Dat het bedrijven om efficiency gaat is gewoon apekool

HET KENMERK bij uitstek van een ideologie is dat het zich uitgeeft voor een puur feitelijke constatering. De hardnekkigheid waarmee Dirk-Jan van Baar (Forum, 2 augustus)beweert dat de markt geen ideologie is, is een tweede kenmerk daarvan....

Ter discussie staat echter niet of het fenomeen 'markt' wel of geen ideologie is. 'De' markt is net als godsdienst of tenenkaas een bestaand verschijnsel. Dat is niet waarom het een ideologie zou zijn. Het wordt een ideologie wanneer de wenselijkheid ervan niet ter discussie staat. En het getuigt van grote verwardheid om die wenselijkheid te funderen op de doelmatigheid.

In de economie werkt men met het neutrale en stipulatieve begrip 'markt-efficiency' wat erop neerkomt dat de uitkomst van het marktproces 'optimaal' heet te zijn: als er een betere uitkomst was, zouden we wel verder ruilen. Dit betreft dan allereerst de aanbodzijde van de markt.

Er zijn mensen die menen dat dit tevens inhoudt dat de markt efficiënt produceert. Dat nu is een misvatting als geen ander. Het is immers niet de markt die produceert, maar het bedrijfsleven. En er is geen grotere tegenstelling denkbaar dan die tussen markt en bedrijf.

Dat het bedrijven om doelmatigheid gaat, is gewoon apekool. Bedrijven gaat het eerst en vooral om winst. Dit kan leiden tot organisatievormen die misschien dubbel werk doen, maar wel een groter marktaandeel opleveren, zoals de interne concurrentie tussen merken wasmiddelen van een en hetzelfde bedrijf.

Doelmatigheid is hooguit een middel tot grotere winst. De onophoudelijke reorganisaties in het bedrijfsleven bewijzen dat veel bedrijven naar efficiëncy streven; tegelijk toont dit aan dat zij niet doelmatig zijn.

Zelfs al streven bedrijven naar winst of doelmatigheid, dat betekent allerminst dat zij daarin slagen. Wie anders beweert, heeft nooit van een bankroet gehoord. Ook bedrijven begaan flaters, net als de overheid. Het verschil zit erin dat een bedrijf op de markt met concurrenten heeft te maken.

Het marktproces werkt als Jan met de zeis: wat niet de vereiste winstvoet behaalt, wordt afgekapt. In dat proces bevordert de markt de doelmatigheid, in zekere zin. Maar dat is pas achteraf. En de slepende ondergang van ondernemingen als Fokker toont aan dat de markt lang op zich kan laten wachten.

Los van dat alles heeft efficiëncy op zich geen waarde wanneer niet wordt verteld wat er efficiënt gedaan wordt. De argumenten voor een vrije markt zijn daarom meestal andere. Een vrije markt leidt tot lagere prijzen en welvaart. Het bevordert economische groei. Het levert meer banen op. Of dat allemaal zo is, is maar de vraag.

Want elk voordeel kan leiden tot een ander nadeel: grotere efficiëncy gaat ten koste van banen. En de heilzame economische invloed van extreme liberalisatie is empirisch onbewijsbaar; de magere prestaties van de erkend liberalere angelsaksische economieën doen eerder het tegendeel vermoeden. We kunnen hooguit zeggen dat een communistische planeconomie niet voldoet: maar dáár gaat de discussie in Nederland toch niet over?

De enige echte reden om de markteconomie te verkiezen boven de planeconomie is de persoonlijke vrijheid. Al zijn fouten ten spijt had de profeet van de vrije markt, Friedrich Hayek, dit goed ingezien: waar planning en sturing overheersen, raakt het individu bekneld. Daarom verzette hij zich niet tegen de overheid alleen, maar tegen iedere vorm van planning.

Tegenwoordig zien we hoe marktverheerlijking leidt tot de mantra van het 'luisteren naar de markt'. 'De markt' kan echter niets voorspellen, zij spreekt achteraf.

In de praktijk wordt het 'marktgericht denken' ingevuld met het vergroten van de zeggenschap van bedrijven over allocatie van publieke middelen zoals onderzoeksgelden. Maar dit is precies het soort planning dat Hayek verafschuwde. Terecht: overheid noch bedrijven kunnen de toekomst voorspellen.

Er is daarom een verschil tussen het economisch liberalisme dat het bedrijfsleven alle macht in handen geeft, en het klassieke liberalisme van John Stuart Mill dat de persoonlijke ontwikkeling vooropstelt.

Om het laatste is de verzorgingsstaat in het leven geroepen door jong-liberalen en socialisten gelijkelijk, en het is om het eerste dat de nakomelingen van dezelfde partijen haar weer afbreken. Dit alles in naam van de flexibiliteit waar de markt volgens velen om zou vragen.

Maar wie beweert dat de verzorgingsstaat mensen aanmoedigt om op hun plaats te blijven, vergeet dat de afbraak daarvan het mensen onmogelijk maakt om ooit van hun plaats weg te komen. Uiteindelijk is ook het bedrijfsleven afhankelijk van een klasse goed opgeleide, zelfverzekerde werknemers.

DAAROM is de tegenstelling tussen verzorgingsstaat en markt een valse. De sociale zekerheid is de voorwaarde voor de vrije markt. En dat zulke zekerheid niet gelijk staat aan regulering moge duidelijk zijn. Omdat wij als mensen feilbaar zijn en nooit de toekomst kunnen voorspellen is vrijheid nodig.

Verzorgingsstaat en vrije markt: op de juiste manier begrepen hebben we beide nodig.

Eric Tjong Tjin Tai

De auteur is informaticus en filosoof.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden