interview Gert Oostindie

‘Dat geweld en racisme vaste bestanddelen zijn van de koloniale geschiedenis is geen moreel maar een wetenschappelijk gegeven’

Gert Oostindie: ‘Talloze weldenkende mensen hebben de koloniale verhoudingen nooit ter discussie gesteld. Wie zegt dat u of ik verstandiger had geoordeeld?’ Beeld Jiri Büller

Hoogleraar Gert Oostindie over een thema waar veel Nederlanders niet aan willen: ‘Het is knap lastig een verhaal te vertellen waarin de trots op Rembrandt de schaamte over de slavernij niet in de weg staat.’

De vraag wat de historische betekenis is van 1 juli, zal door de meeste Nederlanders met een glazige blik worden beantwoord. De afschaffing van de slavernij op deze dag in 1863 is niet in het collectief geheugen opgeslagen. De nationale herdenking, bij het slavernijmonument in het Amsterdamse Oosterpark, zal een overwegend zwarte aangelegenheid zijn. En toch, zegt historicus Gert Oostindie, worden de thema’s kolonialisme, slavernij en slavenhandel niet langer genegeerd. ‘Dat geweld en racisme vaste bestanddelen zijn van de koloniale geschiedenis is geen moreel maar een wetenschappelijk gegeven. Zes miljoen vermoorde Joden vormen een ijkpunt in de geschiedenis; hetzelfde geldt voor de 12,5 miljoen Afrikanen die als slaaf zijn verhandeld. Dit zijn nu eenmaal de feiten.’

Het klinkt vanzelfsprekend, maar dat is het niet. Getuige alleen al het feit dat aan de honderdste verjaardag van de afschaffing van de slavernij, in 1963, in Nederland op geen enkele wijze aandacht werd besteed – afgezien van een optocht van Surinaamse vrouwen in klederdracht in de binnenstad van Amsterdam. En aan de onthulling van het Nationaal Slavernijmonument, in 2002, ging een debat vooraf met als inzet: is de afschaffing van de slavernij niet een te particuliere gebeurtenis om een nationáál monument te rechtvaardigen?

Uit de onthulling zelf bleek ook enige onwennigheid in de omgang met het slavernijverleden: witte en zwarte hoogwaardigheidsbekleders werden door hoge schotten van het Surinaamse en Antilliaanse publiek gescheiden. De media gaven bij voorkeur hooggeleerde deskundigen, zoals Gert Oostindie, het woord. ‘Een Nederlandse professor werd geloofwaardiger gevonden dan een Surinaamse of Antilliaanse activist. Dat is nu gelukkig wel voorbij. In die zin is er in relatief korte tijd echt veel veranderd.’

Dat debatten rond kolonialisme en slavernij aanleiding geven tot ruzies en verdachtmakingen doet daar niets aan af, zegt Oostindie – hoogleraar koloniale en postkoloniale geschiedenis, en directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) in Leiden. Zo vormt hij zelf geregeld het mikpunt van activisten die hem feitelijk het recht ontzeggen om zich als witte man met hun geschiedenis bezig te houden. Hij is weggezet als ‘kleurontkennende racist’, die met zijn wetenschappelijke benadering van de materie de verwerpelijkheid van slavernij zou miskennen. ‘Een typisch koloniale reflex’, aldus zijn critici.

Tijdens een rondetafelgesprek op het NIOD, eind januari, eisten zij dat Oostindie niet verder betrokken zou zijn bij het onderzoek naar de dekolonisatieoorlog in Indonesië. ‘Natuurlijk is het onaangenaam als je deskundigheid in twijfel wordt getrokken. Tegen het verwijt ‘je komt uit een koloniale context’ kan ik mij ook moeilijk verweren. Maar als ik eerlijk ben, heb ik ook wel begrip voor de frustratie van deze critici dat een thema dat voor hen zo belangrijk is in Nederland zo laat en met zoveel tegenzin is erkend als onderdeel van onze nationale geschiedenis.’

In hoeverre zijn de emoties van activisten relevant voor u, als wetenschapper?

‘Ik neem ze serieus. Ook als wetenschapper moet je je ervan bewust zijn dat we in een bepaalde tijd en context leven, en dat die van invloed zijn op de manier waarop we naar het verleden kijken. Niemand is onbevangen. Maar dat neemt niet weg dat we als onderzoekers de plicht hebben het verleden, inclusief de geschiedenis van kolonialisme en slavernij, rigoureus en volgens gangbare wetenschappelijke methoden te onderzoeken. Dat Nederland niet los is te zien van zijn koloniale geschiedenis is daarbij geen morele, maar een wetenschappelijke vaststelling.’

Die rigoureuze wetenschappelijke methode heeft geleid tot de conclusie dat slavernij in 1770 goed was voor zo’n 5 procent van ons nationaal inkomen.

‘Je kunt erover twisten of dat veel is of weinig. Maar de vaststelling dat het hele systeem niet zo winstgevend was als vaak wordt gedacht, doet niets af aan het feit dat men in de 17de en 18de eeuw zonder scrupules investeerde in slavenhandel en slavernij in de hoop goud geld te verdienen. Dat dit resulteerde in gruwelijk leed van Afrikanen, daarbij werden hoegenaamd geen ethische kanttekeningen geplaatst.’

Tezelfdertijd was slavernij in de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën verboden.

‘Nou ja, laat in de 18de eeuw en onder veel voorwaarden. De lijn tussen slaaf en zwarte page was flinterdun. Ze werden mooi aangekleed, zodat hun eigenaren met hen konden pronken. Tot het begin van de 18de eeuw geldt dat als er al sprake was van een debat over de toelaatbaarheid daarvan, het uitsluitend ging over: kan het híér wel? Dat het daar, in de overzeese gebiedsdelen, gebeurde, vonden vrijwel alle betrokkenen oké. Heel hypocriet allemaal.’

Kennelijk heeft die dubbelhartigheid lang nageijld.

‘Zeker, en we weten daar nog altijd geen goed raad mee. Dat kwam bijvoorbeeld tot uiting bij de grote VOC-herdenking in 2002. Daar werd een mooie bijeenkomst met hooggestemde woorden aan gewijd in de Ridderzaal, in aanwezigheid van de koningin, de minister-president en andere hoogwaardigheidsbekleders. Drie maanden later gaven dezelfde prominenten cachet aan de opening van het slavernijmonument. Eerst werd gejubeld en daarna werd het boetekleed aangetrokken. Er werden twee verhalen verteld die één geheel zouden moeten vormen.’

Met dat ene, coherente verhaal lijkt het nog niet zo te lukken.

‘Iedere natie heeft de neiging om een verhaal over zichzelf te fabriceren dat vooral fijn en inspirerend is. Wie het over die zogenoemde schaduwkanten wil hebben, wordt al snel van spelbederf beticht, en dan worden de hakken in het zand gezet. Het antwoord is niet: het mooie verhaal voor het lelijke verruilen. Dat is ook niet bevorderlijk voor de cohesie van een land waarvan de samenstelling de laatste decennia ingrijpend is veranderd. Maar natuurlijk is het knap lastig een verhaal te vertellen waarin de trots op Rembrandt de schaamte over de slavernij niet in de weg staat.’

Maar hoe kun je een verbindend verhaal vertellen over, bijvoorbeeld, de oorlog in Indonesië?

‘Door niet op te treden als een soort inquisiteur die over het verleden praat als een poel van fouten en misstanden van anderen. Twee jaar geleden werd mij gevraagd een toespraak te houden voor Indië-veteranen. Die uitnodiging verraste mij enigszins, omdat ik kort tevoren een zeer kritisch boek (Soldaat in Indonesië (2015), red.) had geschreven over het optreden van het Nederlandse leger in Indonesië. 

Om onaangenaamheden te voorkomen, heb ik tevoren met een aantal veteranen gesproken. Ik zei: jullie komen straks bij elkaar om vijfduizend gesneuvelde kameraden te herdenken. Dat begrijp ik goed, ik ben erbij, maar ik wil in mijn rede ook de ruim 100 duizend Indonesiërs noemen, die tijdens het conflict zijn gedood. Daar hadden ze geen enkel probleem mee. Ik wil maar zeggen: als je geen veroordelende positie inneemt, roep je ook minder tegenkrachten op.’

Misschien niet bij de veteranen, maar wel bij activisten die u verwijten te begripvol te zijn tegenover de Nederlandse militairen.

‘Dat is mij inderdaad kwalijk genomen, dat ik in het boek op zoek ging naar de motieven van mensen die over de schreef gingen. Die voerden daar allerlei verklaringen voor aan: dat ze bang waren, dat ze omgebrachte kameraden wilden wreken, noem maar op. Mijn critici zeggen dat je je dan identificeert met de daders, maar dat doe ik niet. Ik probeer mij te verplaatsen in het gedrag van mensen onder ongewone omstandigheden. 

Ik wil weten waarom Nederlanders toen in Indonesië gingen vechten en waarom velen echt meenden dat de Indonesiërs wilden dat zij daar bleven. Daarbij wil ik niet vervallen in de makkelijke conclusie dat die Nederlanders enorme stommelingen waren. Dat was nu juist het hele punt: talloze weldenkende mensen hebben de koloniale verhoudingen nooit ter discussie gesteld. Wie zegt dat u of ik verstandiger had geoordeeld?’

Hoe komt het dat deze thema’s pas nu in de belangstelling staan?

‘Mede door de postkoloniale migraties naar Nederland. Er leven hier nu veel mensen die kunnen zeggen: wij zijn hier, omdat jullie daar waren. Zij brachten de koloniale geschiedenis letterlijk thuis, bij ons. En die groepen zijn allang voldoende geïntegreerd om een politieke lobby te kunnen voeren, ook om de andere Nederlanders ervan te doordringen dat die koloniale geschiedenis van ons allen is. 

Kenmerkend voor het belang van die lobby is het feit dat voormalige koloniale machten als Spanje en Portugal vrijwel niets doen aan de herdenking van de slavernij. Hoe dat komt? Ze hebben geen noemenswaardige Caraïbische gemeenschap die hen met dat verleden confronteert.’

Maar het verleden van Surinamers en Antillianen is weer heel anders dan dat van mensen met wortels in voormalig Nederlands-Indië.

‘Dat maakt de omgang met het koloniaal verleden inderdaad extra ingewikkeld. Voor mensen uit de Caraïben, vaak nazaten van Afrikanen, is weinig goeds te zeggen over kolonialisme. De Indische gemeenschap, die in omvang veel groter is, was juist door en door verbonden met de koloniale samenleving. Indische Nederlanders, en ook Molukkers, raakten met de dekolonisatie vooral iets kwijt: een cultuur en een vaderland. Hun trauma’s hangen daarnaast samen met de Japanse bezetting en met de Bersiap, moordpartijen tijdens de vroegste fase van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. 

Toen zij zich noodgedwongen in Nederland vestigden, merkten ze dat men hier niets meer met die koloniale toestanden te maken wilde hebben. Het koloniaal verleden? Dat werd de mensen aangerekend die er vandaan kwamen. De rest van de Nederlandse bevolking, en in het bijzonder de politiek, waste de handen in onschuld, en ging over tot de orde van de dag. 

De gevoelens over kolonialisme lopen dus erg uiteen. Er is niet één koloniale biotoop en één koloniale ervaring. Er zijn veel verschillende perspectieven. Het is onze opgave als historici het verleden zo te beschrijven dat we die verschillen begrijpelijk maken en daarmee recht doen.’

Thema’s in opkomst

Slavernij en kolonialisme waren jarenlang voetnoten bij de vaderlandse geschiedenis. En over de oorlog in Indonesië – in het spraakgebruik gereduceerd tot ‘politionele acties’ – werd gezwegen

Maar inmiddels zijn deze thema’s verankerd in de Canon van Nederland en vormen ze in de inzet van maatschappelijke debatten en achterstallig wetenschappelijk onderzoek. 

De Zwitsers-Nederlandse historicus Rémy Limpach stelde in 2016 vast dat geweldsexcessen vast onderdeel waren van de strategie van het Nederlandse leger in Indonesië. Daarop gaf het kabinet opdracht tot een gedegen wetenschappelijk onderzoek naar de dekolonisatieoorlog (dat in 2021 moet zijn afgerond). 

De onderzoekers worden van alle kanten op de vingers gekeken: ze zouden het leed van de Nederlanders en van de Indische Nederlanders willen relativeren of juist een te kritische houding hebben tegenover Nederland. Anderen vrezen dat de onderzoekers de voorgeschiedenis van de oorlog in Indonesië te veel uit het oog verliezen.

Gijs Groenteman gaat in onze illustere archiefkast in gesprek met mensen die hem hebben verwonderd. Rapper Pepijn Lanen, schrijver Paulien Cornelisse en kunsthandelaar Jan Six passeerden al de revue.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden