PortrekkenDaklozen in Europa

Daklozen over het leven op straat: ‘Het besef dat je dakloos bent, beheerst je gedachten’

Zes West-Europese daklozen vertellen hun verhaal. Hoe zijn ze dakloos geworden, en hoe gaat met hen nu ze op straat leven?

Stephan (34), Amsterdam

Half december stond hij ineens op straat na de breuk met zijn vriendin. De woning is eigendom van de vader van de vriendin. ‘Daar sta je dan’, blikt de meubelmaker terug, vanuit zijn werkplaats in Amsterdam-Oost. ‘Ik heb een bootje. Daar heb ik de eerste paar nachten geslapen. Geen verwarming. Niet te doen.’

Daarna werd het ‘van bank naar bank hoppen’ bij vrienden. Te kort ingeschreven staan bij Woningnet, particuliere verhuurders vragen idiote bedragen en vinden zijn inkomsten te laag, dan is de woningschaarste ineens heel tastbaar. ‘Ik bleef wel werken, ben eigen baas, maar het besef dat je dakloos bent, beheerst je gedachten.’

Na vergeefse pogingen om iets tijdelijks te vinden (‘Antikraak heb je ook al bijna niet meer’), googelde hij toch maar de woorden ‘dakloos’ en ‘hulp’ . ‘Ik moest wel. Bij dakloos past zo’n beeld van een probleemgeval, ­iemand die niet voor zichzelf kan zorgen. Daar moet je je overheen zetten.’

Nu is hij plots ‘cliënt’ van De Regenboog Groep, een maatschappelijk organisatie die zich inspant voor ‘kwetsbare Amsterdammers’. Pas nadat hij, zo is de procedure, zich gemeld had bij de screeningseenheid van de GGD die bepaalt hoe acuut de nood is. ‘Je moet door een haag van zes beveiligers. Je krijgt een gesprek van tien minuten en hoort dat je niet acuut hulpbehoevend bent.’ De diagnose: Stephan is een ‘zelfredzame’ annex ‘economische’ dakloze.

Hij wacht nu of hij via het project Onder de Pannen (tijdelijk bij iemand in huis) van De Regenboog Groep een plaatsje krijgt. Het ­cynisme slaat al een beetje toe, zegt hij. ‘Procedures. Wachtlijsten. Dit moet niet te lang duren. Het sloopt je.’

Marcel van Lieshout

Chahid.Beeld Sabine Van Wechem

Chahid (50)

Mensen zien het niet omdat ze het niet willen zien, maar Chahid loopt naar eigen zeggen blindelings naar portieken waar een dakloze de slaapzak heeft uit­gerold. Sinds anderhalf jaar heeft hij een kamer bij het ­Leger des Heils in de Plantagebuurt, maar het verleden is nooit ver weg: ‘Ik betaal nu nog steeds bekeuringen voor het buiten slapen.’

Ruim twintig jaar geleden ging het mis. Een relatie liep stuk en hij belandde dakloos en ­bezitloos in de drugssmokkel. ‘Ik was altijd onderweg, jongen.’ Of zat vast. ­Alleen al in Frankrijk zes jaar. Weer in Amsterdam en inmiddels verslaafd, belandde hij op straat. ‘Zeker een jaar of acht.’

Zijn favoriete slaapplek (als de politie hem met rust liet) was een garagebox van de Universiteit van Amsterdam. Overdag was het van ­inloophuis naar inloophuis. ‘Lopen, lopen, lopen.’

De redding kwam nadat hij vier jaar geleden vader was geworden. Zijn dochter is bij een pleeggezin ondergebracht, moeder was ook verslaafd, ‘maar mijn ogen gingen open’. Hij slikt ­methadon en wil nu structuur in zijn leven krijgen.

De opvang bij het Leger des Heils ervaart hij als een ‘gevangenis’. Bijna de hele uitkering gaat op aan kost en inwoning, een kamer met de omvang van een cel. ‘Niemand kijkt naar je om. Een Somalisch meisje heeft twee weken bij ons gewoond. En nu is ze dood. Zelfmoord. Voor de trein.’

Zelf hoopt hij ooit voor een UMO-woning in aanmerking te komen, Uitstroom Maatschappelijke Opvang. ‘Beetje privacy. Kan ik weer koken.’

Marcel van Lieshout

Anja.Beeld Daniel Rosenthal

Anja (33), Berlijn

Ze slaapt een stukje verderop in het ­Berlijnse park Tiergarten. De tent waar ze slaapt kan ze niet laten zien, want haar vriend, een Rus, is daar niet zo van. ‘En het is zijn tent, niet de mijne’, zegt de 33-jarige Anja van ­onder een capuchon. Het loopt tegen het middaguur en het regent.

‘Ik ga zo een wijntje drinken. Van bier moet je zo ­plassen.’ Anja zegt dat ze alle drugs neemt, behalve heroïne. ‘Heroïne vertrouw ik niet.’

Anja is geboren in de DDR, in Potsdam. Haar vader, zegt ze, heeft haar jeugd verziekt. Vanaf haar 13de leeft ze meer op straat dan ergens anders, al twintig jaar.

Ze vertelt dat ze altijd op haar hoede moet zijn als vrouw op straat. ‘Ik heb het allemaal meegemaakt. ­Seksueel geweld.’ Ze lacht ­cynisch en klopt op haar borstzak. ‘Hier zit pepper­spray. En eigenlijk heb je een hond nodig. Maar mijn hond is overleden, in november. Met een vriend werkt het ook wel. Hoofdzaak is dat je een groep hebt waar je bij hoort.’

Een poosje heeft ze een dak boven haar hoofd gehad, in Den Haag nota bene. Ze had een man leren kennen op een begrafenis, een Nederlander. ‘Hij ging ’s morgens om 8.00 uur van huis en kwam ’s avonds terug. Na twee jaar heeft ze de trein ­terug genomen. Sindsdien leeft ze weer op straat. ‘In Duitsland hoef je nergens te verhongeren.’ Soms bedelt Anja om geld.

‘Ik kom niet meer van de straat. Het werkt niet, aan ­regels moeten voldoen. En als ik in een kamer moet ­slapen, mis ik het lawaai van treinen.’

Sterre Lindhout

Thomas (53), Berlijn

Thomas is pas dertien maanden dakloos. Daarvoor woonde hij in Hannover met zijn vrouw. ‘Een gewoon leven.’ Tot zij plotseling stierf aan ­alvleesklierkanker. ‘Als ze dat ontdekken, ben je ten dode opgeschreven.’ Thomas hield het niet uit, alleen thuis. ‘Het deed pijn, hier en hier.’ Hij wijst op zijn hoofd en zijn hart. Hij is op de vlucht, geeft hij toe.

Thomas zegt dat hij een van de weinige daklozen is die nooit drugs gebruikt. ‘Heel af en toe bezuip ik me, zoals iedere Germaan.’ Hij heeft naar eigen zeggen in het leger gezeten, tientallen jaren. De daklozen die met hem voor de Bahnhofs­mission staan, beamen zijn verhaal. Thomas was in ­Kosovo en Afghanistan, waar hij gewond raakte. Als bewijs toont hij de gehalveerde pink aan zijn linkerhand.

Als er politieagenten voorbij lopen, groet Thomas ­enthousiast. ‘Ik gebruik meestal geen geweld, maar een paar keer heb ik ingegrepen toen Poolse daklozen zich misdroegen. De meeste nieuwelingen uit Oost-­Europa misdragen zich, ­zuipen hun laatste geld op, beginnen te jatten.’ Er ­bestaat onder daklozen een grap, vertelt Thomas. ‘Hoe herken je een nieuw aan­gekomen dakloze uit Polen? Aan zijn blauwe oog.’

‘Ik heb nog wat geld op mijn bankrekening’, zegt Thomas. ‘Dat is het probleem niet.’ De vraag of hij nog eens een dak boven zijn hoofd wil hebben, of psychologische bijstand, beantwoordt ­Thomas liever niet. Hij heeft een mobiele telefoon waarmee hij soms met zijn dochter belt. ‘Ze studeert dier­geneeskunde en ze heeft een paard.’

Sterre Lindhout

Tony (rechts)Beeld Joris Van Gennip

Tony (25), Parijs

Sinds een jaar leeft de 25-jarige Tony op straat. Hoe dat zo is gekomen, laat zich volgens hem samenvatten in één woord: problemen. Over de aard van die problemen wil hij niet te veel kwijt. ­Problemen in de familiesfeer, laten we het daar op houden. En problemen op het werk, Tony was ober in een restaurant, best een chill baantje. Maar daar werd hij dus ­ontslagen. Problemen ­komen zelden alleen.

Het klinkt misschien raar als je hem in zijn slaapzak op een zompig matras ziet zitten, maar eigenlijk bevalt het leven op straat hem wel. ‘Je ziet van alles, er is altijd wel iemand om mee te ouwe­hoeren.’

Ze zijn een soort geïmproviseerde familie, Tony en zijn maten. Met Karim en Massimiliano slaapt hij sinds een maand of vier op deze stek, een rustige hoek van een overdekte winkelgalerij, vlak bij Centre Pompidou. En met hond Nala, een kolossale cane corso wiens oorverdovende geblaf continu over straat schalt.

Eten is er in overvloed, ­verzekert Tony. ‘Ik snap echt niet hoe je als dakloze níét aan voldoende voedsel kunt komen. Mensen geven ons van alles, sommigen gaan zelfs speciaal eten kopen om aan ons te geven. Het is echt een fluitje van een cent.’

Tony zou best een woning willen, natuurlijk. En hij zou ook zo weer in de bediening willen werken. Maar voor­lopig bekijkt hij het van dag tot dag.

‘Weet je waar het echt goed bedelen is? Op het vliegveld. Daar krijg je soms honderd euro per dag!’

Daan Kool

Omar.Beeld Joris Van Gennip

Omar (32), Parijs

Omar Farah (32) houdt zijn hoofd schuin zodat het water van het fonteintje in zijn mond loopt. Daarna wast hij zijn gezicht en spoelt hij zijn schoenen schoon. Ochtendroutine in een guur en winderig park bij Porte de la Villette, een ­afrit van de Parijse ringweg Boulevard ­Périphérique.

Twee maanden geleden kwam de Somalische Omar vanuit Duitsland naar Frankrijk. ‘Dubliné’, zeiden ze bij de immigratiedienst nadat hij zijn vingerafdrukken had ­afgegeven. Asielzoekers die zich eerst in een ander Europees land hebben gemeld, worden in Frankrijk dublinés genoemd, naar het verdrag van Dublin. Volgens Europese regels kunnen vluchtelingen alleen asiel aanvragen in het land van aankomst.

Omars asielaanvraag werd in Duitsland afgewezen. Nu woont hij in een tentje op een modderig talud aan een Franse snelweg. Zojuist is hij daar door agenten weggejaagd. ‘‘Go, go go!’, schreeuwden ze. Dat doen ze heel vaak. Ze willen niet dat we er overdag zitten, geloof ik.’ Soms drinkt Omar bier, om zijn problemen te vergeten.

In Somalië had hij een marktkraam. Maar daar moest hij weg, ‘er was geweld, veel geweld’. Het liefst zou hij economie studeren. Lachend: ‘To get rich!’

Drie weken geleden overleed zijn broer, vertelt Omar terwijl hij naar de grond kijkt. ‘Hij lag te slapen, hier vlakbij, langs de weg. En toen werd hij niet meer wakker.

‘Fransen zijn goede mensen. En er zijn hier veel hulporganisaties. Ze hebben me schoenen gegeven en een winterjas. But the government, that’s the problem.’

Daan Kool

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden