‘Dat is die boer van de varkenspest, zeiden ze’

‘Je ziet dat de varkens ziek zijn, maar wat ze hadden kon men niet 1-2-3 zeggen. Ik wist het zelf ook niet. Als ze longontsteking hebben, dan zie je dat. Maar dit beeld herkende ik niet. Ze gingen met tientallen tegelijk dood, maar je wist niet wat het was. De Gezondheidsdienst onderzocht de dieren, maar wist het eerst ook niet. Pas na drie weken kwam de uitslag.

Toen begon de hele heisa. Het was alsof je een overval had gepleegd, zo druk was het hier. Iedereen kwam naar het bedrijf. Politie, gezondheidsdienst, dierenartsen, AID, diverse instanties. Je wilt niet weten hoeveel mensen hier op de stoep hebben gestaan, ik denk wel honderd. Het erf werd afgezet met rood-witte linten, het leek wel of je een grote crimineel was.

We hadden 200 zeugen en 700 vleesvarkens. Woensdagmorgen begon de ruiming. Ze werden allemaal ter plekke geëlektrocuteerd. Dat gekrijs, die doodschreeuwen, ik zal het nooit vergeten. Het was een enorme klap, we waren er niet op voorbereid. Het was alsof er plotseling iemand in de familie was overleden.

Met zo’n grijper werden alle kadavers van de zeugen, biggen en vleesvarkens in containers geladen. Alsof het nog niet druk genoeg was, verscheen ook de pers langs de weg. We waren groot nieuws. Ik heb heel veel pers te woord gestaan, NOS, RTL, Omroep Brabant. Ik was op de Duitse en Oostenrijkse televisie. Ik schijn zelfs op CNN geweest te zijn. Dat persgedoe was een hele ervaring.

Ik werd erop aangekeken, door andere boeren en door de instanties. Dat gevoel had ik heel sterk. Terwijl ik er niets aan kon doen. Elk bedrijf had dit kunnen overkomen. Sterker nog, andere hadden het toen ook al. Ook 10 kilometer verderop waren de dieren al een paar maanden aan het sukkelen. Maar bij ons werd de varkenspest het eerste geconstateerd.

Door collega-boeren werd ik genegeerd. Ze liepen met een boogje om me heen. Dat is die boer, die van de varkenspest, hoorde je ze zeggen. Dat krijg ik soms nog te horen, na 12,5 jaar.

Ik weet nog steeds niet hoe het virus hier is gekomen. Dat heb ik nooit te horen gekregen van de hogere instanties. Ze zeggen dat het vanuit Duitsland kwam. Ik had een Duits varken gekocht, werd er gezegd. Maar ik heb nooit Duitse varkens gekocht. Die praatjes gingen toen wel. Maar andere bedrijven hadden het ook, misschien wel eerder dan ik.

Die hele week was een dramatische ervaring, zowel voor als na de ruiming. Het ministerie stelde een vervoersverbod in. Vlak daarvoor gingen veel boeren nog rijden met de varkens. Daar is toen veel kritiek op geweest. Ze zouden met het gesleep van varkens het virus hebben verspreid. Maar de grootste fout lag bij het ministerie. Ze hadden kunnen weten wat er zou gebeuren toen ze aankondigden dat er na 12 uur ’s nachts geen beesten meer mochten worden vervoerd. Natuurlijk proberen boeren dan plek in de stallen te maken. Je weet dat zo’n vervoersverbod wel weken kan duren. Dan gaan boeren rijden. Ze willen ruimte creëren, dat ze weer enkele weken vooruit kunnen. Want die varkens groeien door en voor je het weet, lopen ze vast in de stal.

Die lege stallen bij ons was een heel vreemd gevoel. Sinds begin jaren tachtig had ik altijd varkens gehad. En nu waren de stallen leeg. Ik had niets te doen en voelde me geïsoleerd. Een week daarna moest ik naar het ziekenhuis: hernia. Dat had niets met de situatie te maken. Maar het kwam eigenlijk wel goed uit. Ik had alle tijd voor de revalidatie.

In de week van de ruiming zijn veel mensen op bezoek geweest, van de hogere instanties, van het ministerie, meerdere functionarissen, die allemaal beloofden dat alles vergoed zou worden. Ik zette daar toen al vraagtekens bij. Eerst zien, dan geloven. Na 12,5 jaar heb ik nog steeds niks gezien. En ik geloof niet dat er nog iets komt.

Ja, voor de dieren die geruimd zijn, hebben we een vergoedinkje gekregen. Maar andere boeren hebben veel meer gekregen dan ik. Ik was de eerste, hè. Ze taxeerden de waarde van de varkens en dat was het. Maar hoe erger de crisis werd, des te meer kregen de boeren. Er zijn varkens preventief geruimd. Die boeren beurden 300 gulden per zeug meer dan ik, en dat in een tijdsbestek van een week. Dan kunnen ze wel zeggen, je bent akkoord gegaan. Dat klopt. Maar ik had geen andere keus.

Veertien maanden hebben de stallen leeg gestaan. Voor die leegstand heb ik nooit een cent gebeurd. Ik mocht na twee maanden wel weer varkens houden. Het bedrijf was schoon. Ik had al varkens gekocht in Engeland, maar ik mocht ze niet vervoeren, zelfs niet per helikopter. Pas begin april 1998 is het vervoersverbod opgeheven. Al die tijd had ik geen inkomsten van het varkensbedrijf. Ik ben links en rechts wezen werken voor de kost. Want je moest toch een boterham kunnen kopen. Ik heb met de vrachtwagen gereden, vooral mest. En ik heb in het magazijn van de Sligro gewerkt. Ook mijn vrouw heeft bij de Sligro gewerkt. Ze heeft ook seizoensarbeid gedaan, asperges steken, aardbeien plukken. Het was geen leuke periode. Maar het moest.

Het ministerie heeft ons goed en nog steeds in de kou laten staan. Ik zie minister Van Aartsen hier nog aan de keukentafel zitten. Ja, alles zou vergoed worden. Mooi niet dus. Een vergoeding voor de varkens ja, meer niet. De rest noemden ze bedrijfsrisico.

Toen na veertien maanden weer varkens in de stal stonden, 200 zeugen, was dat een hele opluchting. Daar doe je het toch voor. Ik ging weer met plezier aan het werk. Maar zoals vroeger, dat is het niet meer. Het vak is toch veel minder leuk geworden. Mijn bedrijf is eigenlijk te klein. Het ministerie wil grote bedrijven, maar promoot ook het gezinsbedrijf. Dat is tegenstrijdig, wat willen ze nou?

Ik heb nu nog maar alleen vleesvarkens. De zeugen brachten te weinig op. Ik vind dat we in de hele agrarische sector diep uitgeknepen worden. De supermarkten voeren oorlog, maar de producenten mogen het betalen. Water is duurder dan melk, dan zit er toch iets niet goed. Bestel maar eens een glas water en een glas melk in het cafetaria of restaurant. Toen ik met varkens begon, kostte een kilo varkensvlees 4,50 gulden. Nu is dat 1,50 euro ofwel 3,30 gulden. Met de inflatie gaan de prijzen omhoog, maar bij ons zijn ze omlaag gegaan. Ik zeg altijd maar: iedereen mag aan mij verdienen, als ik zelf ook maar iets verdien. Nu is het: iedereen verdient aan mij, maar ik zelf niet.

De pest heeft me wel veranderd, in negatieve zin. Ik heb minder vertrouwen in de dingen, en in de mensen. Ze hebben destijds vertrouwenspersonen aangesteld voor boeren die hun hart wilden luchten. Want de nood was hoog, sommigen pleegden zelfs zelfmoord. Ik heb dat nooit nodig gehad. Ik sprak met de pers. Ik kon mijn verhaal bij de media kwijt.

Het beeld van de varkenshouderij is veel negatiever geworden. Er worden allerlei uitspraken gedaan die niet waar zijn. Dat we te veel medicijnen gebruiken en mest dumpen. Varkens in Nood en Wakker Dier, ze weten niet waarover ze praten. Ze zeggen dat we dierenmishandelaars zijn. Maar als we een varken niet goed behandelen, dan kost dat ons dat geld. Dan groeit-ie minder. We proberen het dier zo goed mogelijk naar zijn eind te brengen.

Het is gewoon minder leuk om varkensboer te zijn. Ik heb wel gedacht aan stoppen. Maar ik ben 58, wie wil mij in loondienst? Ik ben nog te jong om te stoppen.

Ik heb geen opvolger. Gelukkig maar, zou ik bijna zeggen. Ik heb drie kinderen, twee meiden en een zoon. Hij is de jongste, 23. Hij zit wel in de agrarische sector, als monteur. Als ik de laatste jaren overzie, dan ben ik blij dat hij het bedrijf niet overneemt.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden