Dagboekfragment: Vloekend schrijft György Konrád zijn tekst over persvrijheid

Erik van den Berg deelt dagelijks een opmerkelijk fragment uit zijn verzameling historische dagboeken.

Het parlementsgebouw in Boedapest. Foto anp

Boedapest, 14 maart 1991

Op 14 maart gingen we naar Boedapest, met de auto, de twee jongens vielen onderweg in slaap. In Hegymagas had ik gedurende de voorgaande week mijn rede geschreven, kreunend en steunend, om niet te zeggen vloekend. Het woord te richten tot een mensenmassa is namelijk heel wat anders dan het toespreken van een eenzame lezer.

In Boedapest bleef ik 's nachts in het souterrain om de tekst in te korten. Daarna legde ik hem aan Jutka voor. 'Te lang', was het enige dat ze zei. Met andere woorden: slecht.

Tot drie uur in de ochtend was ik bezig met het indikken van mijn tekst, hij moest over persvrijheid gaan, want de regering is, naar het schijnt, van plan om beslag te leggen op de televisie, de radio en de bladen, zodat alleen nog haar eigen geluid te horen zal zijn.

Het gerucht ging dat groepen relschoppers naar de bijeenkomsten zouden komen. Ze waren inderdaad aanwezig, de organisaties van extreem-rechts, en eisten 'zuiver Hongaarse en christelijke media'. Hetgeen vertaald kan worden als: weg met de joden uit de pers!

Op het Petofiplein applaudisseerden vijftienduizend mensen voor mij, twee uur later wilden op het Vrijheidsplein zo'n honderd mensen mij te lijf gaan. Ze kwamen in een U-vormige boog om mij heen staan. 'Vertelt u eens, meneer Konrád, waarom haat u ons, Hongaren?'

György Konrád (1933), Hongaarse schrijver. Ingekort fragment uit De oude brug. Vertaling Ineke Molenkamp-Wiltink. Van Gennep, 1997.