Postuum

David Bowie: Muzikale kameleon met geniale trekjes

De hoogte- en dieptepunten uit Bowies carrière

Elk jaar een ander imago, een nieuwe muziekstijl en altijd even orgineel en betoverend. David Bowie duwde de popmuziek in de jaren zeventig met elke plaat een nieuwe richting in. Hij nam je met zijn muziek bij de hand en voerde je naar onbekend terrein, waar je niet meer weg wilde. Met zijn prachtige diepe stem kon hij behagen en verontrusten en zaaide hij keer op keer verwarring. Zijn muziek bood troost maar gaf ook stof tot nadenken over zaken waar je niet eerder bij had stilgestaan. Één blik op Bowie, één noot van zijn liedjes was genoeg om je even uit de asgrauwe realiteit van de jaren zeventig te halen.

Beeld Hilde Harshagen

Met het overlijden van David Bowie is een van de allergrootsten uit de popmuziek heengegaan. De popster overleed zondag, twee dagen na zijn 69ste verjaardag, in New York aan de gevolgen van kanker. Vooral in de jaren zeventig was hij bepalend voor het verloop van de popgeschiedenis, met albums als The Rise And Fall Of Ziggy Stardust And The Spiders From Mars (1972), Young Americans (1975), Station To Station (1976) en Low (1977). Elpees behalve experimenteel of vernieuwend waren ook, in liedjes als The Jean Genie, Rebel Rebel, Fame, Golden Years en Sound And Vision altijd hitsingles bevatten.

Met single en album Let's Dance in 1983 had hij het meeste succes, maar het waren de in de jaren zeventig gemaakte songs waaraan Bowie het meest zal worden herinnerd. Al laat hij met het op zijn verjaardag verschenen Blackstar een ongekend sterke zwanenzang na. Het is zijn meest indrukwekkende album sinds Scary Monsters (And Super Creeps) uit 1980, en ook een van de best ontvangen platen uit zijn carrière.

Die carrière begon vijftig jaar geleden overigens moeizaam. David Robert Jones, zoals Bowie op 8 januari 1947 in het Londense Brixton werd geboren, had tijd nodig om zich te realiseren dat hij zich het beste als soloartiest kon profileren. Zo waren er midden jaren zestig zijn bandjes als de King Bees, Manish Boys en The Lower Third, waarmee het niet lukte door te breken. Jones, die dankzij een ongelukje bij een stoeipartij vanaf zijn vijftiende met twee verschillend gekleurd lijkende ogen door het leven ging, noemde zich sinds 1967 David Bowie. Een naamsverandering om verwarring met Davy Jones, zanger van The Monkees te voorkomen. Daarna ging het met zijn carrière iets beter. Hij bracht zijn titelloze debuutalalbum uit en had in eigen land een hitje met The Laughing Gnome. Daarna dreigde opnieuw de vergetelheid.

(Tekst gaat verder na video)

Beeld afp

De vijf beste platen van Bowie

Lees hier het artikel over de vijf beste platen van David Bowie, volgens de Volkskrant.

Die werd afgewend in 1969 met het liedje Space Oddity, mooi getimed in het jaar van de eerste menselijke stappen op de maan. Toch zou het daarna nog drie jaar duren voordat David Bowie meer ging betekenen dan die man van dat ene liedje over astronaut Major Tom.

De zomer van 1972 betekende een keerpunt in de moeizaam verlopende popcarrière. Bowie had weliswaar wat goede kritieken gekregen met zijn albums The Man Who Sold The World (1970) en Hunky Dory (1971), maar het was zijn creatie van de fictieve rock 'n roll held Ziggy Stardust waarmee hij wereldwijd doorbrak. Dat begon in Engeland met een foto en een tv-optreden. De foto is van Mick Rock, gemaakt op 17 juni in Oxford en laat een gehurkte Bowie zien die met zijn mond tegen de op het kruis van Mick Ronson hangend gitaar drukt. Deze zogeheten 'fellatio'-foto werd een paar weken later gevolgd door een optreden van Bowie met zijn Spiders From Mars in Top Of The Pops. Ze speelden het liedje Starman van het dan net verschenen album Ziggy Stardust. Bowie sloeg liefdevol een arm om de schouder van Mick Ronson, en zo'n uiting van genegenheid was destijds ongehoord.

Die zesde juli 1972 staat sindsdien te boek als de datum waarop David Bowie een popster werd. Starman werd net als het Ziggy Stardust-album een enorme hit. Maar Bowie had in die zomer veel meer noten op zijn zang. Zo redde hij met zijn productie van het album Transformer de carrière van de door hem zeer bewonderde Lou Reed, die bij zijn platenmaatschappij aan een zijden draadje bungelde. Ook schonk hij een van zijn allerbeste liedjes, All The Young Dudes, aan de al even noodlijdende rockband Mott The Hoople.

Waar hij de tijd vandaan haalde, is een raadsel maar tussendoor tourde hij als Ziggy Stardust uitgebreid de wereld over en nam hij in New York het album Aladdin Sane op, dat hij zelf zou omschrijven als het relaas van Ziggy Stardust in Amerika.

Foto die vlak voor of na de zogeheten 'fellatio'-foto gemaakt is door Mick Rock, op 17 juni in Oxford. De 'fellatio'-foto laat een gehurkte Bowie zien die met zijn mond tegen de op het kruis van Mick Ronson hangend gitaar drukt. Beeld Mick Rock

In de ban van glamrock

De popwereld was dankzij Bowie en zijn extravagante Ziggy Stardust-uitdossingen en de hit The Jean Genie in 1973 volledig in de ban van glamrock, maar Bowie was al weer op zoek naar nieuwe muzikale uitdagingen.

Elk album dat hij sindsdien zou uitbrengen, zou een andere muzikale stijl kennen, wat hem de bijnaam 'muzikale kameleon' zou geven. Het distopische, als muzikale vertolking van George Orwells 1984 bedoelde Diamond Dogs (1974), klonk zo anders dan het soulvolle, tegen disco aanleunende album Young Americans (1975), dat weer weinig gemeen had met ijzige door elektronische muziek van Kraftwerk beïnvloedde platen (Low, Heroes en Lodger) uit zijn zogenoemde Berlijnse periode (1976-1979).

Bowie ontpopte zich steeds meer als iemand met een groot talent om op het juiste moment de juiste muziek naar voren te schuiven. Hij vond de discofunk in liedjes als Fame en Young Americans niet uit, maar absorbeerde die van soulplaten uit Chicago en de muziek van James Brown. Ook was hij niet de eerste die met lange stukken elektronische synthesizermuziek hele plaatkanten wist te vullen. Maar hij bracht deze muziek door die te integreren met meer hitgevoelige liedjes wel onder de aandacht van een groot, cultureel breed georiënteerd publiek.

Dat was bijzonder in een tijd waarin er een duidelijk onderscheid bestond tussen hitparademuziek en elpeemuziek. Aan de ene kant was er medio jaren zeventig toegankelijke, drieminutenpop van Abba, aan de andere kant waren er Genesis en Pink Floyd, met hun breed uitgesponnen klanktapijten. David Bowie wist raad met beide uitersten van het spectrum.

En hij bleef zichzelf keer op keer vernieuwen. Als een van de weinigen artiesten groot geworden in de vroege jaren zeventig liet hij zich niet opzij zetten door de punkbeweging maar zich er juist door inspireren. Iedereen ging in 1977 kort en schreeuwerig rocken en keek naar New York en Londen. Bowie zag vernieuwing juist elders, in Berlijn bijvoorbeeld.

Zijn Berlijn-trilogie en de platen The Idiot en Lust For Life, die hij in 1977 maakte met Iggy Pop - een andere held van hem - zouden van een onschatbare waarde blijken op de muziek van postpunk-bands als Joy Division, The Human League en Japan. Hitparade-junkies of liefhebbers van 'serieuze' lp-muziek: iedereen die in de jaren zeventig opgroeide wist wie David Bowie was. En Bowie wist hoe hij zijn publiek keer op keer het best kon bespelen. Zo had hij in 1983 goed door dat er weinig te vernieuwen viel, en dat het nu tijd was om alle maskers af te doen en gewoon feest te vieren. Popmuziek was niet meer exclusief voor jongeren op zoek naar een nieuwe eigen identiteit.

Beeld photo_news
Beeld getty

Videoclip

Er mocht ook gewoon worden gedanst. Het met discoproducer Nile Rodgers gemaakte Let's Dance zou in 1983 Bowies grootste verkoopsucces worden. Een uitbundige, toegankelijke popplaat zonder dubbele bodems of diepere experimentele lagen. Zo transparant had Bowie eigenlijk nooit geklonken, al vonden veel critici het nieuwe Bowiegeluid vlak en een knieval naar de commercie.

Handig inhakend op het groter wordende belang van nostalgie in de popmuziek, en gebruik makend van de videoclip, het nieuwste speeltje in de muziekindustrie, werd Bowie populairder dan ooit. Daar speelde hij op in door het organiseren van een grote stadiontournee, die zomer 1983 ook de Rotterdamse Kuip aandeed.

Deze Serious Moonlight Tour zou een mooi afscheid zijn geweest, maar het betekende het begin van een lange periode waarin Bowie creatief zwalkte. Zoekende naar partners had hij weliswaar hits (Under Pressure met Queen, This Is Not America met Pat Metheny) maar coherente albums kwamen er niet meer uit zijn handen.

Artistiek dieptepunt waren de twee platen die hij in 1989 en 1991 met zijn harde rockband Tin Machine maakte en ook daarna leek Bowie zoekende. De trendsetter was trendvolger aan het worden, met verwijzingen naar Britpop op Black Tie, White industriële rock van Nine Inch Nails op 1.Outside (1995) en drum & bass op Earthling (1997) die nogal geforceerd aandeden.

Live maakte hij hooguit in de kleine zalen (Paradiso, 1997) nog indruk, maar nieuwswaardige evenementen waren zijn platen en concerten steeds minder. Ook zijn naam als acteur, die in 1976 met de hoofdrol in Nicolas Roegs The Man Who Fell To Earth begon, leek na successen als Merry Christmas, Mr. Lawrence (1983) en Twin Peaks: Fire Walk With Me (1992) te vervagen.

Tekst gaat verder onder de video

Beeld photo_news
Beeld epa

Opveren

De plaat Reality deed in 2003 weer een beetje opveren, maar tijdens een optreden in Duitsland, begin 2004, werd de popster onwel. Een hartaanval. David Bowie zou hierna nooit meer een concert geven. Hij trok zich terug in de warmte van zijn familie, vrouw Iman en inmiddels vijftienjarige dochter Alexandra.

Er gingen in de jaren die volgden wel geruchten over vermeende ziektes van Bowie, maar deze reageerde daar niet op. Hij gaf geen interviews meer, ook niet toen op zijn 66ste verjaardag ineens een nieuw liedje van hem op YouTube verscheen (Where Are We Now?) en er ook een nieuw album werd aangekondigd, The Next Day, zijn eerste in tien jaar.

Een goede rockplaat, maar niet meer dan dat. Bowie was weer niet de vernieuwer die de luisteraar nieuwe muzikale inzichten biedt, zoals in zijn hoogtijdagen. En zoals op Blackstar, de plaat die vorige week verscheen en tot zijn beste werk gerekend mag worden. David Bowie die, naar nu blijkt, al anderhalf jaar leed aan kanker heeft zijn zwanenzang net op tijd voltooid. Zoals hij vorige maand ook nog kon aanschouwen hoe 'off-Broadway' in New York, onder leiding van Ivo van Hove, zijn theaterstuk Lazarus in première ging.

In het titelnummer van de voorstelling dat ook op Blackstar te horen is, zingt David Bowie:

Look up here, I'm in heaven
I've got scars that can't be seen
I've got drama, can't be stolen
Everybody knows me now

Kijkend naar boven zien we geen littekens maar horen we zijn muziek. Liedjes waarmee generaties popliefhebbers groot mee zijn geworden, en die nog vele generaties zullen blijven intrigeren.



Bowie in 2007 met zijn vrouw Iman. Beeld photo_news
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.