Dat ben ík!

In het Romeinse Rijk betekende 'portretrecht' nog letterlijk dat iemand recht had op een portret. Want niet iedereen kreeg zomaar een standbeeld op straat....

'MAG ik een foto van een betrapte voorbijganger die zijn hond in mijn tuin uitlaat, afficheren aan de straatkant?', vraagt een vrouw van 31 jaar uit Antwerpen. 'Nee', antwoordt de jurist op internet. 'Afficheren van een foto kan u in problemen brengen wegens inbreuk op het portret recht.' Om de vrouw toch van dienst te zijn, komt de jurist zelf met een veel simpeler oplossing: 'U kan vooreerst natuurlijk de persoon in kwestie gewoon aanspreken.'

Hoe verstandig het advies van deze Vlaamse jurist ook is, het gaat voorbij aan de magie van het portret. Communiceren via portretten en afbeeldingen is omgeven met een grotere dreiging dan het rechtstreekse gesprek. Natuurlijk kunnen we ruzies gewoon uitpraten, maar het geeft diepere genoegdoening foto's te verscheuren en spelden in het hart van een waspoppetje te prikken.

Meer nog dan een afbeelding van het lichaam is het portret een afbeelding van de ziel, en dat maakt dat we kwetsbaarder zijn voor een aanval via ons portret dan voor een directe confrontatie. De Antwerpse vrouw heeft misschien gehoopt dat de betrapte voorbijganger bij het zien van de foto zijn eigen ziel zou verachten; het portretrecht liet het niet zo ver komen.

De moderne wetgever heeft duidelijk niet veel op met het portret. Anders dan het woord doet vermoeden geeft het portretrecht ons niet het recht om te worden geportretteerd, maar biedt het ons bescherming tegen ongewenst portretteren. Kom je een afbeelding van jezelf tegen die is geopenbaard zonder je toestemming dan geeft de Auteurswet je de mogelijkheid daartegen bezwaar te maken.

Zo kon een nieuwslezer van de NOS een beroep doen op het portretrecht toen hij zichzelf terugvond in een seksfilm. En een professionele discodanser maakte bezwaar toen een foto van hem werd gebruikt in een advertentie in de Gay Krant. Het hof oordeelde weliswaar dat de danser geen redelijk belang had bij een publicatieverbod. De foto was nu eenmaal gemaakt in de disco waar hij 'beroepsmatig, grotendeels ontkleed' zijn dans opvoerde; het hof begreep niet waarom de danser dan niet halfnaakt in de Gay Krant wilde. Maar de Hoge Raad besloot anders. Iedereen die zijn portret terugziet in de reclame heeft in principe een redelijk belang daartegen in het geweer te komen, oordeelde de Raad.

Kortom, het portretrecht beschermt ons tegen inbreuk op ons commercieel belang, tegen inbreuk op onze privacy, en tegen inbreuk op ons belang niet publiekelijk belachelijk gemaakt te worden.

De angst voor het portret was niet altijd zo groot. In de bloeitijd van het Romeinse Rijk was er wel degelijk een portretrecht in meer positieve betekenis van het woord, dat het recht regelde om in het openbaar te worden geportretteerd. Vanaf de vierde eeuw voor Christus was het onder politici zo populair geworden een beeld van zichzelf op te richten in de straten van Rome dat de openbare ruimte al gauw dichtslibde met portretten. Ook dankbare cliënten lieten als eerbetoon beelden plaatsen van politici en bestuurders, en de concurrentie tussen al deze standbeelden was moordend. Toen uiteindelijk het hele Forum Romanum vol was, besloot het stadsbestuur een toelatingsbeleid in te stellen. Standbeelden zonder vergunning moesten worden verwijderd, en je kon alleen nog je beeld op straat zetten als je beschikte over het ius imaginis, het recht op een portret.

Wie te midden van zo'n menigte van concurrerende portretten herkenbaar wilde zijn, deed er verstandig aan een beeld te laten maken dat sterk individualiserend was. Dat betekende niet dat het ook werkelijkheidsgetrouw moest zijn. Romeinse beelden beklemtoonden vooral het uitzonderlijke charisma van de afgebeelde en zijn heroïsche uitstraling. Of, wanneer de tijden slecht waren, zijn opmerkelijke kalmte en bescheidenheid. Fysionomische gelijkenis was van minder belang dan de weergave van morele trekken, en sommige dynastieën konden dan ook eeuwen toe met een en hetzelfde gezicht.

Het zijn door de geschiedenis heen uiteraard in belangrijke mate heersers en staatslieden geweest die hun recht op een portret claimden, ook toen het ius imaginis niet langer bestond. Het portret werd ingezet om machtsaanspraken te legitimeren en om de gunst van het volk te winnen.

Vooral keizer Napoleon zag zichzelf graag afgebeeld, en hij hechtte nauwelijks belang aan een sprekend portret. 'Model zitten?', vroeg hij verontwaardigd aan de schilders Gros, David en Guérin. 'Denk je dat de grote mannen uit de Oudheid model zaten voor hun portret?'

Zolang het beeld maar tegemoet zou komen aan de grootheid van zijn genie was elke afwijking van de zichtbare werkelijkheid geoorloofd. De schilders konden om die grootheid te benaderen gelukkig terugvallen op een uitgebreid aantal verschillende beeldformules. Om het humane karakter van Napoleon te benadrukken, maakte Gros voor het schilderij Bonaparte bezoekt door de pest getroffen soldaten te Jaffa gebruik van de Lazarus-iconografie: Napoleon als genezer.

Burgers die ook aanspraak wilden maken op bewondering en gezag konden intussen te rade gaan bij een eigen catalogus van karakters. In de achttiende eeuw konden vrouwen kiezen voor een portret als Diana, als ze kuis waren, of als Minerva, als ze van literatuur hielden. Vielen ze buiten beide categorieën, werden ze geportretteerd als nimf.

Deze idealiserende trend leverde portretten op die claimden de ware aard van de geportretteerde weer te geven. Niet de aardse schoonheid, maar de eschatologische schoonheid.

Deze gedachte, dat het portret meer verraadt van iemands karakter dan het veranderlijke, levende lichaam, hield stand tot in moderne tijden. Toen Picasso in de lente van 1906 begon aan een portret van Gertrude Stein had hij minstens tachtig sessies nodig om haar lichaam en kleding te schilderen, en nog was hij niet tevreden. Na een lang verblijf in Spanje kwam hij in de herfst van 1906 terug naar Parijs en hervatte het werk; hij schilderde het gezicht van Stein zonder haar opnieuw te zien. Nu was hij wel tevreden, en toen critici bezwaar maakten, antwoordde de schilder: 'Niemand denkt dat het portret lijkt, maar dat geeft niet, over een tijd ziet ze er precies zo uit.'

Het moderne portretrecht kan met deze kunstopvatting weinig aanvangen: om bescherming te krijgen tegen ongewenste publicatie van je portret, moet je aantonen dat het portret lijkt. De rechter moet absoluut zeker weten dat het uiterlijk waarmee de gedaagde aan de haal is gegaan het uiterlijk van de eiser is. Het recht kiest daarom voor een realistische, of beter veristische opvatting van het begrip portret.

Dat bleek duidelijk toen in de jaren zeventig de hoofdrolspelers uit Ja Zuster Nee Zuster een zaak aanspanden tegen een zeepfabrikant. De fabrikant had sleutelhangers op de markt gebracht met figuren uit de serie, zonder toestemming te vragen aan de acteurs. Ze kregen van de Hoge Raad uiteindelijk nul op het rekest, omdat de gezichten van de poppetjes niet leken op de gezichten van de acteurs. De ware aard van de acteurs kwam niet ter sprake, net zo min als de mogelijkheid dat ze uiteindelijk nog op de sleutelhangers zouden gaan lijken.

Dit realistische standpunt van de Nederlandse rechter leidt ertoe dat het vooral foto's zijn waarover portretrechterlijke strijd ontstaat; in het geval van foto's is gelijkenis meestal vrij makkelijk aantoonbaar. Dat is jammer, want zo ontstaat er geen discussie over de kunstopvatting die ten grondslag ligt aan het portretrecht en dus ook geen discussie over de vele mogelijkheden van het portret.

H

ET is vooral te betreuren dat het literaire portret niet onder de werking van portret-artikelen in de Auteurswet valt, omdat juist over de gelijkenis tussen romanpersonages en bestaande individuen in de afgelopen tijd veel te doen is geweest, in de rechtszaken tegen Herman Brusselmans en Hans Dorrestijn. Het gekrakeel over het literaire portret zou de discussie over de aard van het portret nieuw leven kunnen inblazen.

Vooralsnog is het recht alleen nog maar het toneel van strijd over de vraag wie er aanspraak kan maken op de fysieke en morele trekken van het individu. Die strijd wordt gevoerd omdat de geportretteerde zich door publicatie van het portret geschaad acht in zijn belangen; en zo krijgt het portret ten onrechte een slechte naam.

Zouden we niet beter opnieuw het ius imaginis instellen? Dan kan ook het recht weer loskomen van zijn beperkte kunstopvatting en aandacht schenken aan de Romantische overtuiging dat vele onwaarheden uiteindelijk leiden tot de waarheid. De dichter Baudelaire meende dat het ideale portret iets in zich heeft van passie en droefheid, van spiritueel verlangen en gefrustreerde ambities, en een suggestie van rusteloosheid.

Wie het recht verwerft op deze manier te worden geportretteerd, zal verder geen bescherming meer nodig hebben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden