Daling status van de leraar is vooral zijn eigen schuld

Verguisd door de leerlingen en geminacht door de onderwijsbureaucraten probeert de leraar het leslokaal zoveel mogelijk te ontvluchten. Volgens G.J....

SINDS HET laatste kwart van de negentiende eeuw nam het maatschappelijk aanzien van schoolmeesters gestaag toe. Ze gingen tot 'het maatschappelijk middenveld' behoren. Ze maakten carrière in de politiek en de wetenschap. Voor de kinderen van arbeiders en 'kleine luyden' was de 'Kweekschool' het begin van de weg omhoog.

Met de maatschappelijke waardering en het aanzien van onderwijsgevenden in ons land is het de laatste decennia evenwel snel bergafwaarts gegaan. Vrijwel iedereen vindt dan ook dat de 'status' van de leraar weer omhoog moet. Al was het maar omdat de daling in status ook een duidelijk waarneembare vermindering van het gezag, dat leraren plachten te hebben, met zich meebracht. En dat heeft weer een slechte invloed op de opvoedkundige kwaliteit van ons onderwijs.

Dat verlies van gezag werd enige tijd geleden in NRC Handelsblad nogal cynisch verwoord door Beatrijs Ritsema. Winkelend met haar zoon ontdekte ze tussen het aanbod van diverse schoolagenda's er eentje met de titel 'Rooie Oortjes', vol met seksistische moppen en scabreuze tekeningen, het geheel van een peilloze platheid en vulgariteit. Ritsema zou willen dat de school het gebruik van zo'n agenda verbood, want, zegt ze Prediker citerend, er is voor alles een plaats en een tijd.

Onder schooltijd kunnen we geen geilheid in woord en beeld gebruiken. Maar zo'n verbod, weet ze, maakt geen schijn van kans. Deze onmacht 'ondermijnt de werksfeer en het laatste restje professionaliteit dat nog op middelbare scholen te vinden is. De lange arm van de leraar is afgestorven tot een softenon-armpje'.

Dixit Ritsema. Met deze constatering kunnen de leraren en de school het doen. Zelden werd hun verlies aan status en gezag pijnlijker geschetst.

Op de vraag hoe hetgeen verloren ging weer zou kunnen worden herwonnen, is het antwoord meestal: hogere salarissen en betere secundaire arbeidsvoorwaarden. Wie zonder vooroordelen overziet wat zich sinds zo'n dertig jaar in en rond het onderwijs heeft afgespeeld, komt onherroepelijk tot het inzicht dat de oorzaak van het statusverlies niet alleen aan een te schriele overheid en een falend beleid geweten kan worden. Onderwijzers, leraren, schoolleiders en hun organisaties hebben er zelf ook aan bijgedragen.

Het is niet moeilijk om dat aan te tonen. De neergang ging gepaard met en werd bevorderd door een zelf opgeroepen woordinflatie. Uit het basisonderwijs verdwenen eerbiedwaardige beroepsnamen als kleuterleidster, onderwijzer en hoofd der school. In het voortgezet onderwijs worden steeds vaker termen als rector of conrector ingeruild voor aan het grootwinkelbedrijf en het bedrijfsleven ontleende benamingen als lokatie-beheerder, teamleider, coördinator, manager, of voorzitter van de centrale directieraad.

Bij het leiden en/of besturen van scholen deden woorden als bedrijfsvoering, lumpsum- en output-financiering hun intrede. Allemaal voorbeelden van belachelijke en wat zielige Wichtigmacherei die bovendien contraproductief, want de spotlust opwekkend, werkt.

Maar het paste in een proces waarin scholen devalueerden tot op een vrije markt concurrerende ondernemingen. En velen aanvaardden het, zich niet realiserend dat wat ooit een gerespecteerd ambt was, zo werd gedegradeerd tot een gewoon baantje met een tot op de minuut vastgestelde arbeidsduur, snipperdagen en (het komt er aan!) prestatieloon. Welke ouders zullen hun kroost nog stimuleren tot de studie voor een ambt met een softenon-armpje en een subjectief en derhalve oneerlijk beloningssysteem?

Ook de ongeremde schaalvergroting heeft het statusverlies bevorderd. Hoewel er veel passief verzet werd geboden en er in de leraarskamers heftig op werd gekankerd, legde men zich er toch morrend bij neer. In basis- en voortgezet onderwijs groeide een steeds diepere kloof tussen de schoolleiding en de lesgevers. Schoolleiders staan zelf (bijna) nooit meer voor de klas, ze zijn schoolbestuurders geworden.

Ze kennen de leerlingen niet ('t zijn immers niet hun leerlingen) en ook de mensen voor de klas kennen ze niet ('t zijn immers niet meer hun collega's).

Die dragen op hun beurt bij tot verder statusverlies door hun krampachtige pogingen om zo min mogelijk lesuren en zoveel mogelijk 'niet-les-gebonden-eenheden' te verwerven. Hoe minder lesuren, hoe hoger het aanzien binnen de nieuwe hiërarchie van het 'midden-management'.

Langzamerhand dringt het besef dat hier iets ernstig mis is tot de politiek door. Het D66-kamerlid Lambrechts schrijft in Het Onderwijsblad van de AOb van 5 september: 'De trend is onmiskenbaar. Steeds meer onderwijs met steeds minder leraren. Voor de klas staan is uit. Het is moeilijk om er nieuwe mensen voor te interesseren en wie wel voor de klas staat, wil zo snel mogelijk weg'.

Het zogenaamde democratiseringsproces in de jaren zestig en zeventig heeft er ook geen goed aan gedaan. De jonge leraren waren als studenten sterk beïnvloed door de protestbewegingen van die tijd en hielden nog heel lang vast aan hun 'progressieve' ideeën. Dat proces had met democratisering weinig te maken. Veeleer ging het om een modieus egalitairisme dat bleef steken in uiterlijkheden.

Bijzonder dom en kortzichtig was de trend zich door de leerlingen te laten tutoyeren en bij de voornaam te laten noemen. Immers, afstand tussen docent en leerling is voorwaarde voor goed pedagogisch handelen.

De school staat vrijwel machteloos staat tegenover te provocerende kleding. Geen wonder want sinds de jaren zestig zijn ook leraren zich slordiger gaan kleden en gingen ze er onverzorgder uitzien. Overigens, maar dit terzijde, wie zelf voor de klas er slordig en onverzorgd uitziet, wie Fuck You op een T-shirt of een soft-porno-agenda niet durft te weren, moet ook het dragen van hoofddoekjes of over enige tijd wellicht een gelaatssluier tolereren.

Tot zo'n halve eeuw geleden waren het de kinderen van arbeiders en 'kleine luyden' die via de (M)ULO naar de Kweekschool gingen. De onderwijzersopleiding was voor die groepen nog net betaalbaar. Het waren vaak de betere leerlingen die op advies van hun onderwijzer die stap maakten. Velen haalden na de kweekschool allerlei akten (van LO tot MO-B) en 'promoveerden' van het lager onderwijs naar ULO's, HBS-en en Gymnasia. Er waren er die het zelfs tot hoogleraar schopten.

Ook dat beeld verdween langzaam, maar zeker. Vooral na de invoering in 1968 van de Mammoet waren het steeds vaker de zwakkere havo- en vwo-abituriënten die naar de Pedagogische Academie (een sjieke naam voor Kweekschool, maar beduidend minder qua niveau) of de NLO (Nieuwe Lerarenopleidingen) gingen.

Visitaties hebben de geringe kwaliteit van de onderwijsopleidingen pijnlijk duidelijk gemaakt. Er werden steeds lagere eisen gesteld aan leraren in opleiding. Gedeeltelijk kwam dit voort uit een onvermijdelijke aanpassing aan het geringe niveau van de havo- en vwo-gediplomeerden, gedeeltelijk ook uit angst om studenten af te schrikken of te verliezen wat immers, bij de huidige financieringssystemen, in verlies van de werkgelegenheid van de opleiders zou kunnen resulteren.

Ook het maatschappelijk aanzien van academici in het voortgezet onderwijs is behoorlijk gekelderd. In de tijd van het oude VHMO kwamen ze vooral voort uit de middenklasse, waren nogal eens gepromoveerd en maakten, althans in de ogen van velen, deel uit van de intellectuele en culturele bovenlaag. De enorme groei in de jaren vijftig en zestig van het vhmo en latere avo-vwo en mbo bracht een toenemende vraag naar eerstegraads leraren mee waarbij, in het begin althans, de productie van doctorandussen noodgedwongwen achterbleef.

De onbevoegden deden hun intrede en door het gebrek aan aanbod werd de selectiedrempel bij benoemingen aanzienlijk verlaagd. Onvermijdelijk werden minder geschikten aangesteld want de lessen moesten tenslotte gegeven worden. Eenmaal vast benoemd, stuntelden ze door, steeds frequenter ziek of overspannen, tot ze geheel of gedeeltelijk werden afgekeurd of met vervroegd pensioen gingen. Het intellectuele en culturele niveau van de Nederlandse leraar is er navenant door aangetast.

De vroegere lerarenverenigingen (ze waren gezien hun veronderstelde status wat huiverig zich vakbonden te noemen) fuseerden met van oorsprong onderwijzersbonden tot de huidige AOb, aangesloten bij de FNV, en twee confessionele bonden, aangesloten bij het CNV. Deze bonden hebben weinig kunnen doen om de neergang te stuiten.

Vakbonden ontlenen, althans in een democratische samenleving, hun macht en invloed aan het getal hunner leden en derzelve wil tot actief deelnemen aan de beleidsvorming. De kloof tussen het vakbondskader enerzijds en anderzijds de ongeorganiseerden en de niet-actieve leden is, net als die tussen de schoolleidingen en lesgevers, steeds dieper geworden.

Kaderleden, ook op plaatselijk niveau, beschikken veelal over faciliteiten in de vorm van door het ministerie betaalde 'niet lesgebonden eenheden'. Ze behoren tot de door Lambrechts gesignaleerde lesvlieders. De bonden zijn voor hun functioneren afhankelijk geworden van die faciliteitenregeling en daardoor indirect ook afhankelijker van het ministerie dan ze vroeger waren.

Deze opsomming van oorzaken van de neergang in status is niet bedoeld om de schuld uitsluitend bij het onderwijs zelf te leggen. Het is zeker ook te wijten aan reeksen onverantwoorde bezuinigingen (waaronder de Herziening Onderwijssalarissen, de HOS, in 1983) en een, onderwijskundig gezien, falend beleid.

Sinds 1968 is elke verandering ontaard in een verslechtering. De Mammoet, de Middenschool-experimenten, de basisvorming, het project 'Weer samen naar school', 'onderwijs op maat', de herstructurering van het lager en middelbaar beroepsonderwijs, bij geen van deze veranderingen werd het gestelde doel gerealiseerd, integendeel.

En met het Studiehuis lijkt het net zo te gaan. Dit slechte beleid ging gepaard met voortdurende taakverzwaringen zoals grotere klassen en een grotere betrekkingsomvang. De recente, zeer geringe verbeteringen zijn volstrekt onvoldoende om tot herstel te komen.

In het voortgezet onderwijs is de leraar nauwelijks nog een pedagogische taak toegedacht en in het basisonderwijs komt men er onvoldoende aan toe. De noodzaak te concurreren tegen andere scholen verzwakt de positie van de leraar ten opzichte van de ouders.

Uit angst leerlingen te verliezen, durft men geen eisen meer te stellen, laat men zich te optimistische adviezen afdwingen, treedt men vaak niet of onvoldoende op tegen regelrechte intimidatie, grove scheldpartijen (kutwijf of kankerlijer zijn gangbare invectieven), diefstal en gewelddadig gedrag.

De leraar in het voortgezet onderwijs is niet veel meer dan een instructeur van wie verlangd wordt dat hij zo efficiënt mogelijk de minimale kennis en vaardigheden overbrengt die nodig zijn om het diploma te halen. De rest is flauwekul. Dat past uitstekend in het postmoderne maatschappelijke klimaat.

De leerlingen hebben dan ook geen hoge dunk van het leraarschap. Er dreigt niet voor niets een ernstig tekort met ongetwijfeld dezelfde kwalijke gevolgen als in de jaren zestig en zeventig. Noch publiciteitscampagnes, noch kwijtschelding van studieschulden zullen daar verbetering in brengen. Wat in decennia is stuk gemaakt, vergt ook decennia voor herstel.

Wat op de langere termijn zou kunnen helpen, is de ontbinding van de schaalvergroting, kleinere klassen, verkleining van de betrekkingsomvang in het voortgezet onderwijs, de beperking van de mogelijkheid tot deelbetrekkingen, vooral in het basisonderwijs (ook al om verdergaande feminisering van het beroep af te remmen) en het tegengaan van de heilloze concurrentie die het gezag van de school als opvoedingsinstituut ernstig ondermijnt. Door zo'n beleid kan de leraar weer opvoeder worden in plaats van louter instructeur. Maar daar is veel meer geld voor nodig dan de samenleving er aan zal willen uitgeven. Het komt waarschijnlijk nooit weer goed.

G.J. Erdtsieck en J.C. Traas zijn oud-rectoren en oud-hoofdbestuurders van respectievelijk ABOP en NGL.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden