Danswereld analyseert zichzelf: het kan beter

DEN HAAG - Nu subsidiekortingen niet alleen individuele danskunstenaars of dansgezelschappen bedreigen, maar ook de fijnmazige en internationaal geroemde infrastructuur voor dans in ons land, verwacht je een krachtige visie van de danspraktijk. Die is tot op heden niet geuit en ook de tweede Ine Rietstap Lezing afgelopen zaterdag in het CaDance festival in Den Haag bleek niet het podium daarvoor.


De jaarlijkse lezing, genoemd naar een oud-dansrecensent van NRC Handelsblad en georganiseerd door Theater Instituut Nederland in samenwerking met Korzo Producties, Holland Dance en het tijdschrift TM, wil de reflectie over de dans in Nederland stimuleren. De eerste lezing werd in 2010 gehouden door Ted Brandsen, artistiek leider van Het Nationale Ballet.


Dit keer mocht het eigentijdse circuit zijn stem laten horen. Dat gebeurde door drie choreografen: freelancer Paul Selwyn Norton, Ann Van den Broek en Stephen Shropshire, artistiek leider van Noord Nederlandse Dans, een gezelschap dat een vierjarige subsidie uit de basisinfrastructuur (BIS) voor cultuur krijgt.


Zij schetsten de weg die zij hebben afgelegd en hun toekomstplannen. Deze persoonlijke verhalen gaven inzicht in hoe de danswereld werkt. Het leek alsof ze gericht waren aan de staatssecretaris van cultuur, Halbe Zijlstra, die overigens niet aanwezig was. Zie hoe bijzonder we zijn, en gooi het kind niet met het badwater weg, luidde de boodschap. Het meest uitgesproken commentaar kwam van de ruim 80-jarige Rietstap zelf. Zij waarschuwde dat onafhankelijke adviesraden hun oren niet naar de overheid moeten laten hangen.


De danswereld is internationaal en ondernemend, tonen de sprekers - met de Britse autodidact Norton die achttien jaar afwisselend in en buiten Nederland produceerde en nu naar Australië gaat emigreren; de Vlaamse Van den Broek die werd opgeleid in Nederland, daar ook haar danscarrière maakte en nu voor haar choreografisch werk een Nederlands-Vlaamse basis heeft gecreëerd; en de Amerikaan Shropshire, die eerst in de VS danste en later bij NND Galili Dance in Groningen, waar hij zich tot choreograaf ontwikkelde.


Bij alledrie zie je hoe belangrijk de projectmatige, maar wel trouwe steun van fondsen, productiehuizen en gezelschappen is geweest in hun choreografische ontwikkeling. Eigentijdse dans begint telkens weer vanuit niets. Voor elke nieuwe productie moet het lichaam opnieuw de taal vinden die bij het idee past. Choreografie heeft tijd nodig om te ontstaan. Shropshire ging hier nadrukkelijk op in: choreograaf word je niet direct, 'stappen maken' kost tijd.


Shropshires pleidooi voor het serieus nemen van de kunstvorm resoneerde. Norton sprak over het belang van lef en denken buiten de status quo. Ann Van den Broek over de noodzaak de kunstenaar voorop te blijven stellen: samenwerkingsverbanden kunnen kostenbesparend zijn, maar allianties zijn niet van bovenaf oplegbaar.


De discussie die op de lezingen volgde, leverde niet zozeer adviezen aan de staatssecretaris op, maar adviezen aan de danspraktijk zelf. Hand in eigen boezem dus. Er zou, zoals vaak wordt geroepen, geen overaanbod in de dans zijn, maar een gebrek aan draagvlak, onder politici, programmeurs van theaters, publiek. Dat zou komen door onbegrip ('dans is eng en moeilijk'), wat weer een gevolg is van een, jawel, falende communicatie door de dans.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.