Dagelijks leven in Lobbyland

De Beroepsvereniging voor public affairs (BVPA) hield 15 maart op de Campus Den Haag van de Leidse Universiteit een discussiebijeenkomst over lobbyen en het openbaar bestuur. Er waren drie inleiders. Hieronder de bijdrage van Ariejan Korteweg. De andere inleiders waren Pieter Hasekamp, directeur-generaal bij het Ministerie van Financiën, en Arco Timmermans, bijzonder hoogleraar public affairs.

Beeld Robbert Baruch

Zeven maanden geleden hebben Eline Huisman en ik voor het eerst voet in Lobbyland gezet. Ik had toen niet durven dromen dat ik zo snel al als ingewijde hier voor de BVPA zou mogen spreken. Wat ik u vanmiddag ga vertellen, moet u beschouwen als een voortgangsrapportage, want we zijn nog niet klaar met het blog, ook niet in de krant. Dat doe ik aan de hand van een zevental observaties.

We begaven ons niet in Lobbyland om te vertellen hoe erg het nu eigenlijk allemaal is. Maar omdat lobbyen een substantieel element is in het krachtenspel rond de besluitvorming in de politiek. Terwijl er in de media weinig want alleen bij uitslaande branden over geschreven wordt.

Daarmee bleken we onszelf een tijdrovende klus te hebben bezorgd. Lobbyisten zijn praters. Ze zijn lang van stof, ze hebben veel te vertellen. En ze hebben het gevoel dat ze zichzelf moeten verdedigen, en dat er veel uit te leggen valt. Ze zijn in het defensief, en tegelijk gretig hun kennis en opvattingen te delen.

Om te beginnen moesten we uitvinden waar Lobbyland nu precies ligt. Dat is nog niet zo eenvoudig, alleen al niet omdat veel lobbyisten geen lobbyist willen heten. Ik heb er mijn stapel in de afgelopen maanden verzamelde visitekaartjes nog eens op nagekeken. Jullie noemen je public affairs manager, adviseur public affairs, advocacy officer, corporate communication, strategic communication advisor, government affairs manager, liaison officer. Iets Engels dus, waarin 'lobby' niet voor komt.

Opvallend ook: er was en is een grote nieuwsgierigheid naar ons project. Met als gevolg dat onze gesprekken gemiddeld zo'n twee uur duurden. En dat de gesprekspartners zelf ook geïnteresseerd waren (of deden alsof, dat weet je bij lobbyisten nooit). En dat elk gesprek weer nieuwe mogelijke gesprekspartners opleverde.

Rijk gestoffeerde schemerzone

Dat was eigenlijk de eerste les die we leerden: Lobbyland ligt in een rijk gestoffeerde schemerzone. De twitterlobby, grassroots, de betaalde onderzoeken die precies op het goede moment worden gepresenteerd, de congressen, seminars, werkbezoeken, de kopjes koffie, de toevallige ontmoetingen op een receptie, de kleine attenties. Zoals een lobbyist ons zei: 'je moet professioneel charmant zijn. Want in een relatie krijg je meer gedaan met verleiding dan met macht.' En dat is nog maar tien procent van het werk. Tenminste: als ik de lobbyisten die we spraken mag geloven, brengt een lobbyist 90 procent van zijn tijd achter het bureau door.

Lobbyland is slecht gedocumenteerd. Er zijn weinig boeken over het onderwerp, de boeken die er zijn komen uit de beroepsgroep zelf, de universitaire aandacht voor het onderwerp staat in de kinderschoenen. In de politiek trekt het alleen bij vlagen de aandacht, de laatste tijd toevallig wat meer. Er zijn geheime genootschappen, de vijf koningen van Lobbyland, waar we graag meer van zouden weten. En er is een alwetende op de achtergrond, tot wie we binnenkort hopen door te dringen.

De media besteden doorgaans geen structurele aandacht aan lobbyen, maar richten zich op incidenten. Dat wordt in de hand gewerkt doordat lobbyisten zich doorgaans niet actief tot de media richten. En wij van de media komen beroepshalve meer politici, woordvoerders, fractiemedewerkers, voorlichters en ambtenaren tegen dan lobbyisten. In het dagelijks verkeer hebben we weinig met elkaar uit te staan. Al is er in de personele sfeer genoeg grensverkeer.

We - mediamensen en journalisten - behoren allebei tot dat legertje Binnenhofbewoners dat net zo gemakkelijk van functie wisselt als Hans Anders van bril. Ongetwijfeld zijn ze ook hier nu aanwezig: de lobbyisten voorheen politici, voorheen woordvoerders, voorheen fractiemedewerkers. Ik sprak een lobbyiste van 27 jaar, die al medewerker van twee verschillende partijen was geweest en zich nu opmaakte om de journalistiek in te gaan. Lobby en journalistiek, dat is toch zo ongeveer hetzelfde, wordt dan gezegd. Van fractie-ondersteuning naar belangenbehartiging naar waarheidsvinding - hoe werkt dat in zo'n hoofd wil je dan weten. Misschien een mooi onderwerp voor een volgende bijeenkomst. De Volkskrant heeft onderzoek naar die banencarrousel gedaan. Dat leverde op dat een kwart van de oud-Kamerleden daarna lobbyist wordt.

Seinen op rood

Het tweede punt komt uit het eerste voort: Als er aandacht voor Lobbyland is, is dat altijd omdat de seinen op rood zijn gesprongen. Er is wat mis gegaan.
Dan heeft tv-programma Rambam een lobbyist in zijn netten verstrikt en laten lobbyen voor betaalde spermadonatie.
Dan waren de INGbank en Dijsselbloem even vergeten dat buiten het Binnenhof niemand het normaal vindt dat banken meeschrijven aan wetgeving.
Dan blijkt Hans van Baalen niet genoeg te hebben aan een salaris als europarlementariër en verricht hij betaald advieswerk voor Mercedes en de RAI.
Dan blijkt de lobby voor afschaffen van statiegeld op flessen gebaseerd op ondeugdelijk en door de bedrijfstak betaald onderzoek.
Dan stapt een kamerlid voor het einde van zijn mandaat op om te gaan lobbyen voor Uber, waar hij eerder in de Kamer een warm pleidooi voor hield.
Dan blijkt Ben Bot zich bij de minister aan te melden om te komen praten over de Wereldomroep en Meerpartijendemocratie, om tijdens het gesprek onaangekondigd te beginnen over een levering van marineschepen.
Dan pleit een europarlementariër voor meer subsidie voor varkenshouders. Terwijl ze getrouwd is met een varkenshouder.

Allemaal voorbeelden van de afgelopen tijd. Allemaal krasjes op het zorgvuldig gekoesterde imago van de lobbysector. Terwijl er van systeemkritiek eigenlijk geen sprake is. Van links tot rechts: Kamerbreed onderschrijven politici het nut van lobbyen. Of om het in de woorden van een lobbyist te zeggen: lobbyisten leveren dagelijks een bijdrage aan een open, transparante en betere samenleving: 'Wij zijn de rode bloedcellen van de democratie.' De omschrijving is dus niet van mezelf, maar van Milos Labovic, lobbyist voor de provincie Zeeland in Brussel.

Hij leverde een gastbijdrage voor ons blog op de Volkskrantsite. Heeft u dat nog niet gelezen, dan wil ik u dat aanraden. Het is een zelfportret van een trotse lobbyist. 'Wij zijn een leger aan goedgehumeurde maar strijdlustige types met opvallende dassen en schoenen.'schrijft hij. 'De omgangsvormen tussen lobbyisten verraden een grote mate van kameraadschap en collegialiteit. Rond de bar worden dossiers naverteld als oorlogsverhalen rond het kampvuur. Heb je verloren, dan wil je de kans niet missen om het verhaal van de andere kant te horen. Niet in het minst om ervan te leren.'

In stilte

Kampvuur, oorlogsverhalen, de oorlogsretoriek hoort kennelijk bij lobbyen. Een andere lobbyist typeert zich als een parachutist die achter de linies wordt gedropt, terwijl de pr-mensen als infanterie het gewone veldwerk doen. U begrijpt, we zouden graag eens aanschuiven bij zo'n kampvuur. Want, en dat is observatie drie, een geslaagde lobby voltrekt zich in stilte. Er zullen wellicht op kantoor een paar flessen opengaan. Maar er is geen reden successen aan de grote klok te hangen.

Wat die voorbeelden van daarnet aantonen: alles wat in Lobbyland normaal wordt gevonden, is voor de buitenwereld hoogst eigenaardig. 'Moties en amendementen schrijven hoort bij het dagelijks werk als lobbyist', zegt Coen Sleddering, die al sinds 1981 in het vak zit en momenteel voor de vereniging voor fysiotherapeuten werkt. 'Ik weet welke woorden je moet gebruiken, naar welke stukken je moet verwijzen.

Beeld Robbert Baruch

Als ik aan gewone mensen van buiten de Haagse inner circle vertel dat lobbyisten Kamerleden tijdens vergaderingen via whatapp of sms bijsturen, dat ze Kamervragen formuleren, dat ze meeschrijven aan moties, amendementen, wetstoelichtingen - dan zijn ze verbijsterd. Als ik vertel dat ze een pasje hebben, en zo bij Kamerleden naar binnen kunnen stappen, desnoods met hun voeten op hun bureau kunnen gaan zitten, geloven ze me niet. Opmerkelijk, en dat is observatie vier, is dat Lobbyland - en daar reken ik dan ook de politiek toe - zelf ook weet dat dit allemaal niet normaal is. Dat bleek wel toen cocogate aan het licht kwam. Politici spraken er schande van, terwijl ze wisten dat dergelijke methoden schering en inslag zijn.

Onder ons eerste grote krantenartikel over lobbyen legden we de vraag voor aan de lezer: dat lobbyisten constant meeschrijven aan Kamervragen en andere politieke teksten baart mij zorgen. Er werd 4757 keer gestemd. 81% (3847) bleek dat zorgelijk te vinden.

Professionals versus practitioners

Dat brengt me bij de vijfde observatie, een bron van veel verwarring: het onderscheid tussen professionals en practitioners. De terminologie heb ik geleerd van Edward Figee, voormalig lobbyist en nu promovendus in Enschede. U lijkt er zich als beroepsgroep geen rekenschap van te geven dat lobbyen voor het grote publiek niet zoiets is als urenlang dossiers vreten en de Kameragenda napluizen. Nee, een lobby is wat Ben Bot doet, wat Gerrit Zalm en Jan Kees de Jager doen of financieel gebied, of André Rouvoet, of Guusje ter Horst of Ab Klink als het om de zorg gaat, Maxime Verhagen in de bouw.

Niet u bent de archetypische lobbyist. Nee, die zit als deelnemer aan de baantjescarroussel - zoals minister Kamp het vertederend noemt- klem in de draaideur, en is dus onlosmakelijk met het Binnenhof verbonden. Hij is geen lobbyist, maar vervult allerlei eerbiedwaardige maatschappelijke functies: als senator, zit in raden van toezicht, raden van bestuur, heeft commissariaten. Zijn netwerk is machtig. Misschien een paar keer per week dient zich een lobbymomentje aan: even een belletje naar een oude bekende, even op een receptie tegen een partijgenoot zeggen: 'joh, kijk daar nog eens naar'.

Het gewone lobbyen, dat is niet hun niveau. Wel kunnen ze met één telefoontje een partijlid doen besluiten toch maar voor dat wetsvoorstel te stemmen. Het debat over de kansspelen dat er binnenkort aankomt, wordt door dergelijke figuren gedomineerd. Elk goed doel heeft zijn eigen oud-politicus. Elk goed doel hangt af van de inkomsten van loterijen en staat dus pal tegen de gelegaliseerde online kansspelen. Als zo iemand dan een brief stuurt die eindigt met - ik citeer even letterlijk - 'Voor nu zou ik u willen vragen om uw informele contacten met politici te benutten om alvast blijk te geven van uw grote zorgen' - dan wordt een machtige machine in werking gezet.

Alles draait om timing

Wat we ook hebben geleerd, en dat is de zesde observatie: alles draait om timing. Leuk om in een Kamerdebat via sms en whatsapp een Kamerlid bij te sturen, maar eigenlijk ben je dan te laat. Leuk om ruim voor een debat bij een Kamerlid een position paper aan te leveren, maar eigenlijk ben je dan te laat. Leuk om bij een hoge ambtenaar een wetstekst bij te sturen, maar eigenlijk ben je dan te laat. Leuk om de pen van een ambtenaar vast te houden als hij aan een wet begint te schrijven, maar eigenlijk ben je dan te laat. Nog verder terug moet je, naar het regeerakkoord, naar het verkiezingsprogramma, naar de hoofden en harten van de mensen aan de knoppen. Om hen ervan te overtuigen dat ze voor hertenjacht zijn, voor minder dieseluitstoot, voor statiegeldflessen, voor een levenslang rookverbod, voor het behoud van de Engbertsdijksvenen, voor levenslange subsidie voor toneelgroep de Appel. Nog voordat ze het zelf beseffen.

Weinig kennis, weinig eensgezindheid

De laatste observatie dan: er is veel politieke aandacht, ik zei het al. Maar weinig kennis en weinig eensgezindheid. Van dat eerste getuigt het pleidooi van minister Ploumen, die niet met lobbyisten zei te willen praten, alleen maar met organisaties en bedrijven. Alsof daar geen lobbyisten zouden zitten. Daarvan getuigde ook minister Kamp, die het bestaan van 'een baantjescarrousel' glashard ontkende. Het gebrek aan eensgezindheid sprak uit twee opeenvolgende Kamerdebatten. In het eerste zei Kamp een lobbyparagraaf onzin te vinden. In het tweede zegde Dijsselbloem een lobbyparagraaf toe.

Er worden stappen gezet. Ze gaan niet bepaald allemaal in dezelfde richting.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden