Daar komen de schutters

Re-enactors zijn mannen met een hobby. En die hobby is ‘het levend houden van de geschiedenis’. Voor de mannen in dit verhaal beperkt de geschiedenis zich tot de Tweede Wereldoorlog....

Op de eerste koude dag van december pikken we Richard en Bram, kleumend onder het standbeeld van Frits Philips, om 6 uur ’s avonds op voor het station van Eindhoven. Bram is een 22-jarige student bosbouw in militair tenue. Richard een besnorde procesoperator van 46 met een imposante legerbepakking.

Je kunt best even schrikken van Richard, maar als je hem later aan de keukentafel zijn bretels ziet naaien, weet je beter. Nu laat hij zijn plunjebaal op een bankje zakken en zegt dat we die gerust mogen proberen op te tillen als we willen. Daarna trekt hij een donkere wenkbrauw op en draait veelbetekenend een Drum.

Eerst moeten we naar Valkenswaard, waar we Tjalf en Olaf zullen ontmoeten. Dan is het groepje re-enactors (‘rie-jen-ekters’) compleet. Onderweg legt Richard uit dat re-enactment vanuit Engeland is overgewaaid. Re-enactors proberen de geschiedenis levend te houden, daar komt het op neer. Hun clubje doet dat met de Tweede Wereldoorlog. Ze doen mee aan herdenkingsceremonieën zoals marsen en intochten en spelen af en toe veldslagen na. Richard schat dat er meer dan duizend WOII-re-enactors zijn in Nederland; elke week is er wel ergens iets te doen. Volgens Richard zijn veel re-enactors lid van meerdere groepen. Ze werken vaak samen met Engelsen, The 2nd Armored; die zijn er heel serieus in. ‘Als je met hen op pad bent, moet je het heus niet wagen om een houthakkershemd onder je uniform te dragen.’ Olaf schijnt ervan mee te kunnen praten.

Wat je verder van re-enactors kunt zeggen, zegt Richard, is dat er veel verzamelaars bij zijn. ‘Tenminste, bij ons groepje.’

Hijzelf kan, als het moet, rustig dertig soldaten aankleden. Nu heeft hij spullen voor Bram meegenomen, ‘want Bram heeft nog nooit Amerikaans gedaan, en je kunt zo’n jongen niet op kosten jagen’. Richard restaureert zijn spullen zoveel mogelijk zelf. Een bij elkaar gescharrelde en zelf opgeknapte uitrusting begint bij 500 euro, een bedrag dat kan oplopen tot het tien- of zelfs twintigvoudige, als het om zeldzame, originele uitrustingen gaat.

In Valkenswaard stappen Tjalf (25) en Olaf (39) uit een antieke legerambulance. Ze dragen een tenue met een rood kruis op de linkerbovenarm. We geven elkaar een hand en doen voor de eerste twee dagen boodschappen bij de Jan Linders. Tjalfs ambulance kan niet harder dan 85, zegt hij door het open raampje. Dus. Hij laat de sirene gillen. Zo vertrekken we in een kleine colonne naar Bastogne, waar zoals elke tweede week van december de bevrijdingsweek wordt gevierd.

Onderweg leer ik veel van Richard. Over het Ardennen-offensief, waarmee de Duitsers in 1944 probeerden Antwerpen te bereiken; over de 101st Airborne Division van het Amerikaanse leger, die ondanks de omsingeling door de Duitsers bij Bastogne stand wist te houden; over het Nuts-incident (‘Nuts’ was het antwoord van generaal McAuliffe op het Duitse ultimatum aan het 101ste om zich over te geven); en vooral over de bezetting en bevrijding van Bergen op Zoom, waarnaar Richard diepgravend onderzoek heeft gedaan.

Bij Luik rijden we verkeerd, daarna eten we een broodje bij een pompstation en komen we iedereen toevallig weer tegen. Ergens heeft re-enactment best wel wat weg van vakantie.

Na de afslag Lierneux gaat het op en neer en wordt het donker en bochtig. In het licht van de koplampen springt een ree de weg op. Hij verdwijnt aan de overkant weer in het struikgewas; het scheelde niks.

Direct na aankomst worden de militaria verdeeld en klaargelegd voor de volgende ochtend. Ze hebben het over koppelhaken en M28’s, intrigerend zijn de wanten met een trigger finger. ‘Gaat de krant morgen ook in het groen?’, vraagt Richard. Morgen is de Historic Walk van Bastogne. De vraag stellen, lijkt ons, is hem beantwoorden. Maar Richard is geen man die zich zomaar laat teleurstellen. ‘Dat staat wel leuker.’

Tjalf (rechts op de kleine foto links), die alles geregeld heeft, mag het beste bed kiezen. Hij heeft min of meer de leiding, maar hij is nog jong en bekleedt zijn positie met enige schroom. Een half jaar geleden al is hij begonnen met de organisatie voor deze week. ‘Huisvesting, vervoer, boodschappen, de kleding, vergunningen voor de wapens, heen en weer mailen met de Engelsen.’ Bovendien is hij, net als Richard, een foerier. Ze willen niet dat er iemand van hun groep in of met de verkeerde spullen loopt. Omdat Barack Obama komt, wiens vader hier gevochten heeft, zijn wapens de eerste dagen verboden in de stad. Veel re-enactors bijven om die reden weg. ‘Vorig jaar liepen we met zestig man’, moppert Richard. ‘Nu met vijf. Obama verpest de hele herdenking.’

Voor de Historic Walk gaat de wekker om 5 uur. Nodig is het niet, want Richard, die nooit meer slaapt dan vier uur per nacht, is al op. ‘Het regent zachtjes’, zegt hij in de auto. ‘Dat is mooi.’ Mooi? ‘Dan gaat het straks misschien sneeuwen.’

Vanwege het wapenverbod gaan de mannen als verplegers. Op het laatste moment moesten ze nog van alles kopen en opknappen.

Richard zegt dat hij wil voelen wat de jongens toen ook voelden, om ze eer te bewijzen. Net als de Amerikanen van het 101ste in de oorlog draagt hij suède legerschoenen. Suède houdt slecht water tegen. ‘Je voeten worden zeiknat op een gegeven moment.’

De mars (kleine foto rechts) valt niet mee: in plaats van de voorgenomen 7 baggeren we 23 kilometer door de sneeuw en blubber met een houten brancard op onze nek. Er sijpelt enige goedmoedige twijfel door over het gezichtsvermogen van de kaartlezer – Richard – maar Richard doet of hij niks hoort en heeft zo zijn bedenkingen over de bewegwijzering van de Belgische organisatie. ‘Wist je trouwens dat op het laatst van de oorlog ook doven en eenarmigen zijn ingezet?’, vraagt hij. ‘Die doven schoten op alles wat bewoog.’

Tjalf komt uit Valkenburg en ‘zit in het management van een bouwmarkt’. Olaf, uit Kerkdriel, is sinds een half jaar afgekeurd. Olaf: ‘Wat wil je als je baas denkt dat arbowet een Grieks woord is.’ Hij heeft een slechte rug, zijn ene schouder hangt een stuk lager dan de andere. Een van de redenen om mee te doen met exercities als deze is dat ze hem het idee geven dat hij nog wat kan. Met zware spullen sjouwen lukt niet, maar hij is humoristisch en weet veel, ook van godsdiensten, filosofie en Atlantis.

‘Wat dacht je van ons toen je ons voor het eerst zag?’, zal hij twee dagen later vragen.

‘Dat jullie nerds zijn die alles van de oorlog weten.’

‘En wat denk je nu?’

‘Eh... eerlijk gezegd hetzelfde.’ Olaf denkt even na. ‘Dat klopt eigenlijk wel.’

Bij Olaf is het allemaal begonnen met de aanschaf van een Willy-jeep, een vriend van Tjalf kocht een legertruck. ‘Daarna koop je een petje, en zo gaat het verder.’ Tjalf heeft inmiddels een jeep, een ambulance en een truck, en bovendien een eigen museumpje. Zoals een ornitholoog het zingen van de lijster en de merel kan onderscheiden, kan Tjalf van een kilometer afstand de M10 Wolverine en de M36 Jackson uit elkaar houden.

Langs de route van de Historic Walk zijn mitrailleurnesten nagemaakt (displays, heten die). Er staat een tank, er wordt gekookt in veldkeukens. In een medische post brengen ziekenbroeders een schreeuwende gewonde binnen, hij heeft bloed op zijn gezicht, het is goed gedaan.

‘Roep nooit tegen een ziekenbroeder ‘I am dying’’, zegt Olaf, ‘want in dat geval gaat-ie naar iemand die wél hulp nodig heeft.’

Dan ziet Olaf een bekende helm. ‘Bevalt-ie een beetje?’ Hij is gespecialiseerd in helmen, hij knapt ze op voor anderen. ‘Scheren, wassen, koken, schijten, daar kun je je helm allemaal voor gebruiken’, zegt hij. ‘Je moet alleen de volgorde een beetje in de gaten houden.’

En in tegenstelling tot wat veel mensen denken: ‘Nee, een helm is niet kogelwerend.’ Olaf heeft zelf een originele Amerikaanse helm met kogelgat.

Net als Richards opa zat ook de opa van Bram in het Nederlands verzet. Richard heeft zichzelf Duits en Gotisch geleerd, Bram leest oorlogsverslagen in het Engels, Duits, Russisch en oud-Russisch – zijn familie heeft ook een Poolse tak.

Bram praat het minst, maar luistert goed. Laatst nog heeft hij met een adjudant van de koningin een biertje gedronken. Bram, niet ontevreden: ‘Het was evengoed een heel gewone man.’

Zondagochtend 13 december, 11 uur. Vlak na de afrit Sainte-Ode op de Route Nationale 4 flikkeren blauwe zwaailichten. In de kou staan een kleine honderd mensen te wachten op Amerikaanse veteranen die hier een klein monument zullen onthullen (kleine foto hieronder). Veel mensen dragen vlaggen, sjerpen en vaandels, er klinkt stemmige muziek. De veteranen moeten al ver in de 80 zijn. ‘Ze hebben het zwaar’, zegt Richard. ‘Ze worden vaak van de ene herdenking naar de andere gebracht.’ Hij trappelt met zijn voeten en neemt af en toe een slokje Stroh-rum uit een heupflacon. ‘En ze krijgen altijd hetzelfde te eten.’ Waarom? Richard weet het niet. ‘Broodjes kaas.’

Het busje arriveert een kwartier te laat, de veteranen stappen uit, ze zijn klein en tanig. Het wordt stil, een rijtje Amerikaanse soldaten marcheert op. Ze dragen hun dunne, nette uniform voor officiële gelegenheden, blauw, met witte handschoenen en glimmend gepoetste zwarte schoenen. Vier re-enactors met vaandels lopen achter hen aan. ‘Dat mogen wij soms ook’, zegt Richard zacht. ‘Dat is een hele eer.’ De marcherende mannen stellen zich aan weerszijden van het monument in de houding op. De burgemeester van Sainte-Ode belooft het kort te houden. Hij vertelt in het Frans dat op het veld achter hem, in de nacht van 19 op 20 december 1944, het veldhospitaal van de 329ste Airborne Medische Compagnie door een Duitse eenheid werd overlopen. Na de beschietingen van de tent werden alle 132 gewonden omgebracht en de staf en het personeel krijgsgevangen gemaakt. ‘Dit monument zal ons helpen niet te vergeten aan wie wij onze vrijheid te danken hebben.’ Een ander doet de toespraak nog eens over in het Engels, de taal van Shakespeare volgens de burgemeester, de taal van Schwarzenegger zeggen Olaf en Tjalf.

Schoorvoetend stappen de veteranen naar voren om de steen te onthullen.

Na de plechtigheid blaast iemand The Last Post, een ijl trompetje is het, de klanken stijgen op en opeens breekt de grijze hemel open en schijnt de zon. ‘Het is gek, maar dat gebeurt vaak’, zegt Tjalf. Een jonge vrouw in een lange legerjas en met een roze corsage in haar haar zingt The Star Spangled Banner, a capella en glaszuiver. Misschien door de geladenheid van de plek en het kleine van de ceremonie krijgen de woorden betekenis, ze schiet er zelf van vol. Vanaf de top van de heuvel klinken saluutschoten, dan gaan we terug. Ze had opvallend kleine voetjes, de zangeres.

Zondagmiddag vieren de Bastognenaren de bevrijding (kleine foto rechts): een lange colonne historische legervoertuigen kruipt over de Place McAuliffe. ‘Eigenlijk kun je het verlies van de Duitsers in één woord samenvatten’, zegt Olaf: ‘Logistiek. De US-onderdelen waren uitwisselbaar, maar de Duitsers lieten DKW en Mercedes afzonderlijk produceren. Hun voertuigen bleven staan als ze stuk waren. Ze hadden alles, ze konden het alleen niet vervoeren.’

Een Patton-lookalike staat rechtop in een jeep. Veel truckchauffeurs zijn oudere mannen. Olaf: ‘Die hebben ze soms als kind nog binnen zien komen. Dat maakt een onuitwisbare indruk natuurlijk.’ Vanaf de kant leveren de mannen commentaar: de ene deelnemer heeft zijn camouflagekapje te laag, de badge van een ander zit te hoog. Olaf: ‘Zie je die koplampen? Dat is een CJ3. Maar even een nerd fact: er staat een jeep tussen, dat is een naoorlogse burgerkar. Die hoort hier niet thuis.’ Ze zien een Franse emmerhelm, en kijk: ‘Dat is een heel bijzondere jeep. Die heeft drie assen. Daar zijn er maar vijftig van gemaakt.’

Aan het eind van de dag kopen Bram en Tjalf een legerbroek, en Richard schaft voor Bram een paar beenkappen aan, om te lenen. De mannen zullen nog een week hier blijven.

Na terugkomst doet Tjalf telefonisch verslag. Maandag hebben ze niks gedaan. Dinsdag gingen ze naar Diekirch, waar ze met 32 Nederlanders, Tsjechen, Engelsen en Duitsers in de originele schutterputjes sliepen, voor zover dat ging door de vrieskou. Ze waren verdeeld in twee kampen, Duits en Amerikaans. ’s Avonds zijn ze overvallen door de Duitse re-enactors, op zoek naar hun sigaretten en chocola. ’s Nachts kregen ze bezoek van een Duitse veteraan, die hen toesprak en een krans legde.

Van woensdag op donderdag logeerden ze in oude barakken van het Luxemburgse leger, met ’s avonds feest in de officiersclub. Donderdag zijn ze vanuit Duitsland naar Vielsalm ‘aangelopen’, en sliepen ze op een hooizolder in Aldringen (België). Toen ze wakker werden, hadden ratten het ontbijt opgegeten. Vrijdag in Vielsam hebben ze met de burgemeester een krans en bloemen bij een monument gelegd.

‘Al met al was het een onvergetelijke week’, besluit Tjalf. ‘Dichter bij de oorlog konden we niet komen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden