DANS VOOR DE VREDE

Al 35 jaar is de Japanse choreograaf Shusaku Takeuchi een buitenbeentje in de Nederlandse dans. Japanse tradities combineert hij met westerse vormen, in stukken die getuigen van onmodieus engagement....

In de aula van het voormalige KPN-gebouw aan de Binckhorst in Den Haag, die tijdelijk dienst doet als dansstudio, lopen ze tergend langzaam op elkaar af. Moeders en dochters in wijde witte jurken met een tooi van voelsprieten op het hoofd. In stilte tillen de vrouwen hun kind op en knuffelen het, ieder op hun eigen manier.

‘This movement. Become more senza’, zegt choreograaf Shusaku Takeuchi. ‘Je handen zijn de hypergevoelige antennes van de vlinder’, vertaalt assistent Noortje Bijvoets zijn wonderlijke staccato-Engels, dat doorspekt is met half-vragende, half-bevestigende keelklanken. ‘Jullie bevoelen elkaar zonder elkaar aan te raken. Doe alsof je zakjes met sneeuw over elkaar uitstrooit en de vlokken die om je lijf dwarrelen, probeert te volgen.’ De kleinste van het stel, vier jaar oud, vindt het welletjes en steekt haar duim in haar mond.

De moeders en dochters, bijna allen amateurdansers, zijn de blikvangers in Takeuchi’s The Butterfly Project, een eigen productie van het Holland Dance Festival. Vanaf morgen zullen de veertig danskoppels als exotische megavlinders door het Atrium van het stadhuis in Den Haag dwarrelen en ook hier en daar in de stad opduiken.

De Japanner Takeuchi (1948) is op de kop af 35 jaar in Nederland. Ondanks de vele projecten die hij in binnen- en buitenland heeft gerealiseerd, is hij in de dans een buitenbeentje. Zijn naam duikt altijd weer op, maar een instituut met vaste subsidie is hij nooit geworden. Hoewel hij de laatste jaren vaker choreografeert voor het Nederlands Dans Theater, is hij vooral bekend door zijn experimentele locatieprojecten. Zijn gestileerde, verstilde en mysterieuze beelden herinneren aan butoh, de Japanse ‘dans der duisternis’. Ze doen het goed op desolate scheepswerven en industrieterreinen, maar kwamen ook tot hun recht op het dak van het wetenschapsmuseum Nemo en het Rode Plein in Moskou.

In zijn oeuvre is de vlinder een terugkerend symbool. Het dier belichaamt de maatschappelijke betrokkenheid die aan veel van zijn werk ten grondslag ligt. Takeuchi’s creatie – een vlinderachtig kostuum met bijbehorende choreografie – ontpopte zich in de jaren tachtig. De vlinder verscheen in het voorprogramma van de Rolling Stones in het Feyenoord Stadion en toerde door België en Frankrijk in een voorstelling met de formatie Urban Sax. In 2005 hingen er vlinders in de bomen bij de opening van een internationaal Tsjechov-festival in Rusland en drong een exemplaar door tot het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York. Ter gelegenheid van het zestigjarige bestaan van de VN danste Takeuchi er hoogstpersoonlijk zijn vlindersolo, pal voor het pas gerestaureerde Peace Window van Marc Chagall. De foto waarop Kofi Annan hem de hand schudt, bewaart hij als een schat.

Takeuchi: ‘De vlinderdans is een ceremoniële, rituele dans. Ik noem het ook wel de standbeeldendans, zo langzaam zijn de bewegingen. Het is een ideale manier om context te voelen, zelfs de lucht die je huid raakt. Als je langzaam beweegt, voel je meer, proef je meer, zie je meer. En dat is essentieel in deze tijd, waarin alles zich razendsnel ontwikkelt. We hebben geen tijd meer om te voelen en te denken. Zelfs in onze keukens werkt alles met rode lampjes. Als het water kookt, hoor of ruik je dat niet meer. Het zintuiglijke gevoel gaat langzaam verloren. Straks volgen mensen alleen nog maar instructies op. Net als in de politiek. En dat is gevaarlijk.

‘Met The Butterfly Project wil ik gevoeligheid overdragen. Bewustzijn, daar draait het om. De vlinder is natuur – heel belangrijk voor mij – maar ook een boodschapper van vrede.’

Een paar dagen na de Haagse repetitie ontvangt Takeuchi in zijn huiskamer in de Amsterdamse Pijp. Zijn vrouw Toshiko, die het vlinderkostuum heeft ontworpen en thuis alle tachtig exemplaren voor Den Haag heeft genaaid, serveert thee met koekjes. Over het tafelkleed ligt een glasplaat, overal staan spullen. Naast een verzameling kooitjes met kanaries en parkieten (‘alle dieren zijn van hem’, zegt Toshiko, ‘ook de hond en de kat’) prijkt een leger figuren uit Star Wars – ‘een verhaal over toekomst, dus interessant’, stelt Takeuchi. Een blikken paard uit Rusland houdt een houten hobbelpaard gezelschap dat Takeuchi op Koninginnedag op de kop tikte. Een poppenhuis doet dienst als kantoor: in de kamertjes liggen keurige stapeltjes papier en de befaamde enveloppen die Takeuchi steevast als je hem ontmoet uit zijn tas haalt en in je handen duwt, met de woorden: ‘Information. New project.’

Dierbaar is een reproductie van een magisch-realistisch schilderij van Carel Willink, die op de kade even verderop woonde. Het toont een leeg landschap met de berg Olympus en enkele van hun voetstuk gevallen standbeelden, waaronder dat van krijgsheer Alexander de Grote. Takeuchi: ‘Als ik ernaar kijk, komt het tot leven. Dat heb ik altijd gehad: plaatjes die ik interessant vind, gaan bewegen. Een zachte wind raakt de standbeelden. Een lichaam bloeit op, als een plant. Er komen bloemen uit en die veranderen in een engel. De engel vliegt over vredelievende volken, maar ook over no hope-landen. Goed en kwaad, het is overal. In landen, maar ook kleiner, in jouw familie. Besef het en je zult je toekomst kennen. Deze Willink heeft een link met mijn standbeeldendans. Voor mij is het is een vredesschilderij.’

Beelden bepalen Takeuchi’s relaas. Herhaaldelijk benadrukt hij dat visual things zijn specialiteit zijn. Alsof hij bang is niet begrepen te worden. Alsof hij meent zijn beeldentaal – kronkelende witte lijven, kooien, bloedrode watervallen, een naakte vrouw die tevoorschijn komt uit de zwachtels van een gewonde man – te moeten verdedigen. ‘Tot mijn derde heb ik niet gepraat, kéék ik alleen. Mijn vader was docent martial arts in het leger. Mijn moeder, die als jonge vrouw stijldanslerares was in een club voor Amerikanen, zat thuis: naaien, strijken, poppengezichtjes tekenen om wat bij te verdienen. Ik was een buitenkind. Zomer, waterput, vliegen. Ik groeide op met de natuur. Mount Fuji, prachtig. En weet je hoe mooi het is in het oog van een tyfoon? Stralend blauwe lucht met daaromheen heel veel wind.’

Na een zware operatie enige jaren geleden, kwam zijn verleden terug in zijn dromen: in chronologische volgorde, van zijn kleutertijd tot nu. ‘Opeens zag ik alle verbanden, als in een film. Toen ik klein was, maakte een vriend van mijn vader een kijkdoostheater voor me. Ik herinner me vooral zijn lachende gezicht boven die kijkdoos. Die lach heeft mijn leven bepaald. Ik denk dat ik choreograaf ben geworden omdat ik mensen plezier wil geven.’

Herman Brood zou hem nog eens aan dit oergevoel herinneren. Ze werkten in De Melkweg mee aan een manifestatie tegen kernwapens. ‘Ik ontmoette hem in de kleedkamer, waar hij zat te tekenen. Hij keek één seconde naar me op en zei: ‘Don’t be too serious.’ Meer niet. Na het optreden van zijn Wild Romance besloot ik definitief dat mijn kunst vooral moet entertainen, en daarnaast een beetje informeren.’

Net zoals de moeders met wie hij in The Butterfly Project werkt, heeft Takeuchi een dochter. Zijn zoon studeert aan de sportacademie en wil voetbalcoach worden, maar zij studeert bouwkunde – net als haar vader ooit. Hij is trots op haar, een kleine Japanse tussen grote Hollandse jongens. In het eerste jaar was ze bij drie examens de beste. Dat deed híj toch anders in de jaren zestig, toen hij bouwkunde studeerde. ‘De pop- en rockmuziek kwam de wereld in en dus lag ik ’s nachts naar de radio te luisteren. Mijn cijfers kelderden.’

Het was niet de laatste keer dat Takeuchi – toen nog met een bos lang haar – een studie voortijdig beëindigde. Hij studeerde schilderkunst in Osaka (die opleiding mocht hij niet afmaken omdat hij lid was geworden van de studentenbeweging) en daarna vormgeving in Tokio: om zijn brood te verdienen, richtte hij ’s nachts etalages in, van studeren kwam weinig terecht.

Diploma’s of niet, zijn studententijd vormde hem. ‘Mijn buurman in Osaka leidde de marxistische studentenbeweging. Jongeren uit allerlei streken en families kwamen bij hem over de vloer. Dat fascineerde me. Maar ik had niets met wapens, wilde niet bij de militante poot.’ Lachend: ‘Ik deed alleen mee aan van die zigzag-demonstraties over straat, heel onschuldig. Later in Tokio bedacht ik mijn eerste performances en deed mee aan happenings. Ik smeerde mijn lijf vol klei en ging bewegen, tegen het kapitalisme ofzo, met een doodskist op de schouders. Elke ochtend gingen we naar de Champs-Elysées van Tokio en maakten mammoetprints op de straatstenen. Maar de mensen hadden het druk en liepen door.’

In 1972 besloot Takeuchi zijn vriendin achterna te reizen. Toshiko, dochter van een hoge Mitsubishi-employé, was naar Engeland verhuisd, waar ze druktechnieken en keramiek studeerde. Samen trokken ze door Europa en in 1973 belandden ze in het Amsterdamse Vondelpark. ‘Iemand dronk ’s nachts uit mijn waterfles, maar stal hem niet. Als je naast het fietspad sliep, voelde je de grond bewegen als de fietsers zich ’s ochtends naar hun werk haastten.’ In De Melkweg volgden ze hun eerste workshop moderne dans (omdat het gratis was) en zo ging een nieuwe carrière van start. Het poppodium bij het Leidseplein zou nog jaren een belangrijke rol in hun leven spelen: Takeuchi trad er geregeld op en verkocht er zijn zelfgemaakte sieraden, Toshiko kookte macrobiotische maaltijden voor het restaurant en verdiende zo de kost voor het gezin. Haar werk als beeldend kunstenaar kwam stil te liggen.

Takeuchi richtte twee gezelschappen op (Dormu Dance Theatre en het laboratorium Bodytorium) en ontwikkelde een eigen danstechniek, gestoeld op butoh, yoga en meditatie, gecombineerd met westerse dans. Hij werd op festivals uitgenodigd, maakte grote balletten voor het NDT en ontving de eervolle Sonia Gaskell Prijs (eerder toegekend aan onder anderen Hans van Manen en Krysztina de Châtel). Een meerjarige subsidie ging echter aan zijn neus voorbij. De talrijke dansers die bij hem hun eerste stappen zetten, kan hij later, als ze succesvol zijn, niet meer betalen. Maar Takeuchi blijft lachen. ‘Ik creëer als Francis Bacon. Elke nieuwe creatie komt voort uit chaos. Zie mijn huis. Ik ben altijd een arme kunstenaar geweest. Maar ik ben niet boos. Het was een goede training: ik heb geleerd snel en met veel verschillende mensen te werken en ben flexibel in het bedenken van oplossingen. Die mensen, die zijn mijn schat en mijn trots. Ik heb alleen gehuild toen Toshiko naar het ziekenhuis moest, geveld door een ernstige depressie. De vlinderdans heb ik in 2005 mede voor haar weer opgepikt. Om haar een goede herinnering aan de begintijd van onze samenwerking terug te geven.’

Takeuchi’s engagement kan als naïef worden afgedaan, maar in zijn oprechtheid is hij hemelbestormend, en net zo autonoom en niet modegevoelig als in zijn dans. Zo ontwierp hij in 2001 een plan voor een Global University, ‘for future generation’ staat er op de envelop. Hierin zouden vertegenwoordigers van alle landen moeten samenwerken aan een wereld die wordt gedreven door spiritualisme en globalisme. De broedplek is nog niet gerealiseerd, al weet Takeuchi dat zijn concept via via Vladimir Petrovsky heeft bereikt, de directeur-generaal van de Verenigde Naties in Genève en ‘een goede vriend van Gorbatsjov’.

Takeuchi: ‘Er moet een meer intellectuele weg naar vrede komen. Het intellect maakt het verschil uit tussen mens en dier. Laten we het dan ook gebruiken. Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in de donkere kant van het leven. In strijd, verlangen. Ik herinner me de beelden van oorlog in onze schoolboeken. Plaatjes van Hiroshima, maar ook van de Japanners in China. De dreiging van massavernietigingswapens is nooit weggegaan. Sterker nog: er is een dreiging bij gekomen, het milieu. Tyfoons bedekken straks heel Japan, de zee zit vol aardbevingen. De zee is te zwaar geworden.’

Dat hij dit keer voor zijn vredesboodschap met louter vrouwen werkt, heeft een reden. ‘In de Griekse mythologie zijn vrouwen Gaia: oermoeder, aarde. Vrouwen staan met beide benen op de grond. Zij huilen gemakkelijk als een kind sterft. Zij zijn degenen die netjes in de rij staan, hun gevoel van gelijkheid is beter ontwikkeld. Door dat aardse kunnen ze misschien beter zien wat er in de wereld gebeurt en als wake-up call fungeren. Zelf voel ik me door mijn leeftijd steeds meer neutraal, blanco, spiritueel. Man én vrouw. Verschillen zijn niet interessant. Nadenken wel.’

Takeuchi zou graag zien dat The Butterfly Project als een spreekwoordelijke olievlek de wereld verovert. De choreografie zit zo in elkaar dat in principe iedereen het stuk kan leren. Alleen al het maakproces is een en al saamhorigheid. Staand in een kring geven de generaties hun adem aan elkaar door. Bij het sprintjes trekken mag niemand winnen. En telkens weer is de natuur het grote voorbeeld. ‘Ren als druppelend water, voel het zand tussen je tenen. Bescherm je dochter en heb haar lief.’

Als ik Takeuchi tot slot vraag of hij nog iets heeft toe te voegen, fluistert hij: ‘thanks’, en knikt in de richting van de achterkamer, waar Toshiko zit. ‘Zij gaf mij de vrijheid. Door haar kon ík in het theater werken. Dat moet je echt opschrijven.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden