Dat was ooit

Het is inmiddels oud nieuws. Nederlanders, vooral jongeren, weten veel te weinig van de eigen geschiedenis...

Telkens wanneer er weer een enqu wordt georganiseerd, zorgt de uitslag ervan voor prikkelende krantenkoppen, gevolgd door ferme uitspraken van politici, cultuurcritici en verontruste brievenschrijvers.

Zo pleitte SP-voorman Jan Marijnissen kort geleden voor de oprichting van een nationaal historisch museum, waar de bevolking zou kunnen kennismaken met de Nederlandse geschiedenis. In eerdere discussies moest vooral het onderwijs het ontgelden. Leerlingen zouden geen 'echte' geschiedenis meer gedoceerd krijgen, met een duidelijke structuur en aandacht voor het eigen land, maar voornamelijk nog modieuze thema's uit de laatste eeuw.

Dit soort geluiden roept een paar vragen op. Ten eerste wordt er gemakshalve van uitgegaan dat het vroeger zoveel beter was gesteld met het historisch besef van de gemiddelde Nederlander. Er is alle reden om dat te betwijfelen. Bij een beetje doorvragen bleek achter de uit het hoofd geleerde jaartallen dikwijls een grote leegte te gapen - wat overigens niet zo verwonderlijk is, gelet op het feit dat de meeste mensen niet meer dan (al dan niet uitgebreid) lager onderwijs hadden genoten.

Belangrijker is de vraag of het vandaag de dag werkelijk zo slecht gesteld is met het historisch besef. Want als dat het geval is, hoe moeten we dan verklaren dat het aantal bezoekers van musea en archieven de laatste decennia zo explosief is gegroeid? Nog nooit werden zoveel populair-historische boeken uitgegeven, nog nooit was er zoveel zorg voor het historische karakter van het landschap en de gebouwde omgeving.

De belangstelling voor het verleden beperkt zich niet tot de culturele elites. Het theater van de geschiedenis biedt een gevarieerd programma voor alle lagen van de bevolking. Stamboomonderzoek is een populair tijdverdrijf, evenals het bezoek aan archeologische themaparken en historische plaatsen. Toeristen aan de Spaanse kusten laten het strand een dagje voor wat het is om een uitstapje te maken naar het Alhambra, de moskee van Cordoba of Gaudi's Sagrada Familia.

Het hoofdpodium in de hedendaagse historische cultuur wordt evenwel gevormd door de televisie en de film. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat de meeste Amerikanen hun kennis van het verleden vrijwel geheel ontlenen aan speelfilms, documentaires en andere televisieprogramma's. Jaren geleden al Was het historisch bewustzijn vroeger werkelijk groter? En heeft het zin nieuwkomers te laten leren wie Floris V was? Pogingen achterhaalde ideeover het geschiedenisonderwijs nieuw leven in te blazen, zijn gedoemd te mislukken.

kon een Amerikaanse producent van een serie over de Eerste Wereldoorlog met trots adverteren dat dankzij deze serie 'meer mensen de oorlog herleefden dan erin gevochten hadden'. Het lijdt geen twijfel dat onze voorstelling van de geschiedenis, of het nu gaat om het Romeinse Keizerrijk, de Middeleeuwen, de Franse Revolutie, Auschwitz of Vietnam, diepgaand beloed is door speelfilms en documentaires.

Wanneer we deze rijkdom aan omgangsvormen met het verleden overzien, komen de klachten over het gebrek aan historische kennis en belangstelling in een ander daglicht te staan. Niet de interesse voor het verleden is hier blijkbaar in het geding, maar de vormen waarin deze zich manifesteert. De critici die zich zo bezorgd tonen over het 'collectieve geheugenverlies' of het 'historisch analfabetisme' geven door hun woordkeuze impliciet aan, dat onze samenleving een verkeerd historisch besef heeft ontwikkeld.

Daar gaat het deze critici blijkbaar om: in plaats van zich te verdiepen in overzichtelijke schoolboeken, verantwoorde historische studies of desnoods historische romans over de Nederlandse of Europese geschiedenis, geven de meeste mensen, jong en oud, zich liever over aan meeslepende films en televisieseries, storten zij zich op zelf bijeengebrachte collecties prentbriefkaarten en treinmodellen, schaffen zich hobbyboeken over genealogie of tatoeages aan en maken uitstapjes naar de overblijfselen van de antieke culturen van Griekenland, China of Mexico.

In hun omgang met het verleden laten de meeste mensen zich in de eerste plaats leiden door hun persoonlijke voorkeuren en stemmingen. Ze gedragen zich steeds meer als consumenten, precies als op andere terreinen van het maatschappelijke leven. Zoals in de wereld van de politiek, de literatuur en de muziek, hebben zich ook in de historische cultuur de laatste decennia ingrijpende veranderingen voltrokken: niet de kerk, de politiek of het onderwijs, maar individuele wensen - zo men wil: de markt - bepalen in sterke mate wat wel en wat niet belangrijk dan wel interessant of 'leuk' gevonden wordt.

Uit de vele klachten over het 'gebrek aan historisch besef' schuilt niet alleen een afkeer van ogenschijnlijke ordeloosheid, willekeur en vrijblijvendheid van de hedendaagse historische cultuur, maar ook een nauwelijks verbloemde nostalgie naar de vertrouwde waarden en normen van vroeger.

Dat zien we ook terug in de aard van de thema's die in de discussies en de met veel fanfares opgeluisterde enqus en onderzoeken aan de orde worden gesteld. De meeste vragenlijsten en beschouwingen zijn doortrokken van nationaal-christelijke en burgerlijke beschavingsidealen die de westerse samenleving bijna twee eeuwen hebben beheerst, maar nu hun betekenis voor een belangrijk deel hebben verloren.

In de jaren vijftig en zestig stonden het geschiedenisonderwijs, de musea, monumenten en herdenkingsrituelen nog geheel in het teken van vastomlijnde opvattingen over de ontwikkeling van de nationale staat en de politieke en culturele suprematie van de westerse beschaving. De 'eigen' geschiedenis was een vanzelfsprekend verhaal, dat begon in de Romeinse tijd en vervolgens verschillende historische perioden doorliep. In dit verhaal - dat overigens een aantal versies kende - kon de verschillende religieuze groepen een eigen plek toegewezen worden.

In deze 'vaderlandse geschiedenis' werd de idee van 'de Nederlandse natie' geprojecteerd op samenlevingen en tijdperken waarin van zoiets als 'Nederland' in de verste verte nog geen sprake was. Dit procedesulteerde in een geschiedenis met onaantastbare helden en dramatische wendingen.

Ook het recente verleden werd in dit soort termen geerpreteerd. In De Bezetting, de immens populaire en monumentale televisieserie van Loe de Jong, uitgezonden in eenentwintig delen tussen 1960 en 1965, werd de Tweede Wereldoorlog voorgesteld als een strijd tussen goed en kwaad, als een worsteling waaruit het geestelijk ongebroken Nederlandse volk uiteindelijk - mede dankzij zijn vorstin, Wilhelmina - gesterkt en gezuiverd te voorschijn kwam. Een echo van deze geluiden kan men aantreffen op de honderden oorlogsmonumenten die in de eerste twee decennia na de bevrijding overal in Nederland zijn neergezet.

Deze manier van denken over geschiedenis ligt inmiddels achter ons. De technologische revoluties, de explosievegroei van informatie, de economische, politieke en culturele globalisering, de suprematie van de consumptiecultuur, de erosie van het nationalisme en andere politieke ideologie- in dit hele complex van ontwikkelingen is de Nederlandse samenleving de laatste halve eeuw ingrijpend van karakter veranderd. Het waardenstelsel waarop het hiervoor geschetste beeld van de geschiedenis was gebouwd, heeft daarmee zijn aantrekkingskracht en betekenis grotendeels verloren.

Politici, cultuurcritici en opvoeders die - meedeinend op de morele en politieke wanen van de dag - roepen om de 'eigen geschiedenis' in ere te herstellen, die willen dat alle Nederlanders, inclusief de inburgerende immigranten, weten wie Floris V, Johan van Oldenbarnevelt of Koning-koopman Willem I waren, hoe de Reformatie verliep en wat er precies in de Gouden Eeuw gebeurde, jagen een illusie na. Natuurlijk, op het moment dat dit soort thema's onderdeel wordt van het centraal schriftelijk eindexamen, zullen de leerlingen de stof keurig leren. Maar daarmee wordt dit nog geen levende geschiedenis.Dat zal ook niet gebeuren wanneer je - zoals Paul Scheffer bepleitte - een cursus op dit gebied voor alle eerstejaarsstudenten verplicht zou stellen. Een halve eeuw experimenteren met intensieve trainingen 'dialectisch-materialistische wereldbeschouwing' in Oost-Europa hebben tenslotte het communisme ook niet kunnen redden. Wie het theater van de geschiedenis aan een centrale regie wil onderwerpen, zal na verloop van tijd voor vrijwel lege zalen spelen; een nationaal historisch museum dat in traditionele geest wordt ingericht, zal de deuren waarschijnlijk snel weer moeten sluiten.

Het nationale en etnocentrische beeld van het verleden waarmee de oudere generaties nog zijn grootgebracht, stamde uit de 19de eeuw, van een tijd waarin de moderne geustrialiseerde samenleving en de nationale staat tot ontwikkeling kwamen. De nieuwe vaderlandse geschiedenis fungeerde in dat proces enerzijds als middel om politieke, sociale en culturele eenheid af te dwingen, en anderzijds als bron van identificatie voor uiteenlopende bevolkingsgroepen, die probeerden een volwaardige plek in de samenleving te veroveren. Precies die omstandigheden maakten deze vaderlandse geschiedenis tot een levende geschiedenis.

Vandaag de dag zijn er nog maar weinig historische episodes die zo'n politieke en morele betekenis hebben - gebeurtenissen, die nog werkelijk herdacht worden, ter gelegenheid waarvan nog gedenktekens worden opgericht en waarover je geen grappen maakt. Dat zijn - veelzeggend genoeg - niet de meest verheffende hoofdstukken van de geschiedenis.

Waar in de negentiende eeuw de Gouden Eeuw als bron van nationalistische inspiratie werd voorgesteld, zijn het nu de verhalen over kolonialisme, slavernij, racisme, fascisme en nazisme die fungeren als politiek tekens. Zowel in Europa als in Amerika staan deze geschiedenissen symbool voor de catastrofe die de mensheid over zich afroept wanneer bepaalde grenzen worden overschreden.

De pogingen achterhaalde opvattingen over de inhoud van het geschiedenisonderwijs of de rol van historische musea opnieuw ingang te doen vinden, zijn, zoals gezegd, tot mislukken gedoemd. Ze gaan voorbij aan de de veranderingen die zich de laatste decennia in de westerse cultuur hebben voltrokken; in het ergste geval zullen ze fungeren als dekmantel voor reactionaire en xenofobe sentimenten.

De erkenning dat de traditionele opvattingen over geschiedenis wortelen in een mentale wereld die goeddeels is verdwenen, en de constatering dat de historische cultuur van onze tijd gekenmerkt wordt door een grote verscheidenheid aan vormen en betekenissen, zouden ook bevrijdend kunnen werken. Om te beginnen kunnen we ons - vrij naar Nietzsche - afvragen wat 'het nut en het nadeel van de geschiedenis' is en welke benaderingen vervolgens steun verdienen. Dit zou kunnen leiden tot een interessant debat, al is nu reeds te voorspellen dat de gevestigde belangen, te beginnen met de onderwijsbureaucratie en leerplanontwikkelaars, daarin gesteund door de politiek, alles in het werk zullen stellen hun posities niet kwijt te raken.

Er zijn, kort gezegd, twee manieren waarop historische kennis 'nuttig' kan zijn: als bijdrage aan de vorming van het burgerschap en als culturele activiteit. In het eerste geval wordt de geschiedenis gereduceerd tot 'toegepaste kennis', met het doel inzicht te krijgen in de wereld waarin we leven, waarbij het accent automatisch valt op de eigentijdse geschiedenis, de ontwikkeling van de staatsinrichting en de internationale verhoudingen. Het zal niet zo moeilijk zijn een dergelijk praktisch vak onder de titel 'burgerschapskunde en eigentijdse geschiedenis' in het onderwijs en elders een plaats te geven.

Dat ligt anders met de geschiedenis als culturele activiteit, waartoe we vrijwel alle voorstellingen mogen rekenen die in de theaters van het verleden plaatsvinden. Hier gelden heel andere criteria: niet het praktische nut, maar de culturele waarde van de confrontatie met het verleden staat hier voorop. Of het nu gaat om het onderwijs, de musea, om publicaties of audiovisuele media, in alle gevallen zou de geschiedenis moeten bijdragen aan een verrijking van het leven, niet in de vorm van een voorgeprogrammeerde reis langs historische hoogtepunten of centrale leerplannen, maar door de confrontatie te zoeken met het niet-onmiddellijk herkenbare, het vreemde in het verleden. Welke onderwerpen daarbij aan de orde komen, is in wezen niet relevant.

Het onderwijs en de musea zouden door deze benadering van de geschiedenis bevrijd kunnen worden van de onmogelijke combinatie van taken en verplichtingen waarmee zij nu zijn opgezadeld - en die nog knellender wordt als sommige politici en cultuurcritici hun zin zouden krijgen. Bovendien opent deze benadering de mogelijkheid historische projecten - films, publicaties, manifestaties - op kwaliteit te beoordelen en zo nodig te bevorderen, precies als alle andere culturele activiteiten waarvan de waarde tenslotte ook niet wordt afgemeten aan feitenkennis, praktisch nut of ideologische betekenis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden