Analyse

Correspondent Michael Persson neemt na zes jaar afscheid van de VS. Wat voor land laat hij achter?

Hij zag president Trump komen en gaan. Hoe doe je verslag vanuit een land waar tegenstellingen groeien en feiten steeds meer onder druk komen te staan? Bij zijn vertrek uit de Verenigde Staten maakt correspondent Michael Persson de balans op.

Trump-aanhangers bestormen de westelijke muur van het Capitool in Washington DC, 6 januari. Beeld AP
Trump-aanhangers bestormen de westelijke muur van het Capitool in Washington DC, 6 januari.Beeld AP

Na bijna zes jaar Amerika lag er ineens een strop voor mijn voeten. Iemand had het oranje stuk touw zojuist losgesneden van de galg die was neergezet op The Mall. Het lange grasveld in Washington is met zijn monumenten en musea normaal gesproken een depot van de Amerikaanse geschiedenis, maar was die dag zelf het toneel van een historische veldslag. Midden op dat toneel was een houten schavot op vier poten neergezet, met een frame van balken waaraan het touw had gehangen, een portaal van de dood. Een trappetje van twee treden leidde ernaartoe, je was er zo.

Op de trappen en bordessen van het Capitool, een paar honderd meter verderop, krioelden tussen de rookwolken nog steeds figuurtjes met vlaggen en kogelvrije vesten. Ze waren in het parlementsgebouw op zoek gegaan naar de vicepresident die de president had verraden, zo had de president zelf getwitterd. ‘Hang Mike Pence!’, hadden ze geroepen. Hang hem op!

Maar het was niet alleen dat. Een strop, een boze witte menigte, de banieren uit het oude zuiden: het leek voor sommigen allemaal net iets te veel op de lynchpartijen uit een andere eeuw. Tussen plukjes opstandelingen was een Afro-Amerikaanse jongen komen aanlopen. Hij was het schavot opgeklommen en had de strop voor mij op de grond gegooid, een beetje zoals je iemand voor de voeten spuugt. Hij was verdwenen voor ik iets kon zeggen.

Op The Mall was een galg neergezet, met een oranje strop eraan. Op 6 januari was het lange grasveld bij het Capitool ineens het toneel van een historische veldslag. Beeld AFP
Op The Mall was een galg neergezet, met een oranje strop eraan. Op 6 januari was het lange grasveld bij het Capitool ineens het toneel van een historische veldslag.Beeld AFP

Hij had een punt: de strop hing daar, ik zat ernaast en ik had hem laten hangen. Ik raapte het ding op en stopte het in mijn rugzak. Journalisten horen niet in te grijpen in de werkelijkheid, maar dit was afval. Het minste wat ik kon doen, was het weggooien.

Het was 6 januari 2021. Voor het eerst in twee eeuwen was het Capitool gevallen, de burcht die de democratie huisvest die volgens Amerikanen niet alleen de oudste, maar ook de beste van de wereld is. Vijf doden, tientallen gewonde politieagenten, parlementariërs die net voor de komst van de bestormers waren weggevoerd, anderen die zich in hun burelen hadden verschanst en blij waren dat ze nog een tweede deur op slot hadden gedaan toen de eerste werd ingebeukt.

Ik was die dag weer veel van die vriendelijke Amerikanen tegengekomen. Ik had ontbeten in een hotel in Arlington, aan de overkant van de Potomac, waar mannen met baarden en een doodshoofd op hun pet met de tekst ‘Liberty or Death’ me vertelden dat ‘iemand het eerste schot moest lossen’ en er ‘bloed moest vloeien’, terwijl ze een koffie van de Starbucks dronken en me vervolgens een lift aanboden naar DC.

Op het grasveld trof ik een vriendelijke Three Percenter, lid van de militie die denkt dat je – net als tegen de Engelsen – aan 3 procent van de bevolking genoeg hebt om een opstand te winnen, die in camouflagekleren en met radiocodes haar wapenbroeders vond en zei ‘dat ze het land moest verdedigen’. Een stelletje uit Ohio, op een bankje bij het Washington Monument, zei: ‘Het wordt alles of niets, maar we weten nog niet wat we gaan doen als het niets wordt. Moeten we even op je fiets letten?’

Michael Persson is net op tijd ter plaatse bij het parlementsgebouw, 6 januari. Beeld
Michael Persson is net op tijd ter plaatse bij het parlementsgebouw, 6 januari.

Ik luisterde naar de president van het land en hoorde hem tegen zijn aanhangers zeggen dat ze samen naar het Capitool zouden lopen. ‘Je kunt het land nooit terugkrijgen met zwakte. Je moet kracht tonen, jullie moeten sterk zijn!’

Toen ging ik tikken. De deadline naderde, er moest een reportage komen. Het mobiele netwerk was overbelast, dus ik ging op zoek naar een café met wifi, wat lastig was in coronatijd, maar vond een Spaans restaurant met plaats op een buitenterras in de winter. Daar kreeg ik een telefoontje van mijn chef, Marjolein van de Water. Van haar, 6.000 kilometer verderop, hoorde ik wat er om de hoek gebeurde.

‘We gaan het Capitool bestormen’, was de zin die ik net op mijn beeldscherm had gezet, maar waarover ik aarzelde. Iemand had het tegen me gezegd, maar ik dacht: wordt dat geen onzinnige grootspraak, als ik het nu opschrijf en het morgen, als het in de krant staat, niet gebeurd blijkt te zijn?

‘Het gebeurt nu’, zei Marjolein.

Ik was licht geïrriteerd: dus ze hadden het écht gedaan? Had ik, na al die dagen, weken, maanden, jaren, de situatie toch onderschat? Ik dacht: hoe erg kan het zijn? ‘Ik denk dat het stuk zo wel kan’, zei ik. ‘Ik voeg er wel een alinea aan toe.’ Marjolein zei: ‘Ga eerst maar eens kijken.’ We hadden nog een uur. Ik sprong op de fiets en reed over een lege Pennsylvania Avenue naar het parlementsgebouw, en belandde zo alsnog net op tijd op een dieptepunt in de Amerikaanse geschiedenis, een hoogtepunt in mijn correspondentenbestaan.

Daar waren ze, al die aardige Amerikanen. Als zombies klauterden ze tegen de muren op.

Trump gooit een mondkapje van het podium tijdens een rally in Orlando, oktober 2020.  Beeld Reuters
Trump gooit een mondkapje van het podium tijdens een rally in Orlando, oktober 2020.Beeld Reuters

Scheidslijnen

Ik had mensen al eerder horen refereren aan de Amerikaanse Burgeroorlog, op een manier alsof die nog steeds niet over was. Tijdens een vakantie in het westen van het land kwamen we in april 2016 een keer uitgeput en hongerig aan in een herberg in Utah, waar we hadden gedacht nog wel iets van eten te kunnen kopen. Maar het was Pasen, het was laat en er waren restaurants noch supermarkten in de buurt.

In de gezamenlijke keuken troffen we een trucker, die ons meenam naar zijn wagen. Uit de kastjes van zijn cabine haalde hij een hele voorraad soepblikken, kant-en-klaarmaaltijden en chips, waarmee hij een plastic zak voor ons vulde. Ik zag de rode vlag met het schuine blauwe kruis in zijn cabine. Hij kwam uit Tallahassee, zei hij, de noordelijke hoek van Florida die het meest op het zuiden van Amerika lijkt, en vertelde dat hij zich nog steeds een Confederate voelde. Ergens zou het land weer uit elkaar vallen, zei hij – misschien niet volgens de oude geografische scheidslijnen, maar in elk geval volgens de oude mentale scheidslijnen. ‘We zijn nog steeds bezet gebied’, zei hij. ‘Ooit komen we in opstand.’

Hoe dan, vroeg ik. Gaan jullie op de ander schieten? Veldslagen? ‘Ik weet niet hoe het gaat gebeuren. Er zijn andere manieren om aan de macht te komen.’

Donald Trump trok toen al barstensvolle zalen. Voor een beginnende correspondent was Trump een droomkandidaat voor het presidentschap. Ik was van plan geweest om het achterliggende Amerika op te zoeken, de sudderende conflicten, de sluimerende tegenstellingen tussen arm en rijk, wit en zwart, stad en platteland, zonder dat al te politiek te benaderen. Trump was niet alleen het lakmoespapier dat de zuurgraad van de Verenigde Staten liet zien, maar ook de katalysator die de stoffen in het mengsel verder met elkaar liet reageren. Van gesloten kolenmijnen in West-Virginia tot worstelende sojaboeren in Iowa: ik hoefde nooit lang met onderwerpen te leuren bij de krant, omdat ze dankzij Trump allemaal relevant waren geworden.

Tegelijk bleef Trump een rariteit, en dat is hij, na vier jaar presidentschap, in veler ogen nog steeds. Dat maakte hem journalistiek gezien ideaal: een paradijsvogel, een unicum, een figuur zoals we die nog nooit hebben gezien. Een afwijking is per definitie nieuws, en dus hoef je niet lang na te denken of je daarover moet schrijven. Dat maakte het verleidelijk hem als afwijking te blijven zien, ook bij de honderdste rally. Weer een nieuwe scheldpartij, weer een nieuw opstootje, weer een nieuw schandaaltje of een nieuwe leugen. Het patroon bleef zich herhalen, maar wat hij deed leek niet normaal en was dus nieuws – ook al was het steeds hetzelfde nieuws.

De beeldvorming van Trump als uitzondering had een tweede effect. De nadruk op het feit dat hij niet normaal was, creëerde de impliciete verwachting dat alles straks wel weer zou terugkeren naar normaal. Ja, hij ging dan wel aan kop in de voorverkiezingen, maar straks, als er minder tegenkandidaten waren, zouden de gematigde kiezers samenklonteren rond Marco Rubio. Ja, hij had de voorverkiezingen dan wel gewonnen, maar straks, tijdens de Conventie, zouden de Republikeinen alsnog Ted Cruz op het schild hijsen. Ja, nu had hij wel de nominatie gekregen, maar straks zou Hillary Clinton gewoon van hem winnen. Ha, dat grab them by the pussy, dat was het einde. Nee, dan die contacten met de Russen. Ha, een impeachment. En nog een impeachment.

Regelmatig kreeg ik van de krant de vraag: wanneer laten de Republikeinen hem vallen? Of: wanneer wordt Amerika weer normaal?

Het was een worsteling waaraan ik probeerde te ontsnappen door zo dicht mogelijk bij de feiten en de mensen te blijven. Na de pussy-tape, begin oktober 2016, schreef ik dat ‘tientallen Republikeinse Congresleden, gouverneurs en andere politici zich van Trump distantieerden’, maar dat zijn aanhangers er anders over dachten. In de bejaardenkolonies van Florida zei de 84-jarige Rick Connor tegen me: ‘Hij is afschuwelijk, maar zijn ideeën zijn wat het land nodig heeft.’ En zijn vrouw: ‘Zo zijn mannen.’

Terug in New York zag ik een scanderende menigte voor Trump Tower de presidentskandidaat toejuichen toen hij even buiten op straat verscheen. Conclusie: ‘De onvrede die Trump zo ver heeft gebracht, zal niet verdwijnen als hij door de partij wordt verlaten – integendeel.’

Persson: ‘Regelmatig kreeg ik van de krant de vraag: wanneer laten de Republikeinen hem vallen? Of: wanneer wordt Amerika weer normaal?’ Beeld
Persson: ‘Regelmatig kreeg ik van de krant de vraag: wanneer laten de Republikeinen hem vallen? Of: wanneer wordt Amerika weer normaal?’

In Florida had ik ook gezien wat opiniepeilingen niet leken te zien: een jonge latina-verpleegkundige, die bij een honkbalwedstrijd haar zoon aanmoedigde en al haar hele volwassen leven op de Democraten stemde, maar nu toch naar Trump neigde. Een archetypische Clinton-stemmer die zich van haar afkeerde. Zij was niet de enige, gezien de Trump-bordjes en borden in de tuinen. Hoe viel dat te rijmen met peilingen, statistieken en vooral stukken van politieke verslaggevers die, bogend op normaal stemgedrag, de kans zo’n 99 procent schatten dat Clinton zou winnen?

De reportage uit Florida verscheen keurig in de krant: ‘Latino’s hebben een sleutelrol en dat lijkt goed nieuws voor de Democraten. Hoewel, in Tampa blijkt wat anders.’ Maar tegelijkertijd bleven we, zeker op de website, ook de opiniepeilingen brengen, de meningen van mastodonten, de links naar wishful thinking uit kranten als The Guardian, die al likkebaardend beschreef hoe de mogelijke terugtrekking van Donald Trump als presidentskandidaat in zijn werk zou gaan. Hoe snel nieuws dankzij internet ook is geworden, er zit een enorme massatraagheid in het beschrijven van echte, structurele verandering. Er is een impliciete verwachting dat alles op enig moment weer ‘normaal’ wordt.

Later, tijdens Trumps presidentschap, ontstond nog een variant daarop: de behoefte om Trump als ‘presidentieel’ te zien. Leuk, al die schandalen, maar veel journalisten, gewend om de waarheid in het midden te zoeken, willen uiteindelijk dat alles terugveert naar een stabiele nulstand. Het werd voor mij een journalistieke kernvraag: hoe heet is de soep die hier wordt opgediend?

Laveren tussen uitersten

Ik was, opgegroeid bij de wetenschapsredactie, altijd van de relativerende school geweest. Er zijn altijd cijfers, er is altijd redelijkheid, er zijn altijd mensen die erover nagedacht hebben. Weg van de sensatiezucht zocht ik de nuance. Dat ging meestal goed, totdat ik in 2005 een eerste stuk schreef over een orkaan die op New Orleans was afgestormd. Katrina. Ik tikte op dat de ‘doemscenario’s waren uitgebleven’ en dat ‘de meeste dijken het natuurgeweld bleken aan te kunnen’. Later bleken er 1.800 doden te zijn gevallen. Ook in nuances kun je overdrijven, zeker vanuit een bureaustoel, op grote afstand, en voordat de storm is uitgeraasd.

Ik had, denk ik achteraf, een groot vertrouwen in wat we een modern land noemen, ofwel de westerse beschaving. Ik had in Delft gestudeerd, wist iets van risico’s en dijken en kon me, zelfs als journalist, niet voorstellen dat je je als verantwoordelijke bestuurder niet door die kennis liet leiden. Typisch geval van normalcy bias, de hang naar normaal, een vooroordeel gerelateerd aan optimisme en een zeker vooruitgangsgeloof. Het komt vast wel weer goed.

Het tegenovergestelde is doemdenken. Van alles het ergste verwachten. Het was deze hang naar het slechtste scenario – waarvan de journalistiek niet vies is, zeker bij rampen en incidenten – waaraan ik in het geval van Katrina tegenwicht wilde bieden. Ook in de Trump-jaren waren er genoeg journalisten die overal een glijdende schaal zagen en al vanaf dag één voorzagen dat de president de vier jaar niet zou volmaken zonder op de nucleaire knop te drukken, of een dictatuur zou vestigen. Dit loopt vast weer fout af.

Hoe moet je tussen die twee uitersten laveren?

Michael Persson aan het werk. Beeld
Michael Persson aan het werk.

De simpele oplossing is natuurlijk door ‘bij de feiten’ te blijven, maar zo simpel is dat niet. Welke feiten halen de krant? Op welke plek? Met welke woorden? Bovendien wordt nieuws bijna altijd in een context geplaatst: wat betekent dit, hoe ernstig is het, wat zijn de implicaties? Een andere oplossing is per definitie in het midden te gaan zitten, maar er is geen enkele garantie dat je dan automatisch dichter bij de waarheid komt.

De vraag werd urgent toen Trump in de maanden voor de verkiezingen van vorig jaar steeds vaker begon te beweren dat de verkiezingen gestolen zouden worden. ‘De enige manier waarop de Democraten kunnen winnen, is door de verkiezingen te manipuleren’, zei hij in augustus, nadat hij het hele jaar het stemmen per post al verdacht had gemaakt. Voor de gevolgen zei hij niet in te staan. ‘Wat er gaat gebeuren, en dat is echt heel jammer, is dat je een reactie krijgt zoals je die nog nooit hebt gezien.’

Je kon Trump, zoals altijd, serieus nemen of negeren. Wij namen hem serieus en beschreven een scenario waarin hij de uitslag van de verkiezingen niet zou accepteren, hertellingen zou eisen en rechtszaken zou aanspannen. Ook was er een route waarbij de Republikeinse volksvertegenwoordigers of door Republikeinen gedomineerde kiescommissies in de staten de verkiezingsuitslag zouden negeren en eigen kiesmannen zouden aanwijzen. Het klonk als bluf, schreven we, maar als Trump één ding duidelijk had gemaakt, was het dat je daarmee in zijn land veel verder kon komen dan de founding fathers voor mogelijk hadden gehouden. Trump wees het land in feite al vier jaar op zijn zwakke plekken – om daar vervolgens gebruik van te maken.

Het land schudde al op zijn grondvesten. In Minneapolis brak de anarchie uit na de dood van George Floyd, een zwarte krabbelaar die door een witte politieman werd vermoord. Een politiebureau werd belegerd en in brand gestoken. Rond de protestmarsen van Black Lives Matter werd soms geplunderd. Steeds vaker zag ik daarbij georganiseerde extreem-rechtse groeperingen opduiken, zoals de Proud Boys, een groeiende club ‘westerse chauvinisten’ waarvan je pas volwaardig lid bent als je met een antifascist of zwarte demonstrant hebt gevochten, zo vertelde een van hen me in Portland.

In Washington hielp ik op verkiezingsavond een man die was neergestoken nadat een groepje Proud Boys slaags was geraakt met een paar zwarte tieners. Trump beschouwde de knokploeg als een soort pretoriaanse garde. ‘Proud Boys: houd je in en sta paraat’, zei de president tijdens een debat. De tekst belandde op hun shirts en vlaggen, en als tatoeage op sommige armen. De dag na de verkiezingen zag ik in Philadelphia dat een gewapende man werd aangehouden bij het congrescentrum waar de stemmen werden geteld. Ik vond zijn auto en trof daar complotslogans van QAnon, kogels en een samoeraizwaard aan.

Toen ik daarover een stuk schreef (‘In Philadelphia is te zien wat er gebeurt als Trump zegt dat het tijd is voor actie’), werd dat sommigen te veel. ‘Zijn analyses lijken meer ingegeven door sensatiezucht dan door objectieve verslaglegging’, schreef een lezer. In een stuk getiteld ‘De obstinate verliezer krijgt steeds meer steun van de Republikeinse Partij’ zou ik speculeren over een machtsgreep door Trump. Zij vond dat ‘rellerig’ en ‘ongenuanceerd’. Ging ik te veel mee in de opwinding?

Aanhangers van de Proud Boys in Portland, september 2020. Beeld Getty
Aanhangers van de Proud Boys in Portland, september 2020.Beeld Getty

Ik had Steven Levitsky gesproken, hoogleraar aan Harvard en schrijver van het boek How Democracies Die, waarin hij analyseerde waarom sommige historische machtsgrepen waren geslaagd en andere niet. In een democratie is er bijna altijd een moment om antidemocratische tendensen te stoppen: de meerderheid kan zich verzetten als de minderheid ondemocratische dingen doet. Niet alleen de ideologische tegenstanders moeten zich distantiëren van de coupplegers, maar juist ook de politieke medestanders – in dit geval waren dat de gematigde Republikeinen, die op het eerste gezicht best profijt kunnen hebben van een machthebber die hun agenda uitvoert.

‘Er moet een punt zijn waarop politici zich zorgen gaan maken over de instituties, de rechtsstaat, het land als geheel. Dat ze opstaan en een risico nemen, bereid zijn een prijs te betalen om de democratie te verdedigen. Die prijs kan een politiek doel zijn dat ze moeten opgeven, of hun eigen positie.’

Maar, signaleerde Levitsky, de Republikeinen hadden zich juist volledig achter Trump geschaard, de president die hun conservatieve rechters, belastingverlaging en macht had gegeven. ‘Tot dusver weegt ambitie voor de meeste Republikeinen zwaarder’, zei Levitsky. ‘En ik weet eerlijk gezegd niet of er een punt komt dat hun principes het zullen overnemen.’ Anderen, zoals de conservatieve denker Max Boot, zagen het misschien nog somberder in. ‘Ik heb het lang niet willen zien, maar de Republikeinen zijn sinds de jaren zestig de partij van het witte Amerika, dat zich verzet tegen gelijke rechten voor degenen die ze jarenlang als minderwaardig hebben gezien. Met Trump hebben de Republikeinen het conservatisme gekregen waarop ze jaren hebben gewacht.’

Ik schreef aan de lezer dat die incidenten in mijn ogen niet op zichzelf stonden, maar onderdeel waren van een patroon dat kenners zorgen baarde. ‘Sensatiezucht? Nee, realiteitszin, hoop ik. Is de realiteit soms sensationeel: ik vrees van wel.’

Michael Persson bij uit­gezette veteranen in Mexico. Onder Trump werd het moei­lijker om als niet-Amerikaanse militair het beloofde staatsburgerschap te verkrijgen. Beeld Cynthia van Elk
Michael Persson bij uit­gezette veteranen in Mexico. Onder Trump werd het moei­lijker om als niet-Amerikaanse militair het beloofde staatsburgerschap te verkrijgen.Beeld Cynthia van Elk

Zwakke plekken

In 2020 was ik in Seattle, in het noordwesten van de Verenigde Staten, voor een verhaal dat helemaal niet over Trump ging, of over politiek, en zelfs niet over de spanningen en scheuren in het land. Ik prees me gelukkig, op de pont naar een eiland voor de kust, dat ik weer eens heel iets anders kon doen, en gezellig met een klokkenluider kon praten over de ongelukken van de Boeing 737 Max.

Er waren, een jaar eerder, kort na elkaar twee vliegtuigen neergestort, met in totaal 346 mensen aan boord. Een stuk software had gefaald: het had de vliegtuigen omlaag gestuurd, omdat het dacht dat ze te steil omhooggingen. De klokkenluider vertelde me dat dat voor hem het logische gevolg was van haastwerk, gebrekkige organisatie en luchtvaartinspecteurs die te veel met Boeing verstrengeld waren.

De tragiek is dat vliegtuigen normaal gesproken stabiel zijn: een kleine afwijking wordt door een goed ontwerp vanzelf gecorrigeerd, doordat er een tegenkracht optreedt. Hier had de fabrikant door haast en slordigheid een toestel gebouwd waarin het besturingssysteem kleine afwijkingen in de houding van het vliegtuig juist groter maakte. Een ‘positieve feedback’, heet dat, al is er niet veel positiefs aan. Alleen goede piloten kunnen dan een crash voorkomen.

Ook het Amerikaanse systeem zit vol met positieve feedbackloops: wie aan de macht komt, kan die macht versterken. In de staten gebeurt dat door het opwerpen van drempels om het stemmen moeilijker te maken (voter suppression) en kiesdistricten zo te tekenen dat jouw partij oververtegenwoordigd is (gerrymandering).

Op landelijk niveau gebeurt dat door verstrengeling van de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht: de president en de Senaat kiezen de rechters van de hoogste federale rechtbanken en van het Hooggerechtshof, dat uiteindelijk het laatste woord heeft over de wetten van het land. Het hof bepaalde vorige week nog dat de staten verregaande bevoegdheid hebben om het stemmen zo moeilijk te maken als ze zelf willen, met dank aan de conservatieve rechters die door Trump zijn benoemd.

Sinds de opstand van 6 januari is die feedback op volle kracht aan het rondzingen. In sleutelstaten als Georgia, Texas en Florida stellen de Republikeinen nieuwe wetten op om het stemmen lastiger te maken en vervangen zij Democratische functionarissen uit kiescommissies door Republikeinen. Het toverwoord is daarbij ‘betrouwbaarheid’. De maatregelen zouden bedoeld zijn om verkiezingsfraude te voorkomen: een meerderheid van de Republikeinse kiezers gelooft dat Biden door fraude aan de macht is gekomen.

Sommigen verhullen hun motieven niet eens meer. ‘Het idee van democratie, en dat de meerderheid het voor het zeggen heeft, druist echt in tegen datgene waar dit land voor staat’, zei de Republikeinse senator Rand Paul in juni. Het is in zekere zin een prima analyse: het Amerikaanse systeem zit vol zwakke plekken, waardoor het voor een minderheid veel makkelijker is om het voor het zeggen te hebben, of te krijgen.

Michael Persson bij uitgezette veteranen in Tijuana, Mexico.  Beeld Cynthia van Elk
Michael Persson bij uitgezette veteranen in Tijuana, Mexico.Beeld Cynthia van Elk

Bijna 150 Republikeinse volksvertegenwoordigers wilden op 6 januari een van die zwakke plekken benutten en tekenden via een zeer ongebruikelijke procedure bezwaar aan tegen de verkiezing van de nieuwe president. Zo probeerden ze hetzelfde als wat de duizenden Capitoolbestormers met fysieke middelen probeerden: het democratische proces tegenhouden. ‘Dit is niet wie we zijn’, zei de Republikeinse senator Ben Sasse naderhand over de opstandelingen. Maar inmiddels, een paar maanden later, hebben de Republikeinen Trump vrijgepleit van het aanstichten van de bestorming, en geweigerd een grootscheeps onderzoek in te stellen naar de toedracht ervan.

‘Als je kijkt naar de beelden, zou je denken dat het normale toeristen waren’, zei een Republikeinse volksvertegenwoordiger, die tijdens de bestorming nog hielp een deur te barricaderen. Daar was het woord. Normaal.

De oranje strop is niet in de vuilnisbak beland. Het National Museum of American History belde me op en wil hem graag hebben. Ook de FBI belde op, en op de dag van Bidens inauguratie overhandigde ik het ding aan special agent Chris Keefe, die ermee aan de slag zou gaan. Degene die hem heeft opgehangen, is nog niet gevonden. Degene die hem lossneed, heb ik ook nooit gevonden. Of de strop zou hebben gefunctioneerd, is overigens de vraag – er zat een kern van een soort badstof in de wikkels van de knoop, waardoor de knoop niet wilde schuiven. Bovendien stond hij tamelijk ver van het Capitool; dat zou Pence nooit hebben gehaald. Dan nog kan het als een doodsbedreiging worden opgevat, zei Keefe.

Na een eventuele rechtszaak zal de FBI de strop teruggeven zodat hij alsnog naar het museum kan, op The Mall in Washington. ‘We willen hem graag hebben’, zei curator Claire Jerry tegen me. ‘Of hij nou werkt of niet: het is het symbool van die dag geworden. Van een uitzonderlijk moment in de Amerikaanse geschiedenis.’

Het was niet normaal.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden