Cubaans ritme in de Hollandse ring

Op hem heeft het Nederlandse boksen zijn hoop gevestigd. Ismael Salas, Cubaan, de man achter vele olympische en wereldkampioenen, bereidt onze jongens voor op de Spelen van Athene....

tekst Johan Faber

'A bajo! Mas rapido, that's right, that's boxing.'

Daar staat hij, aan de rand van de verhoogde ring, de vloer ter hoogte van zijn platte boksersgelaat: een kleine, donkere, gedrongen man met forse schouders, eenvoudig gekleed in sportschoenen, een trainingsbroek en een T-shirt met een portret van de jonge Bep van Klaveren. Met zijn zwaar behaarde onderarmen leunt hij op het canvas. De opvallende, donkere kraalogen zijn gericht op Husnu Kocabas, zijn pupil, de lichtgewicht uit Den Bosch die straks op de Spelen in Athene voor Nederland moet uitkomen, spart tegen een Franse jongen die Boulakaas heet. Doffe klappen echodoor de trainingszaal. Kocabas valt aan, Boulakaas countert met zijn lange armen. Beide boksers snuiven hevig.

'From left to right, keep moving!'

'Eso es Husnu, that's it, that's boxing!'

Hoe vaak heeft Ismael Salas zo ingespannen, zo vol overgave, naar een sparringpartij gekeken, korte commando's afvurend in een mengeling van Engels en Spaans? Duizenden keren. Hij heeft jongens van 8, 9 jaar getraind, beginnelingen die nauwelijks weten met welk been ze moeten instappen, maar ook kampioenen.

Hij werkte overal: in Guantanamo, Pyong yang, Mexico City, Las Vegas, Bang kok. Nu is hij in een voorstadje van Parijs, in een enorm sportcomplex met onder meer een wielerbaan, een atletiekbaan, tennisvelden, voet balvelden en een bokszaal met drie ringen. Samen met Kocabas en halfzwaargewicht Wendell Roche is Salas, als coach van de Nederlandse boksbond, te gast bij de Fran se Olympische selectie. 'Left to right, keep moving Husnu!'

Zwaargebouwd

Vincennes heet het voorstadje, maar de plek doet er eigenlijk nauwelijks toe, want waar Ismael Salas zich ook bevindt, het decor is altijd vertrouwd. De trainingszaal, als nieuw. De heavy bags, bungelend aan zware kettingen. De ring, de rafelige touwen. En de boksers natuurlijk, een gevarieerd gezelschap van een man of twintig. Salas slaat het tafereel met tevredenheid gade. Hij ziet een grofgebouwde zwaargewicht van Algerijnse afkomst, lange, afgetrainde negers en ook een blonde, pezige jongen, fel en mager als een wilde kat, een wereldkampioen bij de amateurs. Ze schaduwboksen, maken grappen, er is een enkeling die touwtje springt. Kocabas en Roche gaan moeiteloos op in het tableau.

Zo moet het zijn, denkt Salas. In een groep kunnen ze elkaar motiveren. Verveling is de grootste vijand van de bokser die zich voorbereid op een gevecht.

Hij trekt zijn trainingsjack aan. Het jack met 'Nederland' in witte blokletters op de rug. Dit is zijn leven: al twintig jaar een lange aaneenschakeling van hotelkamers en trainingszalen. Zijn gezin een Thaise vrouw en drie kinderen woont in Bangkok, maar zijn thuis is hier, aan de rand van een boksring.

Ismael Salas is pas 46, maar hij lijkt al meer dan een mensenleven achter zich te hebben. Zijn grootvader was een Amerikaan van Siciliaanse komaf, die bij de us Navy in Guan tanamo Bay was gelegerd, en de leeftijd van 113 jaar bereikte.

Als trainer van de Olympische boksploeg van Noord-Korea werd hij verliefd op een Chinese danseres, maar de Koreanen verboden de relatie.

Met zijn eerste vrouw in Cuba kreeg hij een zoon die nu 30 is, en in Las Vegas woont. Zijn ouders leven in New Jersey.

Op zijn hotelkamer in Pyongyang ontdekte hij hoe hij een Zuid-Koreaans radiostation kon ontvangen. De Koreanen pakten de radio af.

In Pakistan sloeg hij een bokser die herhaalde keren te laat kwam op de training van een trap af. Een collega leende hem een revolver, want de familieleden waren zo razend dat ze Salas wilde vermoorden. 'Die Pa ki stanen zijn gek', zegt Salas.

Guantanamo

Salas is al veertien jaar niet op Cuba geweest. Hij lacht. Ze kunnen hem verbieden naar zijn land te reizen, maar ze kunnen hem gelukkig niet verbieden dat hij zich nog altijd Cubaan voelt. Ik ben een guajiro, zegt hij; een boer, een jongen van het platteland. Guajiro, zo noemen ze in Havana de inwoners van het oosten van Cuba. Hij praat over Guan tana mo, zonder dat zijn stem ook maar een spoortje heimwee verraadt. Dat is het leven, zegt hij. Je kiest ergens voor, en dan is er geen weg meer terug.

Op Cuba hoorde vechten bij het leven van een opgroeiende jongen. Na het partijtje honkbal van de ene buurt tegen de andere ging je steevast met elkaar op de vuist. Op straat word het vechtershart gekweekt. Is ma el was 9 toen hij een kijkje ging nemen in de trainingszaal vlakbij zijn huis. Hij trok voor het eerst bokshandschoenen aan, een vage opwinding trok door zijn lichaam.

Salas werd opgeleid in de traditie van Gu antanamo, waar de nadruk ligt op techniek, voetenwerk en de counterpunch. Elke Cubaanse bokser leert permanent in beweging te zijn, een ritme te ontwikkelen, van links naar rechts en van voren naar achteren zodat hij bijna niet te raken is. Die filosofie draagt Ismael Salas nog altijd over op zijn boksers: ritme, beweging, counterpunch.

Toen hij 16 was, voorspelde zijn trainer een analfabeet, maar een van de beste coaches die Salas heeft gekend dat hij een grote toekomst voor zich had. Pas later zou Ismael begrijpen wat de man bedoelde. On der tussen begon hij zich voor te bereiden op een leven als sportleraar. De jonge Salas nam het boksen steeds serieuzer; hij verdiepte zich in de theorie, las vertalingen van Rus sische boksliteratuur en schreef zich in bij de academie voor lichamelijke opvoeding in Santiago de Cuba. Zijn toekomst lag in de bokssport, niet als bokser maar als trainer.

Dansen

Salas in de ring met Kocabas. Hun blikken kruisen elkaar. Als hij Kocabas op de paddings laat slaan, gloeien zijn ogen van pure concentratie. Ze lijken elkaar blindelings te begrijpen, de trainer en de pupil. Korte combinaties volgen elkaar in een duizelingwekkend tempo op; links, rechts, opstoot, hoek, direct, het is alsof ze een van tevoren ingestudeerde dans uitvoeren.

Dansen, ja, Hus nu leert dansen, want hij staat nu nog te vast aan de grond. Als hij zijn voeten iets dichter bij elkaar zet, kan hij sneller uitwijken en met de klok mee om zijn tegenstander draaien. In de voeten begint het boksen. Maar ingesleten gewoonten verdwijnen maar langzaam.

'Left to right, Husnu, keep moving!'

Salas kijkt streng. Weer een combinatie op de paddings.

'Uh-uh-uh-UH!'

En nog een.

'Uh-uh-UH!'

Telkens als hij zijn rechtse directe eruit gooit, slaakt Kocabas een kreet van inspanning. Dan, als Husnu's concentratie even verslapt, geeft Salas hem een tikje tegen zijn ribben, terwijl er een ondeugend lachje over zijn gezicht glijdt. Kocabas lacht terug.

Husnu heeft het hart van een echte bokser, zegt Salas na de trainingssessie. D t is zijn grootste kwaliteit. Het was hem die eerste keer al opgevallen, in Bangkok, vorig jaar. Salas trainde toen nog de Thaise selectie, en Kocabas was op stage in Thailand met zijn Nederlandse coach en mentor Hennie Man de maker. Zo werd het eerste contact gelegd tussen Nederland en Salas.

El seproblemas, noemden ze hem op de academie. Salas was een driftige jongeman met een impulsief karakter, die snel in ruzies verzeild raakte. Hij hield van dansen en drinken, en van mooie vrouwen om zich heen. In tegenstelling tot de meesten van zijn collega-boksers, kwam hij niet uit een arm gezin. Zijn vader werkte als ingenieur voor de Amerikanen op Guantanamo Bay. Ismael droeg Amerikaanse spijkerbroeken en had altijd geld om zijn vrienden te trakteren.

Toen hij, vers van de academie, als twintigjarige werd benoemd tot hoofdtrainer van de provincie Guantanamo, nam zijn leven een serieuze wending. Salas was jonger dan veel van de boksers die hij onder zijn hoede had, en die verantwoordelijkheid woog zwaar. Hij wilde het goede voorbeeld geven, maakte er een gewoonte van om elke dag tussen vier en vijf op te staan. Zijn sterke karakter gaf hem een natuurlijk overwicht. Maar hij is geen dictator. 'Ik heb mijn boksers altijd als mensen behandeld. Ze zijn jong, ze houden van dansen en van vrouwen, en dat ga ik niet onderdrukken. Ze mogen veel, als ze zich op de training maar verantwoordelijk gedragen.'

Talloze kampioenen leverde zijn school af, bokslegenden als Joel Casamayor en Felix Savon. Het Cubaanse sportsysteem was toentertijd de trots van het regime, en Salas werd regelmatig op reis gestuurd om gasttrainingen te geven in Noorden Zuid-Amerika, en ook in de socialistische broederstaten van Oost-Europa.

Een meewarige blik. 'De goede landen waren de kapitalistische landen, dat wist iedereen. Als je daar had gewerkt kon je bij terugkeer iets voor je familie meenemen. Als je naar een socialistisch land werd gestuurd, kwam je armer terug dan je er naartoe ging.'

Soms had Salas pech. In 1986 werd hij naar Pyongyang gestuurd, om de Noord Koreaanse boksers voor te bereiden op de Olym pische Spelen van Seoul. Hij huivert nog altijd bij de herinnering. Twee jaar lang werkte hij in een onverwarmde trainingszaal, terwijl het buiten soms 30 graden vroor, uiteindelijk boycotte Noord-Korea de Spelen van Seoul. Salas keerde terug naar Cuba.

Hartslagmeters

In de trainingszaal in Vincennes hebben Salas en de Franse coach een geanimeerd gesprek. Salas legt met veel handgebaren uit dat hij zijn boksers zelfs tijdens de partijen met hartslagmeters uitrust. Zo kan hij achteraf precies zien hoe ze de inspanningen verwerken. De Fransman knikt.

Salas is altijd enthousiast over nieuwe methoden; sport is in zijn beleving voor een groot deel denkwerk. Op papier tekent hij een eigen vinding die hij sbc (Salas Balance Control) noemt, en waarbij de ledematen van de bokser door veren met elkaar zijn verbonden. Zo dwing je hem om altijd naar de goede positie terug te keren, zegt hij. Elke ochtend meet hij met een hartslagmeter hoe Kocabas en Roche er fysiek voorstaan, zodat hij de trainingsintensiteit kan aanpassen.

Een paar jaar na het Koreaanse avontuur werd Salas naar Pakistan gestuurd. Noord-Korea was een slecht land, maar het islamitische Pakistan was nog erger: geen muziek, geen vrouwen, geen goede hotels, niets. Met de Pakistaanse boksploeg zou Salas uiteindelijk deelnemen aan de Spelen van Barcelona van 1992, maar toen vond hij dat hij inmiddels genoeg had gedaan in naam van Castro's 'Olympische solidariteit'.

In Thailand had hij een vrouw ontmoet, en hij kon in dat land aan de slag als trainer van Thaise profboksers. Cuba wilde hem echter niet laten gaan. Het land had Salas nodig. Ja, dacht Salas, het land heeft me nodig om me naar de volgende negorij te sturen. Hij besloot om niet meer terug te keren naar Guantanamo, en vestigde zich in Bangkok.

Olympische Spelen

Pas in het profboksen ontdekte Ismael Salas zijn ware potentieel. Hij leverde een handvol Thaise wereldkampioenen af, werd in 1996 verkozen tot coach van het jaar door de internationale boksbond wba, en werkte vervolgens jarenlang in Japan, afgewisseld met incidentele klussen in de casino's van Las Vegas. Terug in Thailand werd hij gevraagd om de Thaise boksers voor te bereiden op de Spelen van Athene. Maar Salas kwam in moeilijkheden met de Thaise boksbond.

Het aanbod van de Nederlandse boksbond kwam dan ook als geroepen. Holanda? Hij was er nog nooit geweest, maar hij was ook nog nooit teruggeschrokken voor het onbekende. Hij woont nu tijdelijk in een appartement in Den Bosch, en is als 'bondscoach' min of meer de privrainer van Hus nu Kocabas, in het dagelijks leven wachtmeester bij de marechaussee. Als het meezit, zal Kocabas zich samen met Wendell Roche en middengewicht Dimitri Serdjoek kwalificeren voor Athene. Het zou betekenen dat er voor het eerst sinds 1992 weer Nederlandse boksers op de Spelen aanwezig zijn.

In het nieuwe, onbekende land wordt Sa las, de beroemde trainer, de ontdekker van drievoudig Olympisch kampioen Savon, als een trofee van de ene gasttraining naar de andere gesleept. De ene dag geven hij en Ko cabas een demonstratie met de paddings op een diploma-uitreiking van de marechaussee in Vught, de volgende dag is er een clinic met mariniers van de Van Ghent kazerne in Rot terdam en de dag daarop wordt hij alweer verwacht in boksschool Hoboken in Rotter dam, om te trainen met een selectie van talentvolle jongens en meisjes uit het hele land.

Salas, immer gekleed in het trainingspak van de Nederlandse boksbond, laat de beleefdheden en de bewonderende blikken vriendelijk over zich heen komen. Zijn boodschap blijft overal hetzelfde. Terug naar de basis. Ook de grote Cubaanse kampioenen begonnen elke training met het zoeken van de goede balans. Want het boksen begint in de voeten, doceert Salas in zijn vlotte En gels. Wie niet goed staat, kan nooit goed stoten en bewegen.

Hij kijkt zijn pupillen aan: potige mariniers in de Van Ghentkazerne, het roodharige jongetje in Hoboken, met de te grote handschoenen. De ogen van de guajiro fonkelen.

Elegantie

In de auto; het Noord-Franse landschap trekt voorbij. Ismael Salas kijkt naar buiten. Hij heeft een droom, vertelt hij. Maar die droom is niet de Spelen. Ach, Olympische boksen. Vier keer een ronde van twee minuten, dat is geen boksen meer, dat is een nerveus gevecht om punten. Met die telling van tegenwoordig proberen ze elkaar alleen nog maar zo vaak mogelijk te raken. Hoe en waar, dat maakt nauwelijks wat uit. Waar is de elegantie van de Cubaanse school, waar is de techniek?

Nederland, het is hem tot nu toe vooral opgevallen dat het er vaak regent en dat het er koud is, maar dat vindt hij niet erg. Wel vraagt hij zich af of Nederland hem kan bieden wat hij voor ogen heeft: een nationaal trainingscentrum, waar de beste boksers van het land samenkomen. Salas is niet een coach voor de shocktherapie. Er is structuur nodig, herhaalt hij telkens weer. Alleen op die manier kun je iets van de grond krijgen.

Dit is zijn droom: een eigen boksschool. Een plek waar je dagelijks in alle rust kunt trainen, en waar je elkaar motiveert tot grootse prestaties. Waar de boksers en de trainer tot een ondeelbare eenheid worden gesmeed. Een plek met een ring en een paar heavy bags. Een plek die je thuis noemt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden