Vijf vragen

Daar is-ie dan toch, de nieuwe Pensioenwet: wat verandert er voor u?

Na lang wachten heeft het parlement dan toch het wetsvoorstel Toekomst Pensioenen gekregen. De voorbereiding was de grote klus van Wouter Koolmees (D66) als minister van Sociale Zaken in het vorige kabinet. Zijn opvolger als hoeder van pensioenen en AOW, minister Carola Schouten, mag het wetsvoorstel nu door het parlement proberen te loodsen.

Gijs Herderscheê
Kampeerders zijn druk bezig met de installatie van hun caravans en voortenten, zoals hier op camping Het Groene Eiland in Appeltern (Gelderland)
 Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant
Kampeerders zijn druk bezig met de installatie van hun caravans en voortenten, zoals hier op camping Het Groene Eiland in Appeltern (Gelderland)Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Welk probleem moet dit wetsvoorstel oplossen?

Met dit voorstel wil het kabinet een reeks problemen oplossen. Drie springen eruit. Ten eerste zijn de pensioenopbouw van werkenden én de pensioenen van ouderen jarenlang niet of nauwelijks verhoogd, soms zelfs iets verlaagd. Dit kwam door de lage rente waarmee pensioenfondsen moeten rekenen. De inflatie heeft in die periode de waarde van zowel de pensioenen in opbouw (van de huidige werkenden) als die van de pensioenen van ouderen sterk verminderd.

Ten tweede: de pensioenopbouw is nu eigenlijk nog gebaseerd op veertig jaar werken bij één werkgever, terwijl dat in de praktijk allang niet meer zo is. Mensen wisselen van baan, wisselen periodes van werken in deeltijd en voltijd af en nemen soms een periode vrij.

Tot slot is het nabestaandenpensioen te onvoorspelbaar. Voor gepensioneerden is dat, als gekozen is voor partnerpensioen, meestal 70 procent van het pensioen. Maar als de partner tijdens het werkzame leven overlijdt, is het vaak onzeker of en hoeveel er wordt uitgekeerd.

Wat houdt de wet in?

Het wetsvoorstel wil drie dingen veranderen. Eén: iedereen die bij een pensioenfonds spaart voor de oude dag, krijgt voortaan de premie op een eigen rekening. Nu is er nog een ‘doorsneepremie’ waarmee de jongere indirect de oudere collega subsidieert. Dat is straks niet meer zo. Het betekent dat de ‘subsidie’ voor 45-plussers wegvalt. Zij moeten bij de overgang naar het nieuwe systeem worden gecompenseerd.

Twee: de pensioenopbouw van werkenden en de pensioenen van ouderen moeten gaan meebewegen met de beleggingsresultaten. De rente, die de afgelopen jaren zo funest was, speelt hierbij nauwelijks een rol. Om te voorkomen dat (vooral) de uitkeringen aan ouderen mee-jojoën met de financiële markten, kunnen pensioenfondsen een solidariteitsbuffer aanleggen waarmee klappen in de beleggingsresultaten kunnen worden opgevangen.

Deze twee veranderingen, de overgang naar een eigen pensioenrekening en het flexibele pensioen, heten samen de ‘dubbele transitie’.

Ten derde is er nog het nabestaandenpensioen. Voor gepensioneerden blijft dat zoals het is. Maar voor werkenden wordt het standaard een verzekering die doorloopt tijdens een verlof of werkloosheid. De verzekering biedt vanaf dag één de helft van het salaris als nabestaandenpensioen voor de partner. De partner is degene met wie een huishouden wordt gevoerd.

Dat is toch oud nieuws ?

In zekere zin wel. In 2019 sloten kabinet en vakbeweging al een akkoord over deze pensioenhervorming, in 2020 werd dat bijgesteld. Het waren akkoorden op hoofdlijnen. Sindsdien zijn die uitgewerkt in dit wetsvoorstel, dat weliswaar gedetailleerder is maar eigenlijk nog steeds over de hoofdlijnen gaat. De echte details komen in zogenoemde ‘lagere regelgeving’. Die worden ook naar het parlement gestuurd.

Het hele pak van honderden pagina’s is het afgelopen jaar voorgelegd aan adviseurs: de toezichthouders op de pensioenregelingen – de AFM en De Nederlandsche Bank – , de Raad voor de rechtspraak, het College voor de Rechten van de Mens, de Autoriteit Persoonsgegevens, de Belastingdienst, het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) en aan de Raad van State. Die adviezen zijn nu verwerkt. Ook is voortdurend overlegd met vakbeweging en werkgevers, die de pensioenfondsen besturen en de wet straks uitvoeren.

Wat gaat er nu gebeuren ?

De Tweede Kamer gaat het wetsvoorstel behandelen, daarna de Eerste Kamer. Het kabinet hoopt dat dat nog dit jaar is afgerond, zodat de Wet Toekomst Pensioenen op 1 januari 2023 van kracht is. Pensioenfondsen krijgen dan vier jaar de tijd om over te stappen op het nieuwe regime.

Of dat gaat lukken is sterk de vraag. Het gaat om enorm complexe wetgeving met grote vraagstukken. Denk aan de verdeling van de circa 1.800 miljard euro pensioenvermogen over individuele pensioenrekeningen. En aan de compensatie van de 45-plussers voor het mislopen van de indirecte subsidie bij hun pensioenopbouw. Maar ook aan de solidariteitsbuffer: hoe groot mag die zijn en wanneer wordt die ingezet? En als iemand zich misdeeld voelt, hoe kan die dan bezwaar maken? Dat moet nog allemaal nog worden uitgewerkt in lagere regelgeving. En juist bij details wordt het vaak politiek ingewikkeld.

Maar er is toch geen acute pensioencrisis meer?

De druk is inderdaad van de ketel. De pensioencrisis van de afgelopen jaren werd vooral veroorzaakt door de lage rente. Op aandringen van de Tweede Kamer besloot het kabinet al dat pensioenfondsen dit jaar de pensioenopbouw en de pensioenen al mogen verhogen als zij op een zelf te bepalen moment per euro toegezegd pensioen 1,05 euro in kas hebben. In jargon: de dekkingsgraad moet minimaal 105 procent zijn.

Bij de verlaagde norm voor de pensioenverhoging geldt wel: de fondsen die dat doen, moeten overgaan naar het nieuwe systeem. Dat legt ook druk op het parlement om dat systeem in te voeren.

Op het moment dat het kabinet dat besloot, leek het voor grote fondsen als ABP (ambtenaren) en PFZW (zorg) geen soelaas te bieden omdat hun dekkingsgraad toen nog te laag was. Maar sindsdien is de rente fors opgelopen. Als de pensioenen dit jaar op grote schaal verhoogd worden, lijkt het leed geleden en is de pensioencrisis mogelijk snel vergeten.

Als die herinnering vervaagt, is het verleidelijk af te zien van de razend ingewikkelde overgang naar een nieuw stelsel. Maar dat is volgens veruit de meeste betrokkenen geen optie. Dat zou lijken op een herhaling van de valkuil van 2006. Toen werd de huidige Pensioenwet ingevoerd waardoor de fondsen moeten rekenen met de actuele rentestand. Toen was die rente zo’n 4 procent en was het onvoorstelbaar dat die tot onder nul kon dalen. De harde les van de afgelopen jaren: de rente is onvoorspelbaar.

Dat pensioenfondsen er niettemin heel wat beter voorstaan dan een tijdje geleden, blijkt uit de melding dat veel fondsen weer aan ‘waardeoverdracht’ mogen doen; zij mogen de pensioenopbouw van werknemers die na een baanwisseling nu bij een anders fonds pensioen opbouwen, overmaken naar dat nieuwe fonds. Dat is een win-win-situatie: voor de werkende is één pensioen handiger dan een reeks kleine en voor de fondsen is de administratie van die afgesloten pensioenopbouw een last.

Maar of het parlement zich laat opjagen de wet voortvarend te behandelen en nog dit jaar goed te keuren, is de vraag. Vooral de Eerste Kamer is een onzekere factor. Daar heeft de coalitie geen meerderheid. Weliswaar hebben PvdA en GroenLinks in ruil voor concessies hun steun toegezegd, maar of dat beklijft moet blijken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden