huize Orie werd zelden meer over de Spoorwegstaking gesproken, die achteraf gezien nauwelijks had bijgedragen aan de bevrijding van Nederland (zie kader). Er waren geen grote trauma’s aan verbonden. Andere gebeurtenissen in die tijd hebben zeker zoveel indruk op Netty gemaakt: haar eerste bezoek aan het verwoeste centrum van Rotterdam in de zomer van 1940. Een treinreis naar Leiden, later in de oorlog. ‘Vanuit de trein had ik bijna oogcontact met de piloot van een Brits jachtvliegtuig. Die vloog heel laag om te zien of we een militair doelwit waren of niet. Hij had ook lukraak kunnen gaan schieten.’

Ze denkt nog vaak aan Trees Vrijland, een vriendinnetje op school dat na de oorlog – die zij goddank overleefde – Trees Salomons bleek te heten. En ze denkt aan een Joodse vriendin van haar moeder die niet had willen onderduiken, en die de dag vóór haar deportatie nog haar verjaardag vierde. ‘Ze zei: ik neem de bloemen mee op reis. Maar mijn vader wist toen al dat we haar nooit terug zouden zien.’

De Spoorwegstaking en de bevrijding van Nederland

Om de opmars van de geallieerden op 17 september 1944 te ondersteunen, riep de Nederlandse regering in ballingschap op tot de Spoorwegstaking. Na de oorlog wist de NS-directie de staking lang te verkopen als een epische verzetsdaad. Later bleek de bevrijding erdoor amper bespoedigd te zijn. Lees hier ons hele verhaal over de impact van de staking.

Bronnen

David Barnouw, Dirk Mulder, Guus Veenendaal; De Nederlandse Spoorwegen in oorlogstijd, 1939-1945. Rijden voor Vaderland en Vijand. WBooks 2019

Michael Riemens (samensteller); Majesteit, U kent het werkelijke leven niet. De oorlogsdagboeken van minister van Buitenlandse Zaken mr. E.N. van Kleffens

Interview met mevrouw A.E, de Jager-Orie, Rotterdam

Telefoongesprek met H.A. de Bruijn, Bunnik

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden