'Davids, leg me dat eens uit'

Hij zou in 2002, als minister van Buitenlandse Zaken, op een achternamiddag hebben besloten achter de Amerikanen aan te hollen, mee naar Irak....

Theo Koelé en  Ron Meerhof

‘Een regering kan een besluit niet uitbesteden, outsourcen zoals de Engelsen het zo mooi formuleren’, zegt Jaap de Hoop Scheffer, halverwege een twee uur durend gesprek over zijn betrokkenheid bij het besluit om politieke steun te verlenen aan de Amerikaans-Britse inval in Irak in 2003. Er is een hoop mogelijk, zegt de voormalige minister van Buitenlandse Zaken en gewezen topman van de NAVO: commissies instellen, ambtelijke adviezen inwinnen. ‘Maar op een departement besluit uiteindelijk de minister.’

De opmerking komt in diverse varianten terug. Anderen kunnen besluiten doorschuiven. Een minister moet beslissen. Dat heeft De Hoop Scheffer – als eerst verantwoordelijke minister – gedaan en hij schaamt zich er niet voor. Zijn toenmalige VVD-collega Henk Kamp zat er als minister van Defensie net zo in. ‘Fantastische kerel.’ Jan-Peter Balkenende, toen en nu premier, is ‘een politieke en persoonlijke vriend’.

De Hoop Scheffer en Kamp worden hard aangevallen in het rapport van de commissie-Davids over de inval. Kamp zou de bedenkingen die de eigen inlichtingendiensten hadden bij het veronderstelde gevaar van Saddam Husseins regime, voor de Kamer hebben verzwegen. De Hoop Scheffer zou als verstokte atlanticus op een achternamiddag hebben besloten achter de Amerikanen aan te hollen.

In de afgelopen week verschenen reactie van het kabinet op het rapport wordt geen woord geuit in beider verdediging.

Heeft u het gevoel dat Balkenende u heeft geofferd, in het belang van de verhoudingen met coalitiegenoot PvdA?

‘Ik ben voldoende politicus om me te realiseren dat De Hoop Scheffer en Kamp geen minister meer zijn.’

Is een ex-minister vogelvrij?

‘Niet vogelvrij. Ik kan hier nu bij jullie mijn verhaal vertellen. Het is de eerste keer, ik heb me bewust al die tijd stil gehouden. Mijn telefoon puilde uit van de uitnodigingen. Ik heb ze allemaal genegeerd, ook al was dat soms moeilijk.’

Viel de kabinetsreactie tegen?

‘Het viel me op dat de tegenargumenten op het rapport-Davids er niet in stonden. Maar ook dat is politiek. Wat ik wel vreemd vind, is dat na de eerste reactie van Balkenende het kabinet heeft gezegd dat de conclusies van Davids leidend zouden zijn. Daarmee zijn alle bevindingen van Davids als het ware ex cathedra geworden; de commissie verkondigt de waarheid en er kan niet meer over gedebatteerd worden.

‘Dat vind ik raar en onjuist. Er zijn in dit dossier veel zaken waarover wel degelijk gedebatteerd kan worden. Ik blijf het op belangrijke punten met Davids oneens.’

Het kabinet stelt dat met de kennis van nu het volkenrechtelijk mandaat adequater had gekund.

‘De enige nieuwe kennis die we hebben, is dat er geen massavernietigingswapens waren. De kabinetsreactie was een compromis. Ik ben zestien jaar Kamerlid geweest, twee jaar minister. Als door de wol geverfd politicus weet ik dat in coalitieland compromissen noodzakelijk zijn. Politiek is geen exacte wetenschap. Het is de kunst om het optimale, niet het ideale, te bereiken. Kennelijk was dit het optimale.’

De redenering van het Nederlandse kabinet van destijds was dat Saddam Hussein jarenlang stelselmatig VN-resoluties over wapencontroles had genegeerd. Dat samenstel was voldoende reden om in laatste instantie geweld te gebruiken om eventuele massavernietigingswapens op te sporen of onschadelijk te maken; de zogenoemde corpustheorie.

De commissie verwerpt uw opstelling van destijds.

‘Destijds liepen de meningen daarover al uiteen. Het huidige commissielid Nico Schrijver bijvoorbeeld vond de corpustheorie toen al onvoldoende. Maar het debat werd in alle openheid gevoerd en een Kamermeerderheid steunde mij.

‘Ik was en ben van mening dat de redenering wél valide was. En ik was de enige niet. Mijn voorgangers Kooijmans, Van Aartsen en Van Mierlo hebben allemaal op enig moment met dat argument gebruik van geweld gelegitimeerd. Kooijmans, een jurist met zo’n grote reputatie!

‘Van Mierlo volgde die redenering bij acties in Irak in 1998. In gesprek met de commissie-Davids heeft hij gezegd dat dat niet te vergelijken was met de situatie van all out war in 2003. Dat vind ik nou een politiek opportunistische redenering. Er zijn in 1998 kruisraketten ingezet, er zijn veel burgerdoden gevallen. Davids had niet politiek, maar juridisch moeten aantonen waarom in 2003 geweld niet langer werd gelegitimeerd, en in de voorgaande jaren wel.

‘Het is van tweeën één: of de Veiligheidsraad sanctioneert geweld, of doet dat niet. Daar kun je geen politieke argumenten tussenschuiven.’

Het rapport-Davids besteedt veel aandacht aan een bijeenkomst op het ministerie van Buitenlandse Zaken in augustus 2002. Die werd gekenmerkt door ‘een zekere achteloosheid’, er was geen verslag gemaakt, geen presentielijst, niemand wist meer precies wie er bij waren; het ging er al met al ‘nogal informeel’ toe. Niettemin werd volgens Davids dáár het nieuwe Irak-beleid uitgezet dat tot de inval in 2003 de kaders zette.

Bij zijn perspresentatie liet Davids zich ook nog ontvallen dat die bijeenkomst volgens een aanwezige slechts drie kwartier had geduurd. Een onthutsend beeld dat niemand ontging. Wat is uw antwoord daarop?

‘Er is één overeenkomst tussen deze 45-minutenclaim en de 45-minutenclaim van de Britse regering (die beweerde destijds dat Saddams massavernietigingswapens binnen drie kwartier het dichtstbijzijnde NAVO-doel konden bereiken, red.): ze kloppen geen van tweeën. Ik vind het een beetje suggestief en op de persoon gericht. Het doet afbreuk aan de kwaliteit van het rapport.

‘Verder was die bijeenkomst een brainstormsessie, geen beleidsvormend overleg. Ik werd bijgepraat als nieuwe minister. Ik kende het ministerie en ik kende deze lijn. Zoals ik zei, is deze redenering ook door mijn voorgangers gebruikt. Ik heb dat in mijn gesprek met de commissie uitgelegd. Kennelijk heeft men daar geen geloof aan gehecht. Jammer.

‘De commissie schetst het beeld dat op die sessie nieuw beleid is vastgesteld. Vervolgens suggereren ze één rechte lijn van die bijeenkomst naar het besluit om politieke steun te geven aan de inval in 2003. Dat is nogal karikaturaal.

‘Het is bovendien een brevet van onvermogen voor het kabinet en de Tweede Kamer. Zowel in de Trêveszaal als in de Kamer had men mij kunnen corrigeren in de maanden die volgden. Ik voel me gevleid dat de commissie mij zoveel invloed toedicht, maar het is helaas onjuist.

‘Ik vind het een gemis dat er niemand in de commissie zat die wist hoe processen in het kabinet, de Kamer en politieke partijen zich voltrekken, en het vele informele politiek overleg kon inschatten.

‘Ik zie dat terugkomen bij de verwijten aan het adres van Balkenende. Die zou onvoldoende regie hebben gevoerd. Een volstrekt onterecht verwijt. De minister-president hoefde helemaal niet meteen het heft in handen te nemen. Nederland is Groot-Brittannië niet, de minister van Buitenlandse Zaken heeft een eigen staatsrechtelijke verantwoordelijkheid. Maar Balkenende wist wel degelijk van de hoed en de rand, regisseerde waar nodig.’

Het handelen van twee van uw toenmalige topambtenaren wordt kritisch beschreven.

‘Dat stoort me. Iedere letter verliet het departement onder mijn verantwoordelijkheid. Het is niet fair, niet terecht en staatsrechtelijk onzuiver wat Davids doet. Ambtenaren die zich niet kunnen verdedigen, worden aangevallen. Ik geef een voorbeeld: Hugo Siblesz (toenmalige rechterhand van de minister, red.) heeft het concept van de beroemde brief van 4 september 2002 aangescherpt. Dat was zijn taak.

‘Als ik er mijn handtekening onder zet, neem ik voor mijn rekening dat er staat: ‘Het lijdt weinig twijfel dat Irak beschikt over massavernietigingswapens.’ Het is mijn tekst. Je kunt Siblesz niet attaqueren, zoals de commissie-Davids doet. Hij is een ‘triple A 1-ambtenaar’. Hij en ook secretaris-generaal Frank Majoor verdienen het niet om zo lang publiekelijk in de wind te staan. Anders dan ik kunnen zij zich niet verdedigen.’

De Hoop Scheffer kent het rapport Davids inmiddels uit zijn hoofd. Wanneer hem wordt gevraagd naar een zinnetje op pagina 116, zegt hij onmiddellijk: ‘Op die pagina staat nóg wel een zinnetje waar ik wat over op te merken heb.’

Hij bladert en leest dan voor: ‘De Hoop Scheffer had overigens bij zijn aantreden als minister, alom de naam zich in zijn oordelen in sterke mate te richten op de Amerikaanse buitenlandse politiek.’ Hij klapt het 551 pagina’s tellende boekwerk weer dicht.

‘Daar neem ik aanstoot aan. Ik word hier neergezet als iemand die altijd zijn huig liet hangen naar de Amerikanen. Terwijl ik altijd atlanticus én Europeaan ben geweest. Zo’n opmerking kleurt natuurlijk wel het rapport. Maar het gaat eraan voorbij dat ik, als dat waar was, nooit secretaris-generaal van de NAVO had kunnen worden. Zouden de Duitsers en de Fransen me dan gewild hebben? Natuurlijk niet!

‘Ik ben ervan overtuigd dat ik die baan gekregen heb, omdat Nederland er in die jaren in slaagde om met iedereen de relatie goed te houden. Ik werd gezien als een bruggenbouwer. Nederland ondertekende in 2002 niet de pro-Amerikaanse brief waar acht Europese landen wél achter gingen staan. Uiteindelijk zat de meerderheid van de Europese landen op de Nederlandse lijn. Maar dat schrijft de commissie dan weer niet op.

‘Daarbij komt: hadden we de Russen en Chinezen moeten steunen die hun veto zouden uitspreken tegen een aanval? Hadden we neutraal moeten blijven, niks moeten vinden? Je moet kiezen. Ik heb geen spijt van die keuze.’

De commissie concludeert wel dat er geen verband was tussen uw benoeming als secretaris-generaal van de NAVO en de Nederlandse politieke steun voor de inval in Irak in 2003.

‘Dat was voor mij de belangrijkste conclusie. Het ging om mijn integriteit. Op een gegeven moment kwam het ter sprake in een Kamerdebat. Het kabinet reageerde te zuinig. Ik zag dat en heb Balkenende onmiddellijk laten weten: nu moet je me verdedigen. Dat heeft hij toen gedaan.

‘Het heeft mij en mijn omgeving geraakt. Ik heb in de loop der jaren een behoorlijk dikke huid ontwikkeld, maar dit was toch zeer onaangenaam. In zijn algemeenheid is natuurlijk de belangrijkste bevinding dat er geen lijken uit de kast zijn gevallen. Er was geen stiekeme militaire betrokkenheid, er waren geen Nederlandse F-16’s en commando’s in Irak.’

Een belangrijke beschuldiging is dat bewindslieden de Kamer selectief hebben geïnformeerd. Ze gaven reserves van de veiligheidsdiensten over de gevaren van het regime-Saddam stelselmatig níet door.

‘Davids is inconsistent. Je kunt niet enerzijds beweren dat Nederland geen eigen informatiepositie had en anderzijds het kabinet verwijten dat je met de informatie van die diensten te weinig rekening hebt gehouden. Commissie-Davids, leg me dat eens uit.

‘Tweede opmerking: ik kan me geen enkel moment herinneren in de Trêveszaal of daarbuiten dat diensten hebben gezegd: minister, u zit op het verkeerde spoor. Ik vind het verwijt ‘Jullie hebben nuancerende opmerkingen niet overgebracht’ onterecht. AIVD noch MIVD heeft enige kritische noot geplaatst bij de presentatie van Powell in de Veiligheidsraad (de schets van het gevaar-Irak die overtuigend leek, maar later onjuist bleek- red.).

‘Ik spreek niet in verwijtende zin naar diensten, wel naar Davids. Binnen de marges die ze hadden, hebben de Nederlandse diensten het kabinet adequaat bediend. Maar ze waren zoekende. Er staat me ook een duidelijke uitspraak van de MIVD bij: Saddam heeft chemische wapens. Punt. Dan kun je toch moeilijk zeggen, zoals Davids doet, dat het beeld genuanceerd had moeten worden? Ik bestrijd de conclusie dat we de Kamer onvolledig hebben geïnformeerd.’

Het rapport-Davids schetst de maatschappelijke context waarin het besluit tot politieke steun aan de inval in Irak in 2002 en 2003 vorm kreeg. Bij de presentatie van zijn rapport besteedde Davids ruim aandacht aan wat hij noemde ‘het echec van de inval’ en de situatie die daarna ontstond. Zijn opmerkingen vielen in vruchtbare aarde. Het gevoel was: hebben we dááraan politieke steun gegeven?

Maar in 2002 kende niemand die afloop. Bij De Hoop Scheffer en andere politici van zijn generatie stond wel een andere gebeurtenis op het netvlies: Srebrenica. In 1995 had de internationale gemeenschap zich afzijdig gehouden en werden duizenden moslimmannen vermoord. Srebrenica was in 2002 alom aanwezig: het rapport van het NIOD leidde tot de val van het kabinet-Kok, in hetzelfde jaar werd een parlementaire enquête opgetuigd die kort voor de inval in Irak tot ontknoping kwam.

De eventuele invloed van de gebeurtenissen rond Srebrenica op de besluitvorming in 2002 en 2003 krijgt geen aandacht in het rapport-Davids. Tegelijk legde Davids grote nadruk op wat sindsdien in Irak is gebeurd. Wat vindt u daarvan?

‘Davids is het slachtoffer geworden van het feit dat hij de afloop inmiddels kende. Daarom is het zo’n moeilijk debat. Dat beïnvloedt de perceptie over de besluitvorming toen. Maar wíj kenden die afloop toen niet.

‘Ik heb Srebrenica meegemaakt, als woordvoerder van het CDA. Een kras op mijn ziel. Ik moest eraan terugdenken bij het lezen van de suggestie om de Kamer nauwer en vrijwel permanent te betrekken bij besluiten over de inzet van de krijgsmacht.

‘Moet je dat als Kamer wel willen? Ik heb ervaren dat het juist een nadeel is als je als volksvertegenwoordiger te close wordt met de regering die je moet controleren.

‘Als woordvoerder werd ik destijds meegezogen in een besluitvormingstrechter. Als je vindt dat je alles moet weten, verlies je je kritische distantie. Die waarschuwing geef ik mee aan de Kamer voor het komende debat.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden