Cursussen in duisternis

We hadden een wolf op bezoek. Mijn huisgenoot had een cheesecake gebakken. Allemaal heel genoeglijk...

Tegenwoordig is het wel tot kwart voor elf ’s avonds licht rondom het huis; daarna komen vuurvliegjes het dorp verlichten, de beeldschermen van televisies en computers flakkeren één voor één op achter de ramen, de straatlantaarns branden, en ’s nachts knetteren bliksemschichten rondom de kerktorens.

Zelfs als je slaapt zie je dwars door je oogleden heen hoe de elektriciteit het huis doet baden in een hemelvuur van wit magnesiumlicht. Het is hier eigenlijk nooit donker.

Natuurlijk was de vrouw die bij ons op bezoek kwam niet echt een wolf, want ze sprak Nederlands en ze liep gewoon rond op twee benen. Maar ze was ooit in de Verenigde Staten bij indianen in de leer geweest, en van hen had ze een wolvennaam gekregen, teken van kracht en intelligentie, bescherming tegen gevaar.

Vatbaar als ik ben voor romantiek, natuurromantiek, droomde ik aangenaam weg bij de gedachte aan wolven. Ik schrok pas weer op toen de vrouw vertelde dat ze ooit zes weken lang in het donker had geleefd.

Het donker! Uren later lag ik nog wakker in bed, het bezoek was al lang weer verdwenen, en ik dacht aan het donker. Terwijl buiten het blitzlicht zonder ophouden langs de hemel sproeide, een spervuur van vonken, alsof een heidense god een handvol bliksemlichtpoeder over het dorp had uitgestrooid, en terwijl achter alle ramen in onze straat breedbeeldtelevisies de moderne verlichting brachten van frisse, vrije meningen en doorwrochte opinies, lag ik in bed en verlangde naar volstrekte duisternis. Een deken over mijn hoofd.

Vroeger, heb ik wel eens gelezen, was de nacht aardedonker. Indianen gebruikten hooguit een paar dode vissen als lamp. Scandinaviërs gebruikten stormvogels en alken: met hun voeten in de klei en een lont in hun buik moesten de dode vogels orde scheppen in de chaos van de grote nacht die hen omringde. Dat waren nog eens tijden, toen de mensen ’s nachts in wolven veranderden en de geest vrij was om te zien wat hij maar wilde zien.

Deze diepdonkere nacht verdween vijf eeuwen geleden uit Europa. De eerste straatlantaarns verschenen al aan het begin van de 15de eeuw; simpele lampen waren dat nog, die bewoners buiten aan hun huizen hingen. Maar in de 17de eeuw werd het project van de straatverlichting collectief aangepakt, Lodewijk de Veertiende bemoeide zich er persoonlijk mee, en rond 1700 brandden er 6.500 lantaarns in Parijs. In 1809 kwamen de gaslampen en in 1882 werd op straat het elektrische licht aangeknipt.

Sinds dat moment lijden we hier aan lichthinder.

In bed lag ik met mijn ogen wijd open, het dekbed over mijn hoofd, en ik probeerde me voor te stellen hoe het zou zijn om zes weken lang in het stikdonker te leven, de ‘Dark Retreat’, waarover de wolvenvrouw had verteld. Omdat ik toch niet kon slapen, stapte ik uit bed, en knipte de computer aan. Op zoek naar cursussen in duisternis.

‘Lang voordat de elektriciteit ons de hele nacht wakker hield’, las ik, ‘trokken mystici en zieners in veel spirituele tradities zich voor langere tijd terug in letterlijke, totale, duisternis, om hun zintuigen te scherpen, helderheid te verkrijgen en werelden te zien voorbij het gewone zicht. De profeten van het Oude Testament voerden zulke rituelen uit, de terugkeer tot het donker, en ook Griekse filosofen als Parmenides en Pythagoras.’

Tegenwoordig, las ik verder, kun je vooral in boeddhistische omgevingen beginnen aan zo’n terugkeer tot het donker. Je leeft in totale duisternis, krijgt je eten aangereikt in knoeivrije verpakkingen en concentreert je verder op wat komen gaat. Meestal zie je al na enkele dagen het licht verschijnen dat je eigen lichaam uitstraalt. Wetenschappers hebben aangetoond dat het lichaam bovendien dimethyltryptamine aanmaakt, waardoor je intense visioenen krijgt, schitterende regenbogen, fluorescenties, Bengaalse lichten, zoete, bedwelmende geuren, ongekende sensaties en mysteries.

Het is niet verstandig, dat begreep ik ook wel, zonder enige voorbereiding en op eigen houtje aan zo’n inkeer te beginnen. Drie dagen is bovendien al heel mooi, voor wie niet gewend is serieus met zichzelf te verkeren, alleen de grote heiligen hielden het vroeger soms tientallen jaren in hun donkere grotten vol.

Verveeld raak je overigens niet in het donker, zeggen de deskundigen. Want verveling komt voort uit behoefte aan stimulatie, de constante ‘mental chatter’, het innerlijke gebabbel dat aanzet tot opinies over alles. Zodra je tot inkeer komt, vervalt dat geleuter en die verschrikkelijkegeopinieerdheid.

Ik deed de computer uit, ging terug naar bed, keek voor me uit in het nachtduister en wachtte. Natuurlijk zou ik zo snel nog geen licht uitstralen, en ook voor mysteries was het nog te vroeg, maar ik moest ergens beginnen. Na langdurig verblijf in het donker, had ik gelezen, kom je naar buiten met nieuwe ogen; dan is het rood in de wereld niet simpelweg rood, maar scharlaken, karmozijn en purper,het blauw is pauwblauw, prinsessenblauw, en alles is vers en van stof ontdaan.

Om straks ook zulke ogen te krijgen, trok ik het dekbed nog vaster over mijn hoofd en probeerde heel hard aan niets te denken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden