Darwin was een geval voor de psychiater

DE GROTE Engelse bioloog Charles Darwin (1809-1882), wiens evolutietheorie nog steeds het denken van duizenden biologen over de hele wereld beheerst - al was het maar omdat zijn leer experimenteel niet te weerleggen valt - was eigenlijk een geval voor de psychiater....

Een groot deel van zijn leven werd hij bezocht door allerlei kwalen zoals hartkloppingen, kortademigheid, een licht gevoel in het hoofd, buikpijn, ongecontroleerd beven en huilbuien. Tal van artsen liep hij af en even zovele remedies probeerde hij uit. Maar zijn artsen konden er ook niet veel van maken. 'Een ernstig geval van maagbezwaren', vond de een. 'Onderdrukte jicht', dacht de ander. Arsenicum, warme baden en allerlei pillen en poedertjes mochten niet baten.

Vanzelfsprekend ook, vinden de Amerikaanse artsen Thomas Barloon, een radioloog, en Russell Noyes, een psychiater, van de universiteit van Iowa. Want Darwin leed aan paniekstoornis en pleinvrees, en dan kan alleen de psychiater uitkomst bieden. Maar psychiaters waren er nog niet in Darwins tijd.

In een doorwrocht essay in The Journal of the American Medical Association van 8 januari maken Barloon en Noyes een eind aan de vele speculaties van Darwins vrienden, bekenden en biografen over de aard van zijn ziekte. 'Chronische zeeziekte', dacht zijn Amerikaanse kennis Asa Gray. Chronische brucellose (een bacterieaandoening), de ziekte van Chagas (een tropische infectieziekte, veroorzaakt door een darmparasiet), chronische neurasthenie (zenuwzwakte), depressiviteit of gewoon zwartgalligheid, meenden anderen.

Aan de hand van precies dezelfde bronnen als Darwins biografen gebruikten - zijn aantekeningen, dagboeken en correspondentie - reconstrueren Barloon en Noyes zijn ziektegeschiedenis. Die begon kort nadat hij was teruggekeerd van zijn ontdekkingsreis met de Beagle naar onder meer de Galapagos-eilanden.

Als jongeman had Darwin af en toe al last van buikpijn, vooral in stressvolle situaties. Vlak voordat hij zich in 1831 op de Beagle inscheepte, voelde hij hartkloppingen en pijn op de borst. Tijdens de vijf jaar durende reis had hij regelmatig last van zeeziekte; voor het overige maakte hij het echter goed.

Maar een jaar na zijn terugkeer, toen hij 28 was, kreeg Darwin angstaanvallen. In zijn eigen woorden: 'Ik werd midden in de nacht wakker. Ik voelde me niet lekker en was erg bang, hoewel mijn verstand zei dat er niets was om bang voor te zijn. Ik probeerde erachter te komen waar ik bang voor was.'

Zulke episodes keerden geregeld terug, later ook vergezeld van een afkeer bij Darwin om het huis uit te gaan. 'Hoe graag had ik uw uitnodiging aanvaard en u een bezoek gebracht', schreef hij in 1872 aan zijn neef, dominee William Fox. 'Maar ik heb al lang ervaren dat ik geen bezoeken meer kan afleggen; de nieuwigheid en de opwinding ervan zouden me ombrengen.'

Volgens Barloon en Noyes komen Darwins ziektesymptomen nauwkeurig overeen met wat tegenwoordig onder 'paniekstoornis' wordt verstaan. Van de in totaal dertien verschillende symptomen die in 'de bijbel van de psychiatrie', de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-IV), onder het hoofdje 'paniekstoornis' worden opgesomd, vertoonde Darwin er maar liefst negen, voldoende om de diagnose te stellen, aldus Barloon en Noyes.

Zijn pleinvrees, ook een psychiatrische stoornis, spreekt haast voor zichzelf. Na een korte voordracht voor de Linnean Society in 1861 bijvoorbeeld schreef Darwin aan een zekere Joseph Hooker: 'Ik had me nog nooit eerder zo beroerd gevoeld . . . Ik sprak maar een paar minuten . . . maar ik heb er 24 uur van moeten overgeven.'

Darwins ziektegeschiedenis past precies bij wat nu over paniekstoornis bekend is, schrijven Barloon en Noyes in hun essay. Het begint met een zekere kwetsbaarheid voor stress en kritiek op jonge leeftijd, gevolgd door paniekaanvallen rond het 28ste levensjaar - precies zoals Darwin het heeft ervaren.

Het werk aan zijn evolutietheorie, dat hem, zoals Darwin zelf vreesde, in conflict zou kunnen brengen met het wetenschappelijke establishment van zijn tijd, kan de paniekaanvallen verergerd hebben. Zijn paniekstoornis en pleinvrees maakten Darwin van een ontdekkkingsreiziger tot een kluizenaar, aldus Barloon en Noyes.

Maar daar zat ook een goede kant aan, noteren ze. In zijn autobiografie schrijft Darwin: 'Mijn zwakke gezondheid, die me verscheidene jaren van mijn leven heeft gekost, heeft me ook behoed voor de geneugten en de afleiding van de wereld om me heen'.

Zonder paniekstoornis en pleinvrees was zijn On the Origin of Species (1859) waarschijnlijk nooit verschenen.

Gerbrand Feenstra

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden