Darién tussen isolement en toerisme

Nóg is Darién ongeschonden gebied, maar zodra je een weg aanlegt, vestigen zich er mensen en neemt de druk op het regenwoud toe....

door Willem de Bruin

Boven de bomen van de jungle klinkt gebrom. Onverwacht duikt het kleine tweemotorige vliegtuigje over de boomtoppen naar beneden. Als het toestel vlak voor twee geblutste vaalwitte vaten die het einde van de met gras begroeide landingsstrip markeren, tot stilstand is gekomen, maakt een groepje mannen zich los uit de schaduw van een paar struiken en snelt op het vliegtuig af. Een partij Colombiaanse drugs die hier aan de rand van de Panamese jungle van eigenaar verwisselt? In het kielzog van de piloot stapt een vlotte, in zwarte spijkerbroek en kakikleurig overhemd geklede veertiger uit, gevolgd door een vrouw, drie kinderen en een hond. Als een politicus op verkiezingstoernee begint hij alle omstanders uitbundig de hand te schudden.

'Dus U komt uit Frankrijk?'

'Nee, uit Nederland.'

Ach, wie zijn wij om hem deze vergissing euvel te duiden. Juan Carlos Navarro, burgemeester van Panama City en gedoodverfd kandidaat van de oppositie bij de eerstvolgende presidentsverkiezingen, heeft ons immers het door hem gehuurde vliegtuigje ter beschikking gesteld voor de terugreis naar Panama City. Officieel wordt de airstrip niet meer gebruikt, maar wat is officieel in Panama?

Navarro zelf blijft, met zijn gezin. Tien dagen zelfs, meldt hij met zichtbaar genoegen. Hij verheugt zich op de meerdaagse trektocht die hij van plan is te maken naar de bovenloop van de Rio Mogú, zonder zijn gezin. Navarro is hier op bekend terrein. Als oprichter en eerste directeur van de Asociación Nacional para la Conservación de la Naturaleza (Ancon), was hij tien jaar lang de drijvende kracht achter Panama's belangrijkste natuurbeschermingsorganisatie.

Mede door zijn inspanningen kreeg Ancon begin jaren negentig het beheer over Punta Patiño, een natuurgebied van ruim 22 duizend hectare - ruwweg vijfmaal de Hoge Veluwe - aan de kust van de provincie Darién in het geïsoleerde en dunbevolkte oosten van Panama. Een smalle corridor verbindt Punta Patiño met het Parque Nacional de Darién, gelegen tegen de grens met Colombia en met een oppervlakte van meer dan een half miljoen hectare het grootste regenwoudreservaat van Midden-Amerika.

Helaas wil er in Latijns Amerika nog wel eens een kloof gapen tussen de cijfers en de werkelijkheid. Hoewel Darién sinds 1983 de status van Wereldbiosfeer-reservaat heeft, wordt er nog steeds bos gekapt en gaat ook de jacht op beschermde diersoorten door. Winstbejag en armoede hebben hier een onzalig bondgenootschap gesloten. Ancon wil mede daarom Punta Patiño ook een educatieve functie geven. 'We willen laten zien wat de gevolgen van ontbossing zijn, en de bevolking leren hoe je landbouw kunt bedrijven zonder dat je daarvoor eerst het hele bos hoeft om te hakken', zegt Ancon-gids Marisin Granados. Granados beseft dat er wat dat betreft nog een lange weg is te gaan. Anders dan buurland Costa Rica wordt Panama niet direct in verband gebracht met verantwoord natuurbeheer. Het kanaal, corruptie en drugs zijn associaties die eerder opkomen.

Mickie Abraxas, de romanfiguur die in John le Carré's De Kleermaker van Panama zo tragisch aan zijn eind komt, wond er geen doekjes om. 'Wij hebben alles wat God nodig had om het paradijs te scheppen. Geweldige landbouwgrond, stranden, bergen, natuurgebieden die je stoutste dromen overtreffen (. . .). En wat doen we? We belazeren de kluit. We smeden complotten. We liegen. We huichelen. We stelen (. . .) We zijn zo stom en corrupt en blind dat ik niet begrijp waarom de aarde ons niet ter plekke verzwelgt.'

Toen Ancon het gebied, gelegen op een punt in de Golf van San Miguel, verwierf, was een groot deel van de jungle al gekapt. De veeboeren die er hun geluk hadden beproefd waren vanwege de tegenvallende resultaten inmiddels weer vertrokken. Hoewel het bos in snel tempo het verloren terrein herovert, is duidelijk het verschil waarneembaar tussen het nog maagdelijke oerwoud en het jongere secundaire bos. Hier en daar is tussen de begroeiing nog een afrastering van verroest prikkeldraad te zien, een overwoekerde drinkplaats voor het vee en, nabij een ingestorte steiger in de Rio Patiño, een verlaten, half ingestorte boerderij die door de tropische vegetatie reeds goeddeels aan het zicht is onttrokken.

Voor haar inkomsten is Ancon aangewezen op particuliere fondsen en op de portemonnee van toeristen die er niet tegenop zien een paar honderd dollar neer te tellen voor een driedaags verblijf in de junglelodge, gebouwd op een heuvel niet ver van het kilometerslange strand, slechts bevolkt door duizenden kleine in het zand levende krabbetjes. Toegegeven, het uitzicht vanaf van de veranda van de lodge over de jungle en de baai, waar de zon iedere avond met een spectaculaire lichtshow in de Stille Oceaan verdwijnt, is op zich al onbetaalbaar. Bovendien, verdedigt Ancon zich, moet alles door de lucht en over het water worden aangevoerd, daar zelfs de hoofdstad La Palma, het aanvliegpunt vanuit Panama City, niet over de weg bereikbaar is.

La Palma is met vijfduizend inwoners de grootste nederzetting in Darién. De betiteling stad is wat veel eer voor de verzameling vervallen, merendeels houten, op palen gebouwde huizen langs de oever van de Golf van San Miguel. Het briesje dat af en toe vanuit zee opsteekt, maakt de klamme hitte in deze morsige uithoek van Panama nauwelijks draaglijker. Halverwege de hoofd- (en tevens enige) straat is een aanlegsteiger vanwaar motorkano's naar bestemmingen elders aan de Golf vertrekken. Ook het laatste stuk naar Punta Patiño wordt afgelegd per motorkano, buiten het regenseizoen een schitterende vaartocht van een uur over de brede baai met zijn grillige, dichtbegroeide oevers en talloze riviermondingen, inhammen en eilandjes.

Het was deze inham van de Stille Oceaan die Vasco Nuñez de Balboa op 25 september 1513 zag toen hij om tien uur in de ochtend staande op een bergtop besefte dat hij de eerste Europeaan was die een blik wierp op de zee aan de andere kant van Tierra Firme, de zee waarover de indianen hem hadden verteld en die toegang zou verschaffen tot een rijk vol goud en zilver. Drie dagen later zette hij ongeveer tegenover het huidige La Palma, bij de monding van de Rio Sabana, voor het eerst voet op het strand van de zee die hij mar del sur, zuidzee, doopte. In volle wapenrusting, zo wil het verhaal, liep hij het water in om persoonlijk vast te stellen dat het inderdaad zout was en verklaarde hij plechtig dat de zee en al het land langs zijn kusten in bezit waren genomen door de koning van Spanje.

Darién is vijf eeuwen later nauwelijks beter toegankelijk dan in de dagen van De Balboa, en het gebied vormt in menig opzicht de last frontier van Midden-Amerika. Ooit werkten in de vallei van Cana, diep verscholen in het uiterste zuiden van Darién, meer dan twintigduizend mensen in de goudmijnen. Niet lang na het vertrek van de Spanjaarden aan het begin van de negentiende eeuw werden de mijnen herontdekt door Britse gelukzoekers. Twintig jaar hielden zij het uit in de jungle, waarna ook zij weer vertrokken. Aan hun verblijf herinneren nog de overwoekerde rails en halfvergane stoomlocomotieven, die zij gebruikten om het goud af te voeren naar Boca de Cupé, waar het via de Rio Chucumaque naar de Caribische kust werd verscheept.

Ancon bezit in Cana een veldstation, gehuisvest in een oude ooit door goudzoekers gebouwde barak. Het wordt vooral bezocht door vogelaars, die afkomen op de ongekend rijke fauna van het gebied, waar meer vogelsoorten voorkomen dan in heel Noord-Amerika. Behalve liefde voor vogels, moeten bezoekers ook geld bezitten, daar Cana alleen bereikbaar is per gecharterd vliegtuig. Inmiddels is Darién ook door minder gewenste bezoekers ontdekt. Het vrijwel ontoegankelijke grensgebied biedt een ideale schuilplaats aan Colombiaanse guerrillastrijders en para-militairen. Veel meer dan patrouilleren met helicopters weet Panama niet te ondernemen. Wegen voor de aanvoer van militairen zijn er niet.

De fameuze carretera interamericana, ook wel misleidend panamerican highway genoemd, die ooit Alaska met Vuurland zou verbinden, loopt nog altijd dood in de jungle van Darién. Tot begin jaren zestig reikte de weg, die zelden doet denken aan een highway, niet verder dan Chepo, een slordige vijftig kilometer voorbij Panama City. Van daaraf was het nog een kleine driehonderd kilometer naar de Colombiaanse grens door dicht regenwoud: de Darien Gap. Desondanks is in de loop der jaren menige poging gedaan over land Zuid-Amerika te bereiken. De meest ambitieuze expeditie werd in 1960 ondernomen toen acht man met twee landrovers in vijf maanden van Panama City naar Bogotá reisden. Behalve dat zij de weg voor de twee auto's zelf in de jungle moesten uithakken, waren zij gedwongen meer dan honderd geïmproviseerde bruggen te bouwen over de vele rivieren die het gebied doorkruisen.

Maar de weg rukt op en reikt inmiddels tot Yaviza, halverwege Darién. Onverhard nog, dat wel. Ooit zal de weg naar Colombia worden doorgetrokken. Zegt men. Gelooft men. Vreest men. 'Laten we hopen dat het nooit gebeurt', verzucht Marisin Granado. 'Darién is nu een nog relatief ongeschonden gebied. Zodra je een weg aanlegt, zullen zich er ook mensen gaan vestigen en neemt de druk op het regenwoud toe. Panama heeft nu nog meer natuur dan alle andere landen in Midden-Amerika. Laten we daar zuinig op zijn. Alleen dan zullen er ook toeristen komen.' En toeristen kan Panama goed gebruiken. Het vertrek van de Amerikanen uit de Kanaalzone heeft weliswaar het nationale ego gestreeld, maar met hen verdwenen ook veel inkomsten. En het ecotoerisme heeft buurland Costa Rica geen windeieren gelegd. Tenslotte heeft Panama op papier meer beschermd regenwoud dan haar rijkere buur.

Navarro is de hoop van veel Panamezen die verlangen naar een leider die de woorden van Mickie Abraxas zal logenstraffen. Dat hij lid is van de PRD, dezelfde partij die Noriega voortbracht, lijkt geen rol te spelen. Omdat Nixon een schurk was, is toch ook niet meteen iedere Republikein een schurk? De kandidaat zelf lijkt, staande op de landingsstrip van Punta Patiño, het campagnevoeren al aardig in de vingers te hebben. 'Ik ben er trots op dat ik dit gebied heb kunnen veiligstellen. Over honderd jaar zal men ons er dankbaar voor zijn.' Met een armzwaai neemt hij afscheid. Onze bagage is inmiddels in de staart van het vliegtuigje gepropt. De piloot kijkt ons ongeduldig aan. Even later scheren we over de hoofden van de achterblijvers de blauwe lucht boven de Golf van San Miguel tegemoet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden