Dappere school laat leerlingen klimmen

Scholen met veel zittenblijvers en lage examencijfers komen er slecht vanaf in de ranglijst van dagblad Trouw. Ten onrechte. Zulke scholen halen misschien wel het maximale uit leerlingen.

Ha! De lijst met schoolprestaties van Trouw is weer uit. Ditmaal digitaal te doorzoeken, ook voor niet-abonnees van het dagblad. Het is een verleidelijk tijdverdrijf; voor je het weet ben je er uren mee zoet. Ga naar www.trouw.nl/onderwijs, klik op ‘schoolprestaties’ en je komt veel te weten over de ‘leeropbrengst’ van de Nederlandse scholen voor voortgezet onderwijs. Zo kun je zien hoe je eigen school scoort, die van je kinderen of die waar je werkt – altijd leuk.

Voor achtstegroepers en hun ouders die dit voorjaar een middelbare school moeten kiezen, is het ook ontzettend handig. Tik je stad of regio in en het schooltype dat je zoekt, en er floept een onthullend rijtje te voorschijn, aflopend van ‘zeer goed’ (vijf sterren) tot ‘slecht’ (één ster). In een oogopslag is duidelijk welke scholen in de buurt de beste zijn en welke je beter kunt mijden.

Trouw baseert zich bij dit onderzoek op de gegevens van de Onderwijsinspectie. De criteria voor kwaliteit zijn het aantal zittenblijvers, de slagingspercentages en de hoogte van de examencijfers. Gewapend met die gegevens kun je zinnige vragen stellen tijdens de kennismakingsdagen: waarom heeft deze school veel zittenblijvers, is dat beleid? Of: er blijven hier weinig leerlingen zitten, maar waarom zijn de eindexamencijfers zo laag?

Gymnasia

Net als bij de bestescholenonderzoeken van Elsevier zijn de uitkomsten volgens deze criteria redelijk voorspelbaar. Het hoogst scoren bij de vwo’s de categoriale gymnasia, zoals het St. Ignatius en het Barlaeus in Amsterdam, het Christelijk en het Stedelijk Gymnasium in Utrecht, het Stedelijk Gymnasium Leiden, het Erasmiaans in Rotterdam, het Haganum in Den Haag en het Praedinius in Groningen. Ook de protestants-christelijke en katholieke scholengemeenschappen doen het goed, zoals het Agnieten College in Zwolle, het Sint-Maartenscollege in Maastricht en het Calvijn College in Goes. De beste vmbo’s staan vrijwel nooit in de grote steden, op enkele uitzonderingen na, zoals het Maimonides en de Apolloschool in Amsterdam, en ze zijn bijna allemaal confessioneel. Laag scoren scholen in ‘krachtwijken’ met veel allochtonen. Heel herkenbaar allemaal.

Toch kun je, als je een school zoekt, niet blind varen op de sterren van Trouw en de inspectie. Wat de school toevoegt aan het niveau van de kinderen, ofwel ‘haalt de school er meer uit dan er in leek te zitten?’, is namelijk aan deze ranglijst niet af te lezen. Het interessante aan de Trouw-lijst 2008 is dat je dat uit de bijgevoegde informatie wel kunt opmaken. Bij veel scholen staat vermeld welk percentage leerlingen uitkomt op een hoger of lager niveau dan hun advies na de basisschool luidde. Daaruit kun je concluderen of leerlingen op een school geneigd zijn tot klimmen of dalen.

Dat zegt uiteindelijk meer dan het aantal sterren op grond van criteria als zittenblijven of examencijfers. Als gymnasia, die kinderen mogen selecteren met hoge Citoscores en vwo-schooladviezen, glanzende resultaten halen, is dat prachtig, en je kunt een slim kind daar gerust naar toe sturen. Hetzelfde geldt voor vmbo’s die kinderen netjes in vier jaar afleveren op het veronderstelde niveau. Maar verwonderlijk zijn deze goede prestaties niet.

Afglijders

Kijk je met het criterium ‘stijgen of dalen’ naar de lijst, dan komen er andere scholen dan de vijfsterrentoppers als beste tevoorschijn. Scholengemeenschap Reigersbos bijvoorbeeld heeft maar twee schamele sterren, en het gemiddelde examencijfer is een zesje. Toch had van de leerlingen die er eindexamen vwo doen, oorspronkelijk 53 procent een havo-advies – een enorme prestatie.

Het vmbo-t Calvijn Meerpaal scoort een bedroevend laag eindexamengemiddelde, een 5,8, maar trok 57 procent kinderen met een lager vmbo-advies mee omhoog – niet gering. Het omgekeerde komt ook voor: het Montessori Lyceum Amsterdam, een populaire ‘witte’ scholengemeenschap, kreeg vier sterren. Toch geven de cijfers te denken: van de havisten had 27 procent ooit een vwo-advies, en slechts 1 procent een vmbo-advies; veel afglijders dus.

‘Zittenblijven’ is een criterium dat deze lijst behoorlijk vertroebelt, een oneigenlijk criterium voor kwaliteit. Als een school potentiële zittenblijvers – potentiële lijstvervuilers dus – haastig afvoert naar een lager schooltype, zie je dat niet terug in de lijst. Integendeel, een havo-vwo-school die veel twijfelgevallen doorsluist naar de havo, heeft een vlekkeloos vwo én een heel goede havo.

Zittenblijven

Scholen met veel zittenblijvers kunnen slechte scholen zijn, maar ook dappere scholen die leerlingen het voordeel van de twijfel geven. Zo’n school wordt in deze lijst ‘gestraft’. Het feit ze jaarlijks op zittenblijvers en examencijfers worden afgerekend, publiekelijk op het erepodium worden gehesen of aan de schandpaal worden genageld, maakt scholen huiverig voor doubleren. Dat is jammer.

Wat is er eigenlijk tegen zittenblijven? Wie is beter af: de leerling met een vwo-advies die ‘onvertraagd’ op zijn 16de het vmbo-t afrondt met negens, of de leerling met een vmbo-advies die, op zijn 19de, met zesminnetjes de havo haalt? Een kind met een tegenvallend schooladvies heeft baat bij een school die, sterren of geen sterren, zinvolle vertraging aanmoedigt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden