CRISIS IN DE GROTE ZAAL

Afgelopen week gelastte het Zuidelijk Toneel een mislukte voorstelling af. Een unicum. Maar ook symptomatisch voor het Nederlandse grote zaaltoneel: te veel te vaak middelmatige producties....

Het theaterseizoen 2006-2007 is inmiddels al halverwege, een aantal grote premières van het gesubsidieerde toneel is achter de rug, maar het heeft tot nu toe vooral slechte en middelmatige voorstellingen opgeleverd.

Om er een paar te noemen: Richard III van het Ro Theater (in regie van de Duitse ‘belofte’ Andreas Kriegenburg), Closer van het Nationale Toneel (tv-sterrentoneel dat geen theater werd) en Alexander door Het Toneel Speelt (bordkartonnen toneeltekst van Willem Jan Otten). Ook De Hemel boven Berlijn (Toneelgroep Amsterdam, regie Ola Mafaalani) en Oresteia (Toneelgroep Amsterdam/NTGent, regie Johan Simons) voldeden niet aan de hooggespannen verwachtingen.

Dieptepunt van het seizoen tot nu toe is het afgelasten, afgelopen week, van de voorstelling Breekbaar van het Zuidelijk Toneel. Dit nieuwe stuk van Frans Strijards bleek niet aan de kwaliteitseisen te voldoen, waarop het gezelschap besloot het stuk halverwege de tournee van het repertoire te nemen. Ongekend in het Nederlandse theater. En zuur voor iedereen: spelers, regisseur, schrijver, en ook het publiek.

Daar staat dan tegenover dat er gelukkig af en toe nog wel een bijzondere toneelproductie langs komt, zoals afgelopen zaterdag in de Rotterdamse Schouwburg: Mefisto for ever, een nieuw stuk van Tom Lanoye, gespeeld door het Toneelhuis uit Antwerpen. Prachtstuk, prachtspelers (excellerende Dirk Roofthooft), virtuoze regie (Guy Cassiers). Maar slechts een matig gevulde zaal. Het publiek komt kennelijk zijn huis niet meer uit voor dit soort toneel, dat vernieuwend is en ook nog eens ergens over gaat.

De conclusie kan niet anders luiden dan dat het behoorlijk mis dreigt te gaan met het gesubsidieerde theater in de grote zaal. Aan de ene kant al die artistieke tegenvallers, aan de andere kant dat publiek dat kennelijk niet echt in toneel is geïnteresseerd.

Het gaat hier niet om een aantal terloopse incidenten, want dat wegblijvende publiek, mopperende schouwburgdirecteuren en een te groot aantal niet gelukte voorstellingen dateren niet van vandaag of gisteren.

Al jaren horen we dezelfde geluiden: het publiek laat het steeds vaker afweten, schouwburgen programmeren steeds minder ‘moeilijk’ toneel, durven steeds minder risico’s te nemen. Cabaret is in, musicals zijn populair, amusement scoort, oppervlakkigheid is troef. Nee, dan liever een leuk blijspel of een stuk met Anne-Wil Blankers of John Kraaijkamp. Dat verkoopt tenminste. En theater is een kunstvorm die hoe dan ook publiek nodig heeft.

Er is een onderliggende reden voor de crisis in het grote zaal-toneel: het inmiddels achterhaalde toneelbestel. Dat piepende en knarsende bestel is een hindernis voor beter theater in Nederland.

Al sinds de jaren vijftig is door de overheid bepaald dat het gesubsidieerde toneel in Nederland verdeeld moet worden over zes steden waar zogenoemde toneelvoorzieningen zijn gerealiseerd. Uiteraard zijn dat de Randstadsteden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Maar vanwege de ideologische cultuurspreiding werd destijds besloten dat ook Groningen, Arnhem en Eindhoven toneelsteden moesten worden. Daar werden gezelschappen opgericht die voornamelijk reisproducties maakten, voorstellingen die door het land toerden van Groningen naar Maastricht en kriskras weer terug. De moderne theaterpraktijk schuurt inmiddels behoorlijk met dat oude bestel. Want de meeste theatermakers van nu hebben helemaal geen behoefte aan grote zalen. En evenmin aan grote reisvoorstellingen. De theatervoorzieningen in Groningen en Arnhem bijvoorbeeld, die worden geleid door een jongere generatie (respectievelijk Koos Terpstra en Rob Ligthert), spelen het liefst in eigen stad, voor hun eigen publiek, in kleinere vlakke-vloertheaters.

In de Randstad bespelen Toneelgroep Amsterdam, Ro Theater en Nationale Toneel wél hun eigen grote stadschouwburgen en brengen daar producties uit, die later op reis gaan. Met meer of minder succes: van sommige voorstellingen van Toneelgroep Amsterdam zijn de kaartjes niet aan te slepen, maar Ro Theater en Nationale Toneel moeten doorgaans meer moeite doen om op tournee de zalen vol te krijgen.

Een ander groot probleem voor de toekomst is dat de laatste jaren de klad gekomen is in een gezonde doorstroming in het theater. Gaandeweg heeft zich een kopgroep gevormd van grote theatermakers die steeds meer internationale ambitie vertonen. Ivo van Hove (Toneelgroep Amsterdam), Alize Zandwijk (Ro Theater), Theu Boermans (Theatercompagnie) en Johan Simons (NTGent) leiden hun eigen club en vliegen daarnaast heen en weer tussen hun standplaats en, om maar een paar buitenplaatsen te noemen, Berlijn, Hamburg, München, Wenen, New York, Parijs.

Onder die toplaag is er nog geen sprake van opvolging, van talent dat klaar staat om de grote zaal te bespelen. De meeste jongere regisseurs willen dat dus ook helemaal niet. Toen Ivo van Hove dit probleem eerder dit jaar in zijn toespraak ‘De Staat van het Theater’ benoemde, kreeg hij van allerlei kanten te horen dat veel makers het helemaal niet als een ideaal zien om door te groeien naar de grote zaal. Dat ze liever met eigen groepen en groepjes, in zelfgekozen omstandigheden, theater willen maken zonder de druk van publieksbereik, educatieve diensten en marketingmodellen.

Dit nijpende gebrek aan nieuwe regisseurs, die ook artistieke verantwoordelijkheid willen nemen, zal straks behoorlijk opspelen als de huidige gezelschappen in Groningen en Arnhem het voor gezien houden. Zowel Koos Terpstra als Rob Ligthert stoppen aan het eind van het lopende Kunstenplan. In hun eigen stad en regio hebben zij weliswaar een gezond theaterklimaat gecreëerd, maar aan een bijdrage aan een levendig en succesvol repertoire voor de grote zaal zijn ze niet echt toegekomen.

Wie worden straks hun opvolgers? – dat is nu al de grote vraag. Is Eric de Vroedt al toe aan een eigen gezelschap in Arnhem, of Marcus Azzini wellicht? En is Groningen misschien iets voor het (echt)paar Ola Mafaalani/Ko van den Bosch? Dat laatste is misschien een redelijke optie, maar je moet er niet aan denken dat een talentvolle en bevlogen jonge maker als Eric de Vroedt zich nu al moet verstoppen achter een berg beleidsnotities over functieplaatsen en loontabellen.

De kloof die gaapt tussen de toptheatermakers en de talentvolle makers daaronder, die geen ambitie hebben om de grote zaal te bespelen, zal alleen maar groter worden. Guy Cassiers is al weg bij het Ro Theater en zetelt inmiddels in België. Wie weet kiest Simons over twee jaar wel helemaal voor Duitsland, en Van Hove voor de hele wereld.

Hoe het tij te keren? Het meest voor de hand liggend zou zijn in het nieuwe Kunstenplan eindelijk eens af te stappen van dat voorzieningenstelsel waarin steden zijn aangewezen als theaterstad, maar waar er eigenlijk niemand echt staat te trappelen dat artistiek op een goede manier in te vullen.

En soms zit een stad zelf er ook niet om te springen. In Eindhoven zetelt het Zuidelijk Toneel, maar het heeft daar geen eigen theater. Het gezelschap maakt voornamelijk reisvoorstellingen, waarop – op z’n zachtst gezegd – de laatste twee jaar niet echt een groot publiek zit te wachten.

Matthijs Rümke, afkomstig uit het jeugdtheater is sinds 2005 artistiek leider van het Zuidelijk Toneel. Hij had niet veel ervaring met de grote zaal, en heeft daardoor nog niet het signatuur om Eindhoven op de kaart te zetten.

Eindhoven is als theaterstad in het verleden onder illustere artistiek leiders als Gerardjan Rijnders, Ivo van Hove en Johan Simons wel spraakmakend geweest, juist omdat die mannen daar zaten. Ook het Ro Theater heeft de afgelopen zes jaar grootse daden verricht omdat Guy Cassiers er op ontdekkingstocht ging. Toneelgroep Amsterdam loopt nu als een trein omdat Van Hove na een wankele start de zaken goed in handen heeft.

Maar als het artistieke elan ontbreekt, evenals de geschikte artistiek leiders die zich zo’n plek willen toe-eigenen, moet Eindhoven als theatervoorziening simpelweg worden geschrapt en kan dat geld beter elders worden besteed.

Wordt het niet eens tijd voor cultuurambtenaren om nog eens diep onder in hun bureaulade te kijken? Want bij het overzien van de huidige situatie, doemt toch weer dat plan op dat een aantal belangrijke theatermakers (waaronder Evert de Jager, Johan Simons en Theu Boermans) onder de titel ‘Pamflet over de Toekomst van het Toneelbestel’ in 1998 al presenteerden en waarin een rigoureus ander bestel werd bepleit.

Hoofdpunt: schaf heel die reisverplichting van al die groepen af, en vestig, bijvoorbeeld in Den Haag, één groot Nationaal Reisgezelschap dat toegankelijk repertoire maakt voor een breed publiek. En laat in Amsterdam een groot stadsgezelschap ontstaan waar de grote namen de handen ineen slaan. Dus Ivo van Hove, Theu Boermans en Johan Simons gezamenlijk in die dan verbouwde en uitgebreide Stadsschouwburg op het Leidseplein. Dat is overigens nog maar een klein stapje verder dan al die coproducties die zij inmiddels toch al samen maken, zoals Don Carlos, Opening Night en Oresteia.

In andere steden kunnen dan kleinere stadsgezelschappen ontstaan, als daar behoefte aan is, en als er theatermakers en publiek voor zijn. De vrije producenten, die zonder subsidie commercieel theater maken, kunnen dan met hun ‘sterrentoneel’ flink op reis gaan naar de schouwburgen van Middelburg en Meppel waar het toch eigenlijk geen doen is om Breekbaar te spelen voor veertig man. Ster Anne Wil Blankers (volgend seizoen te zien in Brechts Moeder Courage van Van den Ende Theaterproducties) en ‘ster’ Johnny de Mol die Hamlet gaat spelen bij MTV/Rick Engelkens Producties zullen elkaar ’s nachts op weg naar huis op verkeersknooppunt Oude Rijn gezellig vanuit de acteursbus kunnen toezwaaien.

Zo krijgt elk land en elke stad alsnog het theater dat het verdient.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden