Dat grote continent 'Afrika' bestaat helemaal niet

Als een Afrikaan van het ene Afrikaanse land naar het andere wil reizen, dan gaat dat vaak via Europa. Het idee dat ‘Afrikanen’ een homogene groep mensen vormen, wier eerste loyaliteit aan ‘Afrika’ is, is onzinnig....

Elke keer dat ik hoor dat dit een ‘Afrikaans’ WK wordt, moet ik denken aan een scene uit het nieuwe boek Africa United van Steve Bloomfield. De Britse journalist beschrijft een kwalificatiewedstrijd voor dit WK, Nigeria tegen Kenia in de Nigeriaanse hoofdstad Abuja. Een paar uur voor de aftrap galmen ‘boe’-geluiden van een tribune. Komt het gejoel van meegereisde Kenia-fans?

Bloomfield kijkt, en ziet een groep mensen met blauwe posters en sjaals zwaaien: Nigeriaanse Chelsea-fans. Aan de overzijde slaan Nigeriaanse Manchester United-fans terug met een poster van Cristiano Ronaldo. Deze mensen voelen zich misschien Afrikaans. Maar ze voelen zich in elk geval Nigeriaans, en fan van Engelse clubs.

Ik geloof niet zo dat dit een ‘Afrikaans WK’ wordt. Het idee dat ‘Afrikanen’ een vrij homogene groep mensen vormen, wier eerste loyaliteit aan ‘Afrika’ is, en die met zijn allen hun ‘Afrikaanse WK’ gaan vieren, is onzinnig. Je zou zelfs de vraag kunnen stellen of ‘Afrika’ überhaupt bestaat. Het zijn vooral wij buitenlanders die meegaan in de Zuid-Afrikaanse retoriek over een ‘Afrikaans WK’. Dat doen we omdat de meeste mensen buiten Afrika amper iets van het continent weten.

Laten we een willekeurige ‘Afrikaan’ nemen. Deze man woont in een sloppenwijk buiten de Zimbabwaanse hoofdstad Harare. Hij voelt zich Zimbabwaan, lid van de Anglicaanse kerk, lid van de Shona-stam, een stadsmens, zwart (hij luistert veel naar Amerikaanse rapmuziek), Engelstalig, Arsenal-fan, en ja, ook wel Afrikaan, als je hem daarnaar vraagt.

Hij heeft alleen zo weinig van Afrika gezien. Europa is een veel kleiner en hechter continent: vanuit Amsterdam ben je in een wip in Kiev, Europeanen mailen elkaar voortdurend in slecht Engels, en na eeuwenoude connecties zijn de verschillen tussen Madrid en Rotterdam en zelfs Athene inmiddels relatief gering.

Dat geldt allemaal niet voor Afrika. In dit continent hebben slechts weinig mensen het geld om grenzen over te steken. Grensovergangen zijn sowieso streng bewaakt. Afrika is zo’n drie keer groter dan Europa. Als je vanuit de ene Afrikaanse hoofdstad naar de andere wilt vliegen, is het vaak gemakkelijker om via Londen of Parijs te gaan. De meeste Afrikanen hebben nog nooit een mail verstuurd. Met andere woorden: Afrika is oneindig veel diverser dan Europa. Daarom is ‘Europees’ vermoedelijk een sterkere identiteit dan Afrikaans’.

De meeste ‘Afrikanen’ zijn niet ontzettend op elkaars landen gefocust. Net als in Europa zijn hun celebrities vooral Amerikaanse zangers en Europese voetballers. Peter Alegi, Italiaans-Amerikaans historicus en waarschijnlijk de grootste kenner van de Afrikaanse voetbalhistorie, beschrijft in zijn recente boek African Soccerscapes hoe Afrikanen sinds een jaar of tien in groten getale Engels voetbal op satelliet-tv kijken.

Mijn blanke neefjes in Noord-Johannesburg doen dat in eigen huis, want in deze stad waag je je niet zo vaak op openbare plekken; Nigerianen kijken vooral in gezamenlijke ‘show houses’, en Kameroenezen in ‘chicken parlours’, tenten waar je entreegeld neerlegt en een versnapering betaalt om één van de Engelse ‘Grote Vier’ (Arsenal, Chelsea, Liverpool of Manchester United) toe te juichen. In mijn geboorteland Oeganda kijken de fans in bioscopen. In de hoofdstad Kampala zag ik een paar jaar terug dat veel matatu-taxis (een soort privébussen) versierd waren met attributen van clubs of spelers uit de Premier League. Eén bus heette bijvoorbeeld Van Persie, naar de Nederlandse Arsenal-spits.

Afrikaanse voetbalfans kijken dus meer naar de voormalige koloniale heerser dan naar ‘Afrika’. In 2008 bezocht Muhammed Musa, communicatiewetenschapper in Nieuw-Zeeland, zijn geboorteland Nigeria om te zien hoe Nigerianen de Afrikaanse landenbeker beleefden. Wat zag hij: de meesten beleefden het helemaal niet. De show houses bleven tijdens het toernooi vooral leeg, zelfs als Nigeria speelde. De eigenaren van de tenten vertelden Musa dat ze niet konden wachten totdat het Afrikaanse toernooi voorbij was, dan konden ze eindelijk weer klanten lokken met Engels voetbal.

Natuurlijk zullen show houses, chicken parlours en bioscopen deze maand vol zitten voor het WK. Het is echter maar de vraag in hoeverre Afrikaanse kijkers zich met het verre gastland zullen identificeren. Udesh Pillay, Zuid-Afrikaanse geograaf die het WK heeft bestudeerd, wijst erop dat het epicentrum van het WK, de regio rond Johannesburg, volstrekt atypisch is voor Afrika. Johannesburg heeft drie keer het gemiddeld inkomen per hoofd van welk Afrikaans land ook.

Het zakendistrict van de goudstad lijkt rechtstreeks uit Dallas of Boston in het hoogveld te zijn gedropt; in Afrika kent het zijn gelijke niet. Zuid-Afrika kreeg het WK juist omdát het heel anders is dan de rest van Afrika. Een succesvol WK zou dan ook absoluut niet bewijzen dat ‘Afrika’ meer ontwikkeld is dan wij denken. Ja, Johannesburg, Durban en Kaapstad kunnen een WK houden. Dat zegt niets over Zimbabwe of Lagos of de woestijn in Mali.

Zuid-Afrika is zo oneindig veel verder. Mensen uit andere Afrikaanse landen kennen het land vooral op de manier waarop ze Brussel of Parijs kennen: als arme immigranten. Volgens één schatting wonen er meer Afrikaanse immigranten in Zuid-Afrika dan in heel West-Europa. De meeste van deze mensen hebben het niet bijzonder goed.

In zijn zeer leesbare De macht van de bal, een reisboek over het Afrikaanse voetbal, ontmoet Edwin Schoon de topscorer aller tijden van de Afrikaanse landenbeker, een Congolees die vaak dakloos door Kaapstad dwaalt.

Net als veel Europeanen, koesteren veel Zuid-Afrikanen vooroordelen tegen Afrikaanse immigranten. Nigerianen worden in Johannesburg vaak als drugssmokkelaars afgedaan. Arme Zimbabwanen worden van straatcriminaliteit verdacht. Twee jaar geleden kwamen tientallen Afrikaanse immigranten in Zuid-Afrika bij pogroms om; bekend is de foto van de Mozambikaan in het Johannesburgse township Alexandra die levend wordt verbrand. Dat was niet erg pan-Afrikaans. Eerder drukten de pogroms een Zuid-Afrikaans nationalisme uit: het ANC heeft in de twintig jaar sinds de val van de apartheid met succes een Zuid-Afrikaanse identiteit gecreëerd.

Dan hebben we het nog helemaal niet gehad over de weke band tussen Noord-Afrikaanse landen en Zuid-Afrika. Het panafrikanisme, het idee dat alle Afrikanen een band delen, beroept zich traditioneel sterk op een gezamenlijke zwartheid. Arabische Afrikanen voelen zich echter zelden zeer verbonden met zwarte Afrikanen ten zuiden van de Sahara. Bij voetbalwedstrijden in Noord-Afrika worden zwarte spelers soms uitgejouwd. En toen bekend werd dat een Afrikaans land het WK 2010 zou mogen houden, vond Marokko dat zijn bod de steun van het continent verdiende. De voornamelijk christelijke, zwarte, Engelstalige Zuid-Afrikaanse nieuwkomers moesten maar wachten.

Met andere woorden: voor de meeste Afrikanen is Zuid-Afrika een rijk, ver en vreemd land. Geen wonder dus dat Afrikanen buiten Zuid-Afrika slechts zo’n 40 duizend WK-kaartjes hebben gekocht; het buurland Zimbabwe had er in februari precies 34 afgenomen. Op een wrange manier zijn Zimbabwanen, Liberianen of Algerijnen veel verder van Johannesburg verwijderd dan wij dat zijn met onze euro’s en vliegverbindingen.

De vraag is dan waarom dit WK toch in panafrikaanse retoriek is gehuld. Belangrijk is dat het panafrikanisme in oorsprong vooral van buiten Afrika kwam. De Europese kolonialisten waren van afstand geneigd ‘Afrika’ als één geheel te beschouwen. Veel Amerikaanse zwarten zagen het net zo. De strijdkreet ‘Afrika voor de Afrikanen’ is van de Amerikaanse denker Marcus Garvey. De Ghanees Kwame Nkrumah, die in de jaren vijftig politieke grondlegger van het panafrikanisme zou worden, las Garvey tijdens zijn studie aan Lincoln University in de Amerikaanse staat Pennsylvania. Uit de VS bracht Nkrumah het panafrikanisme mee naar huis.

Rond dit WK kwam het panafrikaanse geluid vooral van een man wiens tegenstanders graag zeggen dat hij helemaal geen Afrikaan is: Thabo Mbeki, van 1999 tot en met 2008 president van Zuid-Afrika. Mbeki vluchtte als student voor het apartheidsregime, hij woonde in totaal 28 jaar in het buitenland, onder meer in Engeland en Rusland. Qua opleiding is hij bovenal een Europese intellectueel. Als president kondigde Mbeki een ‘Afrikaanse renaissance’ aan. Een Afrikaans WK paste daar goed in. In 2003, een jaar voordat Zuid-Afrika het toernooi kreeg toegewezen, schreef hij in een brief aan FIFA-president Sepp Blatter: ‘Wij willen, namens ons continent, een evenement houden dat golven van vertrouwen van de Kaap naar Cairo zal sturen. . . Wij willen waarborgen dat historici ooit naar het wereldkampioenschap 2010 zullen wijzen als het moment dat Afrika opstond, en na eeuwen van armoede en conflict vastberaden het tij keerde. We want to show that Africa’s time has come.’

Het hele Zuid-Afrikaanse establishment doet mee aan het gepraat over een ‘Afrikaans’ WK. Danny Jordaan, organisator van het toernooi, verwijst graag naar een oude cover van het tijdschrift The Economist, die Afrika afdeed als ‘Het hopeloze continent’. Het WK zal bewijzen ‘dat we Afrikaans zijn, én van wereldklasse’, zegt Jordaan. Michael Katz, Johannesburgs advocaat en lid van het organisatiecomité, zei me: ‘Er is dat Afrikaans scepsisme geweest, dat het in Afrika niet zal lukken. Hoe noemen ze dat? Afropessimisme. Een succesvol WK zou daar een einde aan maken.’

Natuurlijk menen deze mannen dit oprecht. Bovendien maken wollige oproepen tot een abstract panafrikanisme deel uit van de Afrikaanse politieke traditie. Maar deze Zuid-Afrikanen belijden ook gewoon Realpolitik. Als dit een ‘Afrikaans’ WK is, dan is de logische consequentie dat andere Afrikaanse landen Zuid-Afrika moeten steunen in plaats van jaloers te zijn. En als dit een ‘Afrikaans’ WK is, dan is Zuid-Afrika meteen voorman van een verenigd continent.

Net als de panafrikaanse teksten van Nkrumah, zijn die van de Zuid-Afrikanen nu een gooi naar leiderschap. Vergelijk het met de Franse retoriek over Europa: als een Franse president zegt dat hij naar een sterk verenigd Europa streeft, betekent dat een sterk verenigd Europa onder Franse leiderschap. Het panafrikanisme is dus zwakker en problematischer dan wij in Europa geneigd zijn te denken. Maar toch bestaat het wel. Een Zuid-Afrikaan, een Congolees en een Sierra Leoner hebben ondanks hun reusachtige verschillen toch iets gemeen. En dat is vooral: de blik van de buitenstaander.

Omdat de buitenstaander geneigd is Afrika als één plaats te beschouwen, worden Afrikanen voortdurend over één kam geschoren. Daarom hoor je dat ‘Afrikanen’ van muziek houden, honger lijden, gek zijn van voetbal, vrolijk zijn, enzovoort. Als de Zuid-Afrikaanse WK-organisatie stuntelt, dan heet het vaak meteen dat ‘Afrikanen’ niet kunnen organiseren. ‘Ze hebben problemen, Afrikaanse problemen,’ zei Franz Beckenbauer aan het einde van het Duitse WK van 2006.

De denigrerende blik van buiten is iets dat bijna alle Afrikanen kennen. In Kameroen in 1992 sloot ik vriendschap met een jongen van mijn leeftijd, Charles. Op een dag nodigde hij me bij hem thuis uit. Hij woonde in een sloppenwijk, urine liep door de greppels, en hij had me gewaarschuwd dat als iemand mij probeerde te beroven, ik moest zeggen dat ik hem kende. Maar toen ik zijn éénkamerkrot betrad, kon ik Charles plotseling niet meer als slachtoffer beschouwen. In de piepkleine ruimte stond een keurig opgemaakt bed, een stereo, en een boekenkast.

Charles was arm, hij verkocht boeken in een markt waar geen klanten kwamen, maar hij had iets van zichzelf gemaakt. Zo leven tientallen miljoenen hardwerkende respectabele Afrikanen. Je ziet ze alleen niet op tv; wel de veel schaarsere hongerlijdende kinderen met holle ogen. De buitenwereld beziet Afrikanen vooral met medelijden.

Als dit een mooi WK wordt, als een Afrikaans land goed speelt, dan zullen veel mensen over dit hele continent er waarschijnlijk een opgeschroefde eigenwaarde aan overhouden. In 1990 verzamelden veel Afrikanen zich rond het enige tv-toestel van het quartier om Kameroen toe te juichen; in 1994 deden ze dat voor Nigeria; en als Ivoorkust op dit WK schittert, zal er blijdschap zijn in de show houses en chicken parlours en bioscopen en misschien zelfs bij mijn neefjes thuis in Noord-Johannesburg.

Maar Arsenal-fans over het hele continent zullen ook trots zijn als Van Persie een bal in de bovenhoek legt. Veel Afrikanen zullen iets voelen als een zwarte speler als Ryan Babel scoort. Veel Afrikaanse moslims zullen supporter zijn van de Franse bekeerling Franck Ribéry (moslimnaam: Bilal). De Indiase Nobelprijswinnaar in de economie Amartya Sen zou het zo zeggen: veel mensen die in Afrika wonen, voelen zich ongetwijfeld Afrikaans. Maar het is slechts één van hun vele identiteiten. Het is alleen de identiteit die wij uit de verte het scherpste zien.

Simon Kuper is schrijver. Hij werd in 1969 geboren in Kampala, Oeganda.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden