DAMMEN: Het Tsjizjov-kanon avant la lettre

(...) Wie de rubriek van vorige week heeft gelezen, zal de diagramstand ogenblikkelijk herkennen. Het betreft de stelling na zwarts 37e zet 15-20!...

Bij wits 38.43-38 schreef ik dat Koeperman in Positiespel op de honderd velden aangeeft dat 38.35-30 nog de meeste verdediging had geboden. 'Maar recente analyses hebben mij ervan overtuigd dat zwart ook in dat geval zou hebben gewonnen', voegde ik er aan toe.

Omdat die bewering niet door enige variant werd onderbouwd, zou de lezer de indruk hebben kunnen krijgen dat mijn opmerking tot het soort 'dooddoeners' behoorde waartoe rubriekredacteuren wel vaker hun toevlucht nemen wanneer zij te weinig tijd of zin hebben zich in een partij te verdiepen. Maar daar was geen sprake van: dat ik er niet verder op inging, had enkel en alleen met de beschikbare plaatsruimte te maken. Mijn mededeling dat ook 38.35-30 Kats niet zou hebben gered, stoelde wel degelijk op serieus analytisch onderzoek.

Ziehier namelijk hoe zwart zijn voordeel kan verzilveren: 38...20-24 39.40-35 18-23 en nu een eerste splitsing:

1) 40.39-33 23-29! 41.34x23 25x34 42.43-38 (42.37-31 17-22 +).

Nu zijn directe combinaties als 42...24-29? enz. of 42...34-39? 43.33x44 7-11 44.16x18 13x31 nog ontoereikend (in het laatste geval zou wit 45.35-30! 19x37 46.30x10 = laten volgen). Maar na het enigszins verborgen ruiltje 42...24-30!! 43.35x24 19x30 vormt 44...34-39! en 45...7-11 enz. wèl een dodelijke dreiging.

2) 40.43-38 13-18 41.39-33.

Hier staan zwart zelfs twee geheel verschillende winstsystemen ter beschikking:

2.1) 41...9-13 42.37-31 (op 42.34-29 wint 42...25x34! 43.29x9 13x4 44.33-29* 34-39!, ondanks 45.28-22 enz.) 18-22! 43.32-27 23x43 44.27x29 43-48 en wit is kansloos.

2.2) 41...14-20 42.37-31 9-13 43.34-29 (eerst 43.31-27 17-21! komt in het voor wit gunstigste geval op zetverwisseling neer) 25x34 44.29x40 20-25 45.31-27 (of 45.40-34 7-11! 46.16x7 12x1 +) 45...17-21! (maar onder geen beding 45...7-11? 46.16x7 12x1 wegens 47.27-22!! gevolgd door 49.33-29! en 50.35-30 enz.) 46.28-22 (op 46.40-34 wint vrijwel alles, inclusief de afwikkeling 46...7-11! enz.) 21-26! 47.22-17 12x21 48.27-22 18x27 49.33-29 24x42 50.35-30 27x38 51.16x27 25x34 52.40x9 38-43(!) en zwart gaat uiteindelijk door overmacht winnen, zowel na 53.9-3 43-48! enz. als na 53.9-4 42-47! enz.

Het is sowieso hoogst opmerkelijk dat Andreiko al dertig jaar geleden een speelwijze toepaste waaraan pas in onze dagen de naam van een (hedendaagse) topdammer zou worden verbonden. Maar Kats-Andreiko 1965 is voor mij bovenal één van de zuiverste voorbeelden van de kracht die van het 'Tsjizjov-kanon' kan uitgaan.

Immers: doorgaans kunnen dìe spelers die de 'vuist' 36/31/27 (met verwisselde kleuren: 15/20/24) hanteren, op een zekere ontwikkelingsvoorsprong bogen. Andreiko daarentegen moest het zonder die steun van de tempi doen, want hij kampte vrijwel de gehele partij met een achterstand in ontwikkeling. Desondanks kwamen de doelstellingen van het Tsjizjov-kanon volledig tot hun recht.

Er zijn méér 'oude' partijen waar iemand die het Tsjizjov-kanon in een soort historisch perspectief probeert te plaatsen, eenvoudig niet omheen kan. Daarbij denk ik bij voorbeeld aan Okrogelnik-Wiersma 1967. Maar de notatie van die partij, de allereerste die de destijds nog maar 13-jarige Fries überhaupt in een Nederlands (senioren) kampioenschap speelde, is nog niet zo lang geleden (23-5-1992) in deze krant afgedrukt. Bovendien spreekt de overwinning die Wiersma in het Suikertoernooi 1972 op Hans Jansen boekte, vermoedelijk nog meer tot de verbeelding.

Het is overigens bepaald geen toeval dat de naam van Harm Wiersma hier voor de tweede maal valt: als ik goed geteld heb, heeft Wiersma nog vaker het 'Tsjizjov-kanon' gehanteerd dan Tsjizjov zelf! In dit verband wijs ik op zijn partijen met Gordijn (KSH-toernooi 1973), Gantwarg (11e matchpartij WK 1979), Fred Ivens (Clubcompetitie 1986/'87) en Hein Meijer (Clubcompetitie 1988/'89). Maar in geen van die gevallen was Wiersma zo succesvol als in onderstaand duel.

H. Jansen - Wiersma

(Suikertoernooi 1972)

1.32-28 19-23 2.28x19 14x23 3.37-32 10-14 4.34-30 13-19 5.33-28 8-13 6.39-33 20-24 7.44-39 14-20 8.30-25 2-8 9.25x14 9x20 10.41-37 5-10 11.49-44 10-14 12.31-27 4-9 13.37-31 17-22 14.28x17 11x22 15.46-41 12-17 16.31-26 22x31 17.26x37 6-11 18.32-28 23x32 19.37x28 18-23

Onder iets gewijzigde omstandigheden (44 nog op 49, 40 op 34) zou deze stelling zich ook voordoen in de partij Koeperman-Scholma, WK 1984. Toen vervolgde de zwartspeler evenwel met 19...16-21. Na 20...8-12, 21...3-8, 22...1-6 en 23...21-26 had Scholma (zij het met 2 tempi meer) exact dezelfde stand bereikt als Wiersma in diens al eerder genoemde partij tegen Okrogelnik! En diezelfde stelling komt ook op het bord in een partij die ik over veertien dagen zal behandelen...

Met de tekstzet geeft zwart een stukje terug van de enorme ontwikkelingsvoorsprong die hij in de openingsfase heeft mogen opbouwen. Maar als Wiersma hoopte dat de afruil van een koppel schijven op den duur tot verzwakkingen in het witte kamp zou leiden, dan heeft zijn voorgevoel hem inderdaad niet bedrogen!

20.42-37 23x32 21.37x28 8-12 22.41-37 12-18 23.40-34 3-8 24.45-40 1-6 25.48-42 16-21 26.47-41 7-12

(...) Wit moet nu een ingrijpende beslissing nemen: 27.37-32?? is uitgeschakeld door 27...17-22! 28.28x26 24-29 + (vuist!), en op 27.38-32? 18-23! 28.42-38 21-26 29.50-45 24-29! (vuist!) 30.33x24 20x29 kan hij zich evenmin inlaten. Jansens volgende zet, waarmee hij 'in' een soort verzwaarde halve hekstelling gaat staan, laat zich dus goed verklaren.

27.34-29 21-26 28.37-32 17-22! 29.28x17 12x21!

Met dit ruiltje, dat men in partijen met het Tsjizjov-kanon haast tot vervelens toe aantreft, tracht zwart het witte centrum als het ware te ontmantelen. In die opzet zal Wiersma al spoedig slagen...

30.40-34

Hierna kan wit niet meer onder de formering van een (doorgaans dodelijke) kettingstelling uit. Nu was 30.32-28? 21-27! (of ook eerst 18-22x22 en dan pas 32...21-27!) geenszins beter geweest. En ook na 30.42-37? 18-22! had zwart (materiaal) gewonnen, bij voorbeeld 31.40-34 (31.33-28 22x31 32.36x7 24x33 33.39x28 8-12 34.7x18 13x33 35.43-39 26-31! 36.39x28 31-37 +) 21-27! 32.32x21 26x17 33.38-32 22-28! enz. Daarentegen had het zwart na 30.41-37(!) meer moeite gekost zijn voordeel te gelde te maken.

30...11-16 31.42-37 21-27! 32.32x21 16x27! 33.37-32

Wit heeft domweg geen tijd voor 33.34-30?: zowel na 33...20-25 34.29x20 25x34 35.39x30 14x34 36.44-39 18-22! 37.39x30 19-23! enz. als na 33...18-22! 34.29-23* 19x28 35.30x10 15x4 zou hij in de aanval worden overspeeld.

33...19-23! 34.32x21 26x17 35.38-32 6-11

Een geestig variantje is hier 35...17-21 36.41-37 8-12 37.36/37-31? (maar het offer 37.35-30! 24x35 38.33-28! geeft veel meer verdediging, ook na 38...35-40 39.28x26 40x27 40.39-33) 23-28! 38.32x23 20-25 39.29x20 18x29 40.31-26 (eerst 40.39-33 brengt evenmin redding) 15x24 41.26x10 9-14 42.10x30 25x43 +.

36.36-31??

In feite een blundertje, dat de partij een ontijdig einde doet nemen. Hoewel wit in strategische zin eigenlijk allang geklopt is, had zijn stand na 36.41-37(!) toch nog verrassend veel afweerstoffen bevat. Daarbij speelt een rol dat 36...8-12(?) niet toereikend is voor de winst in verband met de finesse 37.32-27! 23-28* 38.33x22 17x28 39.27-21! 24x33 40.21-17!! 11x22* 41.37-32 enz. =.

36...8-12!

Nu wèl. Anders dan na 36.41-37 het geval was geweest, kan wit de dreiging 37...23-28 + nu niet pareren met 37.32-27 wegens 37...23-28!, 38...24x33(!) en 39...17-21 enz. +. Jansen liet zich de rest dan ook niet meer bewijzen en gaf het op.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.