Culinaire parade De Pijp

NERGENS ZO VEEL 'BUITENLANDSE' EETHUISJES ALS RONDOM DE AMSTERDAMSE ALBERT CUYP. EEN UITGEBREIDE VERKENNING...

Je loopt vanaf de Amsterdamse Ruysdaelkade de Albert Cuypstraat in en je weet binnen 150 meter dat het moeilijk tellen wordt, het aantal buitenlandse eethuisjes op de piepkleine oppervlakte rondom de Albert Cuyp (wij komen uiteindelijk tot meer dan zestig). En dan nog de grote variëteit aan smaken. Nauwelijks begonnen en nu al genoteerd: Chinees-Indisch-Surinaams, Turks, Turks-Koerdisch en Koerdisch, Indiaas, Chinees en Chinees-Surinaams, waarvan sommige meerdere malen. En speciaal te vermelden: Cambodja City, en niet alleen vanwege de kippensoep vooraf.

De vooronderstelling was: de Albert Cuyp-buurt of, wat breder, de Noord-Pijp, is een oase in multicultureel dramaland. Het is er gemakkelijk om voorbij te gaan aan de realiteit in vele wijken in de grote steden, waar aan het beeld van achterstand, (dreigende) gettovorming, criminaliteit en falende integratie moeilijk te ontkomen valt. In de Noord-Pijp zou je, als je de stelling aanhangt dat de multiculturele samenleving verrijkend is, kunnen wijzen op de grote verscheidenheid aan uitheemse restaurants en eethuisjes. De Albert Cuyp-buurt dus als etalage van het multiculturele ideaal.

Het beeld klopt ten dele. Nergens in Nederland is er in zo'n klein gebied zo'n groot aantal 'buitenlandse' eetgelegenheden met zo'n grote verscheidenheid (wij tellen, afgezien van de Nederlandse, 21 nationaliteiten). Overigens telt de Pijp 144 nationaliteiten, op een bevolking van 35 duizend.

Maar met de allochtone bewoners van de Pijp gaat het niet per se goed omdat er zo veel buitenlandse eethuisjes zijn. En andersom: veel restaurantjes floreren nu juist dankzij de Nederlandse middenklasse die in toenemende mate de voormalige volksbuurt ontdekt. Dat wil ook zeggen dat het percentage allochtone bewoners daalt (nu zo'n 30 procent).

'Wij moeten het van de Nederlanders hebben', zegt Simon Brawn, eigenaar van het Libanese restaurant Artist. 'Je hebt hier nauwelijks Libanezen. En Arabieren gaan zelden zomaar een avondje uit eten. Wij merken aan de klandizie dat het nu goed gaat in deze buurt. En de Albert Cuyp trekt natuurlijk ook veel mensen van buiten. Steeds meer toeristen ontdekken de wijk.'

De eigenaar van het Assyrische eethuis ('het enige in Nederland') Eufraat is al even positief. 'Er wordt geïnvesteerd in deze wijk en dat zie je. Wij hebben veel klanten die van buiten Amsterdam naar hier komen. Om te eten, maar ook vanwege de buurt. Onze klandizie is bijna 100 procent Nederlands. Ik schat dat de helft daarvan joods is, want de Assyrische keuken is koosjer en sluit aan bij de Israelische keuken.' Dat er steeds meer concurrentie komt deert hem niet. 'Het zit hier altijd vol.' Zo denkt ook Ali Geng, eigenaar van restaurant Koerdistan, erover. 'Een tuin met één bloem is niks. Maar een tuin met honderd bloemen is prachtig. Toen wij hier acht jaar geleden kwamen, waren we bijna het enige restaurant. En dus was er nauwelijks werk. Nu zijn er veel restaurants en is er veel werk. Dus: hoe meer concurrentie hoe beter.'

Het waren de Surinamers die de Albert Cuyp-buurt in de jaren zeventig ontdekten als ideale vestigingsplaats voor eethuisjes en afhaalrestaurantjes. Goedkoop en vlakbij de levendige markt waar toen al veel Surinamers kwamen. Dat de Surinaamse ondernemers zijn geworteld in de buurt is te zien aan de vele goedlopende eettentjes, waarvan sommige inmiddels een begrip zijn. Zoals de Surinaams-Javaanse Warung Marlon in de Eerste Van der Helststraat, maar ook het Chinees-Indisch-Surinaamse Mok Sam in de Albert Cuypstraat.

Na de Surinamers kwamen de Spanjaarden, de Turken, de Marok ka nen en vele andere nationaliteiten. 'Voor etnische ondernemers is de Albert Cuyp een begrip', weet Willeke Hiskemuller, beleidsmedewerker economie van het stadsdeel Zuid. 'De Albert Cuyp, dat is vaak het eerste wat ze horen, eenmaal in Nederland. De Pijp heeft sowieso een recordaantal horecabedrijven. Landelijk zijn er 40 duizend vergunningen. In de Pijp zijn er 350. Dat is bijna 1 procent. Het aardige is dat de eigendomsverhoudingen gemengd zijn. Geen enkele groep heeft exclusiviteit. Dat geldt ook voor het publiek; iedereen voelt zich hier thuis.'

Maar zo makkelijk als het lijkt om een horecazaak te openen, zo moeilijk is het om vervolgens te overleven. Het verloop is groot. Loop twee keer binnen een maand door de buurt en de lijst eettentjes, shoarmazaken, toko's en restaurantjes behoeft alweer bijstelling. Zo is het Marokkaanse eethuis Fassi in de Daniel Stalperstraat onlangs plots gesloten en ging er ook een streep door Zorba de Griek in de Gerard Doustraat. Daar verkoopt de nieuwe Marokkaanse eigenaar nu, onder de naam La Parra, Spaanse tapas. En vele shoarma- en broodjeszaken gaan ten onder aan het gebrek aan professionaliteit of omdat ze meer van hetzelfde verkopen. Willeke Hiskemuller: 'Het is moeilijk om iets te verzinnen wat er nog niet is in de Pijp.'

Geruchten over horecagelegenheden die slechts dienen om zwart geld wit te wassen (en dus van hand tot hand gaan) doen al jaren de ronde en Nederlandse ondernemers willen nogal eens klagen over valse concurrentie vanwege vermeende steunfraude. Dat laatste komt in ieder geval voor, erkent Hiskemuller. Een uitvloeisel, zo meent ze, van het ontbreken van professionaliteit die ook geregeld tot de ondergang van bedrijfjes leidt. 'Etnische ondernemers gaan anders met geld om, investeren anders. Ze vermijden de bank. Vaak lenen ze in eigen familiekring. Dat schept verplichtingen en afhankelijkheidsverbanden. Het is ook een belemmering om echt te groeien. Soms eet de familie zelf in de zaak en ook de minder geslaagde neef met een uitkering kan er komen werken. Dat is geen goede basis om te overleven.'

Aan de andere kant: de formule van het familiebedrijf is, als het gepaard gaat met een zeker zakeninstinct, vaak juist de basis voor succes. Zo staat Jan Redjopawiko, eigenaar van Warung Marlon, al 's ochtends om half acht in de keuken met zijn zwager, zijn dochter en andere familieleden treden 's avonds aan voor de verkoop en de bediening.

Ondertussen gaat het zo goed in de (Noord)-Pijp dat (Neder landse) wijnproeverijen en designrestaurants, naar het schijnt, de roti en de falafel dreigen te verdringen. Maar daar merken we vooralsnog niets van tijdens onze culinaire verkenning van de buurt. Na een weekje moksie metie, mousaka, Vietnamese gemberkip, Cambod jaanse gor en Thaise krab, en niet te vergeten de lebneh, de linzensoep, de dolma, de pom, de calamares en de baklava was er maar een conclusie mogelijk: het kost nog een maand om ook de rest te proberen. De prijskwaliteitsverhouding zal daarbij geen beletsel zijn; die is bijna zonder uitzondering erg sympathiek. Verder is niet alles wat het lijkt: een volgens de juiste folkloristische beginselen vormgegeven interieur is geen garantie voor een smakelijke maaltijd. En andersom: een sobere inrichting gaat, zeker in Surinaamse eetgelegenheden, vaak gepaard met een hoogstaande keuken.

De vraag is nu: waar moet u naartoe? Nou ja, naar de Cambodjaan, de Tibetaan, de Thai, de Surinamer en de Koerd, maar ook naar de Libanees, de Assyriër en de Spanjaard, en natuurlijk naar de Turk en nog een Surinamer, naar de Mexicaan, de Kameroenees, de Chinees en de Japanner, wellicht nog naar de Portugees of de Marokkaan, en verdomd... nu zijn we toch nog wat vergeten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.