Couperus aan het werk, uur na uur H. van Vliet belicht dagelijkse praktijk van een groot schrijver

Bij erkend grote schrijvers moet alles een betekenis hebben. Niemand komt op het idee dat een grootheid als Kafka gewoon lust had een verhaal te schrijven over iemand die in een kever verandert, zomaar, zonder verdere bijbedoelingen....

J.A. DAUTZENBERG

In zijn boek Eenheid in verscheidenheid: over de werkwijze van Louis Couperus verwijst H.T.M. van Vliet naar een freudiaanse interpretatie die Jan Fontijn ooit gaf van De binocle, het bekendste verhaal van Couperus (het staat in talloze schoolboeken). In dat verhaal wordt een jonge operabezoeker zo geobsedeerd door de enorme toneelkijker die hij zich heeft laten aansmeren èn door een buitengewoon glanzende kale schedel in de zaal onder zijn balkonplaats, dat hij de onbedwingbare lust krijgt het ding op dat hoofd te gooien. De eerste keer weet hij zich nog te beheersen, maar vijf jaar later neemt zijn obsessie pathologische vormen aan en smijt hij de kijker inderdaad naar zijn niets vermoedende slachtoffer.

Door de grote rol die het noodlot speelt en door de bij herhaling benadrukte 'nerveuze aanleg' van de dader lijkt het een zuiver naturalistisch verhaal, maar toen Couperus het in 1923 schreef, was het naturalisme al lang voorbij. Vandaar dat het noodlot een loopje neemt met zowel dader als slachtoffer, want uit de slotzin blijkt dat heel iemand anders geraakt wordt, zo hard dat 'de hersens spatten'.

Nu berustte Fontijns interpretatie vooral op het verkeerd lezen van deze slotzin: hij las dat de kale man getroffen werd en trok daaruit vergaande conclusies: hij zou zowel het geweten als de vader van de jongeman vertegenwoordigen (en nog veel meer). Maar ik maak me sterk dat Fontijn ook bij een juiste lezing wel een freudiaanse interpretatie had weten rond te krijgen, want er moet en zal geïnterpreteerd worden.

Van Vliet laat weinig heel van dit soort beschouwingen. Waar het hem om gaat, is via bronnenonderzoek te achterhalen wat Couperus wilde schrijven en niet of nauwelijks wat Couperus wilde bedoelen. Aan de hand van de verschillen tussen kladhandschriften, kopijhandschriften, voorpublikaties in tijdschriften en de boekuitgaven van een tiental romans en verhalen laat Van Vliet zien dat Couperus in de eerste plaats een schrijver was en dat zijn veranderingen - soms heel ingrijpende - vrijwel altijd te maken hadden met stijl en structuur. Dat hij personages er uit of juist er in schreef om een verhaal beter te laten lopen, dat hij aan de plot schaafde om meer spanning te krijgen, dat hij gedragingen van personen anders motiveerde.

Aan de hand van talloze voorbeelden wordt duidelijk gemaakt hoe een groot schrijver in de dagelijkse praktijk - dat wil zeggen achter zijn werktafel met de pen in de hand, uur na uur - bezig is van een waarschijnlijk redelijk geslaagd werk een eersteklas werk te maken. Niet altijd overigens: soms was Couperus zo op dreef dat hij vrijwel niets hoefde te veranderen.

Als editeur van de zojuist voltooide Volledige werken beschikt Van Vliet als geen ander over de benodigde detailkennis en die details worden de lezer niet bespaard. Het is geen geringe prestatie dat zijn beschouwingen toch zeer leesbaar zijn: de talloze gedetailleerde vergelijkingen van zinnen en alinea's uit de diverse bronnen zijn volledig geïntegreerd in een goed lopende, soms zelfs spannende tekst.

Toch komen zijn stukken pas werkelijk tot leven voor een lezer die de behandelde tekst heel goed kent. Ik ken De binocle door en door en vond de beschouwing erover fascinerend. De stille kracht heb ik natuurlijk ook gelezen, maar het stuk daarover was al minder boeiend. Iskander heb ik lang geleden eens gelezen (en eerlijk gezegd nooit de neiging gehad het te herlezen), en dat stuk was nog minder interessant. Dit is dus niet te wijten aan de schrijver, maar aan deze lezer: iedereen die zich serieus met een boek van Couperus bezighoudt, kan bij Van Vliets beschouwingen alleen maar baat hebben.

Misschien had een 'gewone' lezer er meer aan gehad als Van Vliet zijn mededeling in de 'Inleiding' had waargemaakt dat hij Couperus' werkwijze zou verduidelijken aan de hand van 'twee soorten bronnenonderzoek': de boven bedoelde tekstuele bronnen en 'de door Couperus gebruikte en verwerkte literaire, historische en andere bronnen, en realia'. Het tweede soort komt echter maar af en toe en dan vaak nog terloops aan de orde; je krijgt de indruk dat Van Vliets hart toch uitgaat naar de filologische studie.

Eén hoofdstuk wijkt af van de andere: de drukgeschiedenis van Couperus' oeuvre. Dat lijkt me voor iedereen fascinerend om te lezen, vooral vanwege de nogal verbazingwekkende wijze waarop Couperus' uitgever met de boeken omsprong, waarbij bedacht moet worden dat deze L.J. Veen een heel fatsoenlijk mens was - dus hoe zou het bij minder nette lieden zijn gegaan?

Op dit slothoofdstuk had naadloos een geschiedenis en verantwoording van de Volledige werken kunnen aansluiten. Toen die in 1987 begonnen te verschijnen, schreef Van Vliet er een afzonderlijk uitgegeven Algemene verantwoording van 124 bladzijden bij, alweer fascinerende lectuur voor mensen met bibliografische interesse. Een ingedikte versie, met iets minder dan de 209 voetnoten en aangevuld met de perikelen rond de produktie van de vijftig delen, zou een welkome aanvulling op dit belangrijke boek zijn geweest.

H.T.M. van Vliet: Eenheid in verscheidenheid: over de werkwijze van Louis Couperus. L.J. Veen, ¿ 44,50.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden