reportage

Correspondent Joost de Vries trok met migranten mee over de berg des doods naar het andere Amerika

Het is een van de zwaarste hordes voor migranten die via Zuid-Amerika de VS proberen te bereiken: de Darién, het oerwoud op de grens tussen Colombia en Panama. Dit jaar waagden al 120 duizend mensen de gevaarlijke tocht. Correspondent Joost de Vries reisde met dertien van hen mee.

Joost de Vries
In de laatste week van oktober trokken dertien Venezolanen met vier gidsen door de Darién. De oudste van de migranten is 36 jaar, de jongste is 4.  Beeld Carlos Villalon
In de laatste week van oktober trokken dertien Venezolanen met vier gidsen door de Darién. De oudste van de migranten is 36 jaar, de jongste is 4.Beeld Carlos Villalon

Necoclí - knooppunt op de route naar het noorden

Vanaf de Caribische Zee waait een bries het strand van Necoclí op en streelt een Haïtiaanse moeder die op een boomstam zit en zachtjes haar dochter wiegt. De dag begint grijs in de verlopen badplaats in het noordwesten van Colombia. Behalve weekendtoeristen op zoek naar alcohol, marihuana, stampende muziek en seks trekt de baai van Necoclí ook andere bezoekers: migranten – mannen, vrouwen en kinderen – uit de hele wereld, die er halt houden voordat ze beginnen aan een van de gevaarlijkste etappes uit hun tocht naar het land van de onbegrensde mogelijkheden, de Verenigde Staten.

Kijk vanaf het strand over de baai, Golf van Urabá geheten, en zie in de verte de met jungle begroeide bergen, die zich uitstrekken tot in Panama. De grimmige strook van donkergroen en nog donkerder groen is de Darién, een oerwoud dat twee continenten verbindt, een stuk wildernis dat nooit door een overheid werd getemd. Dit regenwoud is voor migranten zonder papieren de enige toegang tot het noorden.

Op de grens tussen Colombia en Panama is het staartje van Noord-Amerika vergroeid met de kop van Zuid-Amerika. Vijftien miljoen jaar geleden werd Midden-Amerika geboren uit een botsing tussen de Pacifische en de Caribische aardplaat. De platen duwden vulkanische eilanden naar de oppervlakte, de archipel slibde langzaam dicht, totdat drie miljoen jaar geleden de continenten verstrengeld raakten. Dieren uit twee werelddelen ontmoetten elkaar, oceanen werden gescheiden, het klimaat veranderde.

Sindsdien vormen de Amerika’s samen de langste landmassa ter wereld tussen de Noordpool en Antarctica. De mens heeft die afstand vrijwel geheel bedwongen. Vanaf de punt van de Amerikaanse staat Alaska tot aan het Argentijnse Vuurland loopt de Pan-American Highway, een netwerk van geasfalteerde wegen. Eén stukje van 106 kilometer ontbreekt: de Darién.

In deze tropische flessenhals komen migranten uit de hele wereld samen, Latijns-Amerikanen, maar ook Aziaten, Arabieren en Afrikanen die dromen van een toekomst in de VS en dankzij soepele visumeisen naar een Zuid-Amerikaans land als Bolivia of Ecuador kunnen vliegen. Statistieken van de Panamese grenspolitie tonen hoe de Amerikaanse politiek dit jaar alles veranderde. Ten tijde van Obama en Trump maakten jaarlijks zo’n 12 duizend mensen de tocht door de jungle. Tot november dit jaar arriveerden al 120 duizend mensen in de Panamese opvangkampen aan de noordkant van de Darién.

De verkiezing van Joe Biden deed wereldwijd hoop opvlammen als een scheut terpentine op smeulende kolen. ‘De VS zijn een natie van immigranten’, stelde de nieuwe president. Maar zijn goede voornemens liepen stuk op de harde praktijk. In de eerste helft van 2021 liet hij bijvoorbeeld nog tienduizenden Haïtianen toe. Maar begin oktober, terwijl duizenden Haïtianen bivakkeerden onder een Texaanse grensbrug, stuurde hij al vliegtuigen vol mensen terug naar het land dat ze waren ontvlucht. Deze week sprak hij nog met zijn Canadese en Mexicaanse ambtgenoten over het indammen van migratie.

Maar aangewakkerde hoop laat zich niet makkelijk doven. Dit najaar telt Necoclí nog steeds meer berooide migranten dan zatte badgasten. In de zwoele avond blèrt Caribische muziek uit grote speakers en puilen her en der billen, borsten en biceps uit kleine kledingstukken. Tegelijkertijd koken gezinnen pannetjes rijst op gaspitjes of brandende kolen in geïmproviseerde keukentjes tussen kleine tentjes.

De boulevard is veranderd in een markt voor survivalspullen. Matjes, regenkleding, gaspitten, gascilinders, olie om te koken, machetes, plakband, zaklampen, aanstekers, hersluitbare zakjes, grote vuilniszakken, stevige schoenen. Met zijn spullen kun je in de jungle overleven, zegt de Colombiaanse verkoper Jorge (30). Al zou hij het er zelf niet op wagen. ‘Niet iedereen redt het, maar veel mensen wel.’ Wat iemand werkelijk nodig heeft in de Darién? ‘Moed.’

Niemand in Necoclí oogt moedig, eerder wanhopig. In de ochtend verdringen Haïtianen zich bij het Colombiaanse registratiepunt van de migratiedienst. De helft staat in de rij om een van de schaarse kaartjes voor de officiële veerboot te bemachtigen, de andere helft omdat zij vandaag de oversteek maken.

Door het regenwoud lopen twee migrantenroutes. De meeste Haïtianen steken de baai over naar het plaatsje Acandí en trekken daar de jungle in. Colombiaanse mensensmokkelaars begeleiden hen de eerste dag tot aan de Panamese grens. In de volgende drie tot zes dagen tot aan de bewoonde wereld – waar de Pan-American Highway zijn route naar het noorden vervolgt – zijn de migranten op zichzelf aangewezen. Het is een helse tocht langs lichamen van voorgangers die het niet hebben overleefd. In dit niemandsland, territorium van de Colombiaanse drugsbende El Clan del Golfo en talloze andere criminelen, worden maandelijks honderden mensen beroofd en vele vrouwen misbruikt. In oktober liepen dagelijks zo’n zeshonderd mensen deze route.

Andere migranten, die wat geld hebben gespaard en via Spaanstalige WhatsApp-groepen toegang hebben tot meer informatie, laten zich in het donker de baai over smokkelen naar het plaatsje Capurgana, even ten noorden van Acandí. Soms gaat dat fout, kampeerders langs het strand van Necoclí vertellen hoe onlangs zes lichamen aanspoelden. Vanaf Capurgana begint een noordelijker route die vrijwel parallel loopt aan de zuidelijke. Deze tocht gaat door de gebieden van de Kuna en Embera, Panamese inheemse volkeren die iets meer bescherming bieden aan de honderd tot tweehonderd passanten die dagelijks door hun jungle trekken.

José en zijn vriendin Lizmerly (rechts buiten beeld) lopen hun voorraden na voor de reis door de Darién. Met hun dochtertje zullen ze de achterhoede van de groep vormen.  Beeld Carlos Villalon
José en zijn vriendin Lizmerly (rechts buiten beeld) lopen hun voorraden na voor de reis door de Darién. Met hun dochtertje zullen ze de achterhoede van de groep vormen.Beeld Carlos Villalon

Om die route te nemen treffen dertien Venezolanen elkaar in de laatste week van oktober in Necoclí, het Colombiaanse knooppunt op weg naar het noorden. Sommigen kennen elkaar al jaren, ze zijn broer en zus, vrienden van vroeger, of groeiden op in dezelfde stad. Anderen haakten aan via WhatsApp en leerden hun reisgenoten pas onderweg kennen. Allemaal wonen ze al even als migrant in hun buurland Colombia en allemaal besloten ze kortgeleden dat een leven van net genoeg pesos bij elkaar schrapen om de dag door te komen geen toekomst heeft. De oudste van hen is 36 jaar, de jongste 4.

In de donkere nacht, de hoofden gebukt, varen ze de Caribische baai over. Ze trekken de jungle in en steken de Panamese grens over. Een nieuw land is bereikt, maar de Darién – nat, modderig, intimiderend en onverbiddelijk – ligt nog grotendeels voor hen. Met een ruime bocht lopen ze door het woud om de grenspolitie heen en komen na twee dagen uit bij het inheemse kustplaatsje Armila.

Vrijwel tegelijkertijd varen de correspondent en de fotograaf van de Volkskrant per boot van Necoclí naar Capurgana en vanaf daar naar het Panamese grensdorp Puerto Obaldia. Ze arriveren met een gestempeld paspoort in Armila. Hier kruist hun pad dat van de Venezolanen.

Naar de voet van de bergen

Dinsdag – José, Lizmerly en Joseyli

Mist hangt rond de groene bergkam, daarboven een streep grijze wolken, daarboven de eerste zonnestralen, geel en oranje. Het regende in de nacht, de ochtend is gevuld met vocht. Op het strand naast het inheemse dorpje staat een klein kampement, het is niet veel meer dan een paar flinke stukken plastic, gespannen tussen stokken. De inwoners van Armila legden het kampje aan om de vele passerende migranten een overnachtingsplek te bieden.

Het is zes uur ’s ochtends, de Venezolanen zetten koffie op een houtvuurtje, vouwen hun tentjes op en pakken hun tassen in. Tenen worden ingesmeerd met vaseline. Langs het strand staan de kokospalmen van de Kuna. Elke boom heeft een eigenaar, een verse kokosnoot is een dollar waard. Daarachter rijst de Darién op, de hoogte in, vanaf een afstand stil, donker en gesloten, even verleidelijk als beangstigend.

Tot niet zo lang geleden liepen mensen zo het dorp in, schuilden onder de daken van palmblad, stalen kokosnoten en gooiden hun afval in de rivier. Corona hield vorig jaar huis in de gemeenschap van 150 families – misschien waren het migranten die het virus meebrachten. Sindsdien begeleiden de Kuna de passanten, tegen betaling, door hun gebied. Waar hun provincie Guna Yala ophoudt, geven ze de groepen over aan Embera, die opnieuw een bedrag rekenen. Het is tegen wil en dank, zeggen de Kuna, liever hadden ze geen migranten in hun jungle, al is het geld welkom.

De kosten van het migrantenleven variëren. De welvarendste migranten kopen een compleet pakket en betalen bijvoorbeeld 1.200 dollar (zo’n 1.000 euro) voor de reis van de Colombiaanse stad Medellin naar de bewoonde wereld in Panama. Hoe dat geld vervolgens alle individuele smokkelaars bereikt, is onduidelijk. Andere migranten betalen elke etappe los: een boot 90 euro, een halve tocht door de jungle 40 euro, nog een halve tocht door de jungle weer 40 euro, een boot 30 euro, een bus 30 euro.

Joseyli, met 4 jaar de jongste van de Venezolanen, pakt een stevige stok die op het strand ligt. ‘Laat liggen!’, roept haar vader José Gregorio López Rodríguez (30). ‘Mijn voet doet pijn’, jammert het meisje. Hij wil er niets van weten, trekt de stok uit haar handen en gooit hem weg. ‘Kom op.’ Huilend laat ze zich meetrekken aan zijn hand, het pad op tussen de kokosbomen door langs het strand. Twee inheemse gidsen gaan voorop, twee volgen achteraan. Even later zit Joseyli wiegend op haar vaders nek, slechts gekleed in een broekje en roze rubberen klompjes, gekleurde speldjes in haar haar.

De tengere José – lang gezicht, dun snorretje – draagt een grote blauwe rugtas met een opdruk van Starlite, een lokaal sigarettenmerk van British American Tobacco. Een opgerolde capuchontrui beschermt zijn schouders tegen de snijdende hengsels van de tas. Zijn vriendin Lizmerly Mirelly Aguero Giménez (28, bril met stevig montuur, het lange haar donkerrood geverfd) is gekleed in een groen sportshirt van Antioquia, de noordwestelijke provincie van Colombia waar hun reis begon. Het zitvlak van haar legging is opengescheurd. Langs het pad vindt ze een gele sportbroek, die ze over het kapotte kledingstuk aantrekt. Even later hijst ze zich in een zwarte broek vol scheuren. ‘Ik wil er zo lelijk mogelijk uitzien, snap je?’

De Darién kan meedogenloos zijn, een slangenbeet is er meestal fataal, met het ziekenhuis te ver weg. Maar ook een verstuikte enkel kan het einde betekenen. Een gewond kind kan nog mee op de schouders, een volwassene die niet meer kan lopen blijft achter. Zo mogelijk nog beangstigender is de mens in de jungle. Elke migrant die de Darién doortrekt, kent verhalen over berovingen en verkrachtingen. Iedere onbekende man langs de route is een potentieel gevaar.

De ouders van Joseyli lopen op rubberlaarzen. Die van José zitten goed, die van Lizmerly niet. Haar voeten zitten vol blaren, elke stap doet pijn en de vermoeidheid van twee dagen lopen zit al in het lichaam. Het meisje druilt en huilt. Wanneer haar vader de energie niet meer heeft om haar te tillen, loopt ze aan zijn hand, haar beentjes van elastiek, haar voeten glibberend, glijdend, struikelend over elke steen en boomwortel.

Het pad leidt vanaf Armila de eerste uren langs de branding van de Caribische Zee. Na ruim twee uur lopen staan er plots vier Panamese politieagenten op het strand. De fotograaf treft ze als eerste en wordt op agressieve wijze ondervraagd. De confrontatie loopt goed af, hij mag door. Dan vraagt hij in een opwelling waarom de agenten hier zijn. De mannen wijzen naar de bosrand. Daar ligt een opgezwollen lichaam, een migrant voor wie de reis hier ophield, reeds verzwolgen door de Darién.

Frank Gallo heeft de afdaling erop zitten. De tocht is uitputtend voor hem, onder meer door medische ongemakken. Dikwijls raakt hij achterop. Toch zijn het niet de fysieke ­inspanningen of het weinige eten die hem het zwaarst vallen. Het achterlaten van zijn kinderen, dat vond hij het moeilijkste.  Beeld Carlos Villalon
Frank Gallo heeft de afdaling erop zitten. De tocht is uitputtend voor hem, onder meer door medische ongemakken. Dikwijls raakt hij achterop. Toch zijn het niet de fysieke ­inspanningen of het weinige eten die hem het zwaarst vallen. Het achterlaten van zijn kinderen, dat vond hij het moeilijkste.Beeld Carlos Villalon

De Venezolanen volgen een paar minuten later. Ze passeren zwijgend de agenten, hun ogen gericht op de grond of op het strand voor hen. Niemand ziet het lijk. Na een halfuur komen ze aan bij de monding van de rivier Pito en slaan linksaf een klein paadje in, tussen de bomen door de jungle in.

Duizenden mensen liepen hier eerder en lieten een spoor van stinkend afval achter in het oerwoud: teenslippers, rubberen Crocs, sportschoenen, kinderschoentjes, (winter)jassen, een spijkerbroek netjes uitgespreid op een rots (om te drogen?), bh’s, sokken, een kam, chipszakjes, conservenblikjes, aluminium verpakkingen van noedels, crackers, koekjes, verkreukelde petflessen, lege medicijnstrips, een make-updoos, handtassen, luiers, luiers, luiers. Stukken plastic, heel veel plastic, kapotte rugtassen, dunne rubbermatjes, kapotte tenten. Het vuilnis bedekt de donkere, natte bodem verscholen onder het bladerdek of ligt uitgespreid in de zon langs rivierbeddingen.

Het pad volgt de rivier Pito stroomopwaarts en dan toont de Darién zich op zijn mooist. De woeste, tropische vegetatie reikt aan beide kanten tientallen meters hoog, uit muren van groen klinkt getsjirp, geritsel en gekwetter. De Pito meandert door het bos, doet het woud wijken en laat fonkelend zonlicht toe. Joseyli huppelt aan de hand van haar vader door het ondiepe water.

Lizmerly en José vluchtten vijf jaar geleden voor de repressie van de Venezolaanse president Nicolás Maduro. Lizmerly discussieerde als puber al met haar moeder over de politiek. Ze geloofde niet in het socialistische project van de populist Hugo Chávez, de man die in 1999 de verkiezingen won, vervolgens met oliegeld een verzorgingsstaat bouwde en na zijn dood in 2013 een land in een escalerende crisis achterliet aan de autoritaire Maduro. Haar moeder zei dat ze het niet begreep, dat ze politiek aan volwassenen moest overlaten.

In 2009 ontmoette ze José, hij was 19, zij 17. Een jaar lang chatten ze via Messenger. Toen ze elkaar eindelijk voor het eerst zagen tijdens een date in winkelcentrum El Cristal in hun stad Barquisimeto, in het noordwesten van Venezuela, werd het meteen beklonken: ze waren een stel.

Zij studeerde rechten, hij ging een jaar in militaire dienst, studeerde daarna eveneens rechten, maar maakte zijn studie niet af. José werkte een tijdje voor de regering van Chávez, maar viel van zijn geloof toen Maduro aan de macht kwam en Venezuela samen met de internationale olieprijs in een neerwaartse spiraal belandde. ‘Ze vroegen me of ik bij de colectivos wilde, de knokploegen van Maduro. Ik kon een wapen krijgen, een salaris en een vrijbrief om mensen op straat te beroven en demonstranten te bedreigen.’ Hij weigerde.

Het jonge stel vertrok naar buurland Colombia en voegde zich daar bij de Venezolaanse migrantengemeenschap, die inmiddels bijna twee miljoen zielen telt. Tijdens de pandemie vervlogen alle baankansen en brachten ze, met Joseyli aan hun zijde, lange dagen door in de grauwe metrostations van Medellin, waar ze snoepjes en mondkapjes verkochten. Lizmerly: ‘Na een jaar kon ik de vernedering niet meer aan, de lelijke blikken.’ Tijdens een van die dagen op straat nam zij het besluit: alles beter dan dit leven, we gaan.

Yosen (l) en José ontfermen zich over het vuur in hun kampje bij de Membrillo-rivier.  Beeld Carlos Villalon
Yosen (l) en José ontfermen zich over het vuur in hun kampje bij de Membrillo-rivier.Beeld Carlos Villalon

Was het de juiste keuze? Halverwege de middag houdt de groep halt. Voor hen ligt de Montaña de la Muerte, de berg des doods, een top die geregeld slachtoffers eist. De beklimming moet wachten tot morgen, het is veiliger om aan de voet van de berg langs de rivier te overnachten. Joseyli stort neer op een roze deken en valt in een diepe slaap. Lizmerly wast zich in de rivier, terwijl José een stuk plastic voor haar ontblote lichaam houdt. De grond ligt bezaaid met afval, de Venezolanen zijn niet de eersten die hier hun tenten opzetten.

Nee, zegt Lizmerly, ze heeft er nooit spijt van gehad dat ze een dochter heeft gekregen, ondanks alle ontberingen die het jonge gezin moet doorstaan. ‘Ik zou niet weten waar ik zonder haar zou zijn. Voor haar ben ik hier.’ Het meisje spreekt al een paar woorden Engels, zegt haar moeder. ‘Wan, tu, tri’, zegt Joseyli.

Om zes uur valt de nacht over de Darién en wordt het oerwoud wakker. Wat overdag aangename kamermuziek was, prettig tropisch geroezemoes, zwelt in het donker aan tot een bulderend symfonieorkest in dolby-surround, een schreeuwende menigte, snerpend, krakend, blazend, druppelend, stromend, zuchtend. Na het eten zoeken uitgeputte lichamen de dunne matjes op in krappe tentjes. Met de ogen dicht is de Darién overal, een koepel van geluid.

Klim naar de top

Woensdag – Frank

In het holst van de nacht schrikken de Venezolanen wakker. Priemende lichten en schreeuwende stemmen omringen hun tenten. Migranten uit alle windrichtingen trekken door dit oerwoud, sommige in hun eigen tempo, andere in het hoge ritme van de smokkelaars. Rond het kampje van dertien Venezolanen verrijst in een mum van tijd een tentdorp van zestig Cubanen. De groep werd aan het begin van de avond per boot (tegen een stevige meerprijs) via de zee de grens over gesmokkeld en afgezet op het strand bij de monding van de rivier Pito. Samen met een handvol gidsen liepen de mannen, vrouwen en kinderen in het donker, gewapend met hoofdlampen, door de jungle tot aan de voet van de berg.

Te midden van het gedruis schijnt een lichtstraal op twee Aziatische gezichten. In een minuscuul half koepeltentje liggen Yao Liming (30) en Zhang Zhi Peng (27) op elkaar geplakt. Ze komen uit de Chinese provincie Hebei, vlogen naar Hongkong, naar Doha, naar Madrid, naar de Ecuadoraanse hoofdstad Quito en reisden over land naar Colombia. Ze spreken drie woorden Engels en nog minder Spaans. De twee vrienden (‘Brothers? No.’) kunnen niet uitleggen waarom ze uit China zijn vertrokken, wel waarom ze onderweg zijn naar de VS. ‘USA home.’

Om zes uur ’s ochtends trekt de stoet Cubanen verder en laat de Venezolanen achter. Een halfuur later komen ook zij in beweging. Frank Javier Gallo (36) begint de dag met een handvol medicijnen: pillen tegen hoge bloeddruk, pillen tegen krampen. Zijn galblaas zit vol stenen, sommige ruim een centimeter dik.

Franks buik is aanzienlijk. In zijn ronde gezicht staan twee vriendelijke, melancholische ogen. Op zijn bovenlip prijkt een dunne snor, op zijn kin de stoppels van een aantal dagen niet scheren. Hij trekt door de jungle in een blauw T-shirt met een opdruk van witte, dierachtige figuren, een grijze joggingbroek en rubberlaarzen. Onder zijn buik hangt een heuptasje met medicijnen, op zijn rug een groene tas waar al zijn bezittingen in passen.

Gisteren was hij al meermaals de laatste van de groep, vandaag wacht een berg die hem fataal kan worden. Hij kent zijn reisgenoten pas een paar dagen, als enige in de groep heeft hij geen enkele connectie met de rest. Wie wacht op hem als hij niet verder kan? Hij begraaft zijn zorgen onder een hardnekkig optimisme. ‘Dit is de puurste lucht ter wereld’, zegt hij terwijl hij de eerste verticale meters beklimt. ‘Die adem je niet in de stad.’ Hij houdt stil, leunend tegen een boom. ‘Heel even, ik herpak me.’

La Montaña de la Muerte stijgt uit boven de Darién en tussen de bomen door is af en toe een glimp te zien van het eindeloze groene bladerdek. En plots is er heel even verbinding met de buitenwereld: een klein beetje mobiel bereik. Frank stuurt een audioberichtje naar een familielid. ‘Alles goed. Ik beklim nu een berg, met Gods zege.’ Hij heeft het zwaar gehad, zegt hij. ‘Nee, niet dit, niet de jungle. Het achterlaten van mijn kinderen.’ Zijn ogen lopen vol.

Frank Gallo heeft vier kinderen. Zijn dochter Maridey (15) woont met haar moeder in Venezuela. Zijn zonen Elvis (14), Javier (12) en German (8) liet hij samen met zijn vrouw Janisett (32) achter in Arboletes, een plaatsje in de Colombiaanse provincie Antioquia. In Venezuela was hij een actief lid van oppositiepartij Un Nuevo Tiempo (‘Een nieuwe tijd’). Geregeld ging hij de straat op om te demonstreren. Op een dag kwamen ze hem zoeken, maar vonden in zijn huis alleen zijn vrouw. Dus namen ze haar mee. ‘Hoe konden ze? Zij had er niks mee te maken, zij heeft zich nooit beziggehouden met politiek.’

In 2018 vertrok hij met zijn gezin naar Colombia, waar nieuwe zorgen wachtten. In grote delen van Antioquia heerst het Clan del Golfo-kartel. Hij vond weliswaar werk als automonteur, maar moest ‘het vaccin’ van de maffia accepteren: een verplichte afdracht. En eens in de zoveel tijd een reparatieklus, een ‘service’ die hij niet kon weigeren. Wie geen deel is van de organisatie, is alsnog ‘verbonden’ via familieleden en vrienden, niemand gaat vrijuit.

Met het verstrijken van de uren begint de berg zijn reputatie waar te maken. Cubanen met baby’s op de borst liggen languit op de grond op adem te komen. Soms vlakt het pad af, daalt het zelfs even, om dan weer de hoogte in te schieten. De door tienduizenden voeten gebaande sporen tussen de oerbomen en kronkelende lianen zijn veranderd in stroperige, spekgladde, enkeldiepe, soms kniediepe modder. Laarzen zakken weg in de drek of glijden uit over dikke wortels, elke stap omhoog is een inspanning. Kleine slokjes water brengen nauwelijks speeksel terug in droge monden. Soms kronkelt het gladde spoor langs peilloze diepten, een misstap en de tocht eindigt hier.

Franks laatste maal was gisteravond. Vandaag heeft hij vooralsnog alleen water met een suikeroplossing gedronken. Zijn hand rust op de rechterhelft van zijn buik, waar hij al een paar uur pijnscheuten voelt. Hij stopt, trekt een blikje tonijn open en perst er een zakje ketchup overheen. ‘En dan te bedenken dat ik normaal gesproken vijf keer per dag eet.’ Glimlachend schudt hij zijn hoofd. ‘Ik had nooit gedacht dat ik zo veel dagen zou kunnen overleven met zo weinig voedsel.’

Het maakt hem niet meer uit of de groep op hem wacht, de pijn dwingt hem om de paar minuten tot een adempauze. ‘Ga maar door’, heeft hij al een paar keer gezegd. ‘Ik haal jullie wel in.’ De meesten zijn hem ver vooruit. Waarschijnlijk zijn José en Lizmerly nog ergens in de buurt met hun dochter. En de Cubanen met baby’s lopen niet veel harder dan Frank, dat stelt enigszins gerust. Zolang het woud gevuld is met stemmen, is niemand alleen.

De berg des doods put zijn bezoekers uit en geeft er niets voor terug. De top is niet te onderscheiden van de beklimming of de afdaling: geen weids uitzicht over een machtig oerwoud, geen trotse vlaggen van eerdere overwinnaars, enkel knoestige bomen die vanuit reusachtige wortels de hoogte in schieten, om daar door hun vele bladeren slechts plukjes hemel prijs te geven. Rond twee uur ’s middags blijkt het pad plots te dalen, de piek is kennelijk achter de rug. Achter het bladerdek klinkt een rommelende lucht. Gaat het regenen?

Zijn kinderen vroegen Frank om niet te gaan. De risico’s waren te groot. Zelfs Janisett, die hem in alles steunt (‘Een spectaculaire vrouw’), zei dit keer: doe het niet. Toch ging hij, want in Colombia had hij zijn gezin weinig te bieden. ‘Al het geld gaat op aan huur, gas, licht en eten. Ik kan doorwerken tot mijn 60ste en nog steeds niet meer verdienen dan wat ik dezelfde dag moet uitgeven.’

Hij heeft een zus in Wisconsin die binnenkort een Amerikaans paspoort krijgt. Misschien kan hij bij haar terecht. In de staat Wisconsin zijn veel fabrieken, weet hij, er is vast werk te vinden. En misschien kan hij als lid van de Venezolaanse oppositie wel politiek asiel krijgen. ‘Als ik eenmaal een plek heb gevonden, haal ik mijn gezin over. Binnen een half jaar zie ik ze weer, dat weet ik zeker.’

Als vanuit het niets klinkt het geluid van de redding: de rivier in de diepte. Frank fluit een deun en doet een dansje. ‘Halverwege de dag had ik het bijna opgegeven. Ik wilde me overgeven aan de genade van God.’ Nu is de pijn in zijn buik verdwenen. ‘Ik voel me goed. Als ik ooit terugga naar Colombia, ga ik weer lopen.’

Stap voor stap, slippend, glijdend, hurkend, dalen de migranten af naar het dal. Negen uur nadat ze de vorige rivier achter zich hebben gelaten en aan de klim zijn begonnen, stroomt eindelijk het water weer rond hun modderige voeten. Vanuit torenhoge bomen hangen lianen boven de beek. In de verte vliegt een vogel op, langs de oever fladdert een fluorescerend groene vlinder.

Even volgt het pad de rivier, dan slaat het weer de jungle in, door nog diepere modder. Het einde van de middag nadert, het begint te regenen. Een uur gaat voorbij. Nog een halfuur. Dan zit daar eindelijk, op een rots langs de oever, een van de gidsen die vooropliep. Hij wijst naar de bosrand. Tussen de bomen, op veilige afstand van de rivier, die bij hevige regen plots kan stijgen, hebben de eersten reeds hun tenten opgezet.

Langs de rivier

Donderdag – Yosen

Niemand in de groep is zo sterk en vindingrijk als Yosen Ignacio Colmenares Suárez(34), een man die eigenlijk dood had moeten zijn. In 2016 werd hij naar eigen zeggen van achteren, rennend voor zijn leven, neergemaaid door het leger van president Maduro.

Een kogel vaagde het rechterdeel van zijn kaak weg. Hij heeft minder dan de helft van zijn tanden over. Een andere kogel schampte zijn slaap. Op zijn rug, rechterarm en -been zitten nog meer littekens waar kogels binnendrongen. Over zijn buik loopt een verticale ribbel van de operatie. Aan weerszijden twee knobbels waar de drains zijn lichaam uitkwamen. Hij heeft het document van de chirurg nog: van 26 september tot 11 december 2016 verbleef hij in het ziekenhuis. Eindresultaat: satisfactorio, bevredigend.

En die dikke strepen op zijn arm? Van die keer dat een draaiende slijptol afbrak in zijn handen en door zijn biceps maaide. Zelf vulde hij zijn lichaam met tatoeages. Op zijn bovenarm: ‘Verwacht niet te delen in mijn overwinning als je afwezig was in mijn strijd.’ Op zijn torso Angélica, de naam van zijn dochtertje, dat hij met zijn vrouw achterliet in de Venezolaanse hoofdstad Caracas. ‘Ik zou haar nooit meenemen de jungle in’, zegt hij. ‘Ik lijd hier, zodat mijn familie straks met het vliegtuig kan komen. Deze reis moet ik in mijn eentje afleggen.’

In de bewoonde wereld schaamt hij zich voor zijn gezicht, de hap uit zijn rechterwang, het knijpende linkeroog. Dankzij de pandemie kon hij zich verschuilen achter mondkapjes. Maar in de Darién valt de schroom weg, onder zware omstandigheden voelt hij zich op zijn best. In de avonden, terwijl zijn kleren hangen te drogen, loopt hij in een boxershort door het tentenkampje, in de weer met een kampvuur, afdakjes bouwend van stukken gejut plastic of met een lamp op het hoofd speurend naar vissen in de rivier.

Samen met José, die zijn vrouw en dochter wel meenam, diende hij een jaar in het Venezolaanse leger. Waar zijn dromerige vriend moeite had om zijn plek te vinden, zaten de discipline en de harde trainingen Yosen als gegoten. Hij leerde wekenlang in de wildernis door te brengen met tientallen kilo’s op zijn rug en een zwaar wapen in zijn handen. Het blijken waardevolle lessen voor een migrant. Terwijl José met zijn dochter de dagen doorbrengt in de achterhoede van de groep, loopt Yosen steevast voorop met een zware rugtas, de grond afspeurend naar spullen die de groep kan gebruiken. Dankzij ‘Winkelcentrum Darién’ slaapt hij elke nacht in een nieuwe tent. De beste exemplaren bewaart hij voor groepsgenoten die lekkende tentjes meesjouwen. Wanneer zijn gympen uit elkaar vallen, schenkt de jungle hem een paar passende bergschoenen.

Met de berg in de rug biedt de rivier Membrillo de migranten een kabbelend spoor richting de bewoonde wereld. Halverwege de donderdagochtend bereiken de Venezolanen een open plek waar de rivier een paar meter diep is en het water glashelder. Grote vissen zwemmen in de diepte. Yosen duikt er als eerste in. Wie kan zwemmen, volgt zijn voorbeeld. Telkens opnieuw: een duik, eruit klauteren en nog een duik. Zorgen spoelen even weg.

In de loop van de middag vergeten de snelste lopers het voornemen van de ochtend: bij elkaar blijven. De kopgroep zou om de zoveel tijd wachten op de tragere reisgenoten die op een afstand volgen met twee gidsen. De verplichte pauzes leiden tot frustraties, energie sijpelt weg tijdens het zitten. Maar een opgesplitste groep is een zwakke groep. Vooral het feit dat de vier gidsen met jachtgeweren niet samen zijn, maakt de twee helften kwetsbaar.

Vanuit tegengestelde richting passeren regelmatig groepjes inheemse Embera-mannen die de migrantenroute afstruinen naar mensen ‘zonder eigenaar’. Niet alle migranten hebben gidsen, sommige mensen beginnen de tocht met begeleiding, maar kunnen het tempo van de groep niet bijbenen en zijn op zichzelf aangewezen. Smokkelaars hopen halverwege groepjes over te nemen of op te pikken en wat extra dollars te verdienen. Het is een extra element van spanning: de dreiging van een beroving hangt continu in de lucht.

Yosen vertrok vijf maanden geleden moegestreden uit Venezuela. ‘We zijn zo vaak de straat opgegaan in de hoop dat die sapo, die pad, Maduro zou opzouten, maar hij zit er nog steeds.’ Hij zag vrienden sterven, kwam zelf bijna om. ‘De slachtoffers verdwijnen, de volgende dag zie je er niets meer van. Zo is Venezuela.’ Platzak kwam hij aan in de Colombiaanse stad Medellin, hij sliep de eerste week op straat en verkocht snoepjes. Hij spaarde zijn inkomsten op en kocht er een tas vol sportsokken van. Met de sokken verdubbelde hij zijn winst. ‘Ik verdiende genoeg om een goedkope hotelkamer te huren en geld naar huis te sturen.’ In september werd Angélica 5, hij betaalde het feestje.

Een lang modderpad leidt uiteindelijk terug naar de Membrillo, naar een plek waar de rivier rustig kabbelt langs een brede oever. De dag zit erop, hier wordt het kamp opgeslagen. Met drek bedekte kleren en lichamen worden gewassen, natte eigendommen uitgestald in de zon. Yosen pakt zijn tas uit, zittend in het ondiepe water poetst hij met een tandenborstel zijn kostbaarste bezittingen. De borstel gebruikt hij niet voor zijn laatste tanden, die spoelt hij met Listerine.

Hij reinigt twee paar zwarte sneakers, poetst twee glimmende horloges, legt zijn baseballjack te drogen en stalt zijn collectie hotelzeepjes uit, een verzameling uit Medellin. Met militaire precisie wordt alles weer ingepakt wanneer de klus is geklaard. Daarna spant hij stukken plastic tussen de bomen, zodat zijn reisgenoten hun tenten onder een afdakje kunnen opzetten.

Wanneer de zon begint te zakken, komen de laatsten het woud uit. Een van de gidsen draagt de kleine Joseyli op zijn schouders. Frank waadt door het water in zijn blauwe T-shirt en grijze joggingbroek. Lizmerly en José strompelen als laatsten de rivier in. Yosen, gekleed in onderbroek, ontfermt zich over het vuur.

Hij kent niemand in de VS, maar met zijn ziekenhuisverslag laten ze hem vast binnen. Misschien kan hij aan de slag als visser in Alaska – hij heeft gehoord dat je daar goed geld kan verdienen. Hij vouwt zijn vingers ineen. ‘Ik wil settelen met mijn gezin. Ik wil met mijn dochter zijn.’ Anderen hebben hun kind bij zich, hij niet. Hij weet waarom hij haar niet meenam, maar het gemis is er niet minder om. ‘Ze slaapt niet naast me, we eten niet samen.’ Stel je toch eens voor dat hij haar straks weer in zijn armen kan sluiten. ‘Samen een hotdog eten, samen naar Disney World. Of gewoon een dag naar het park.’

Per boot de jungle uit

Vrijdag en zaterdag

Het ontbijt bestaat uit vers gevangen vis. Daarna zet de groep zich in beweging, weer langs het water, weer door de modder. Het begint te regenen zoals het nog niet eerder heeft geregend. Even houdt het bladerdak de dikke druppels tegen, dan glijdt het water alsnog van blad naar blad en is het plotseling overal. Een warme, verstikkende douche die naar adem doet happen. Tussen de bomen door kolkt de rivier. Zo tam als ze was, zo wild grijpt ze nu om zich heen. Eerdere buien kwamen en gingen, deze regen houdt aan.

Tot de verlossing komt. Het woud opent zich en tussen de bomen hangen grote plastic zeilen. Onder die zeilen staan lange houten banken – en vrouwen achter sissende grillplaten met rijst en vlees. Dit is het kamp Espavé, de plek die de platbodems van de Embara over de ondiepe rivier nog net kunnen bereiken. In het water liggen de langgerekte kano’s in een waaier naast elkaar. Tegen bomen staan buitenboordmotoren, bonkige stalen exoten in het regenwoud.

De Venezolanen kruipen bijeen op de bankjes onder een zeil waarop de regen onophoudelijk neerdaalt. Nu ze stilzitten, hebben hun natte, vermoeide lichamen het plots koud. Het eten bestaat uit een bord rijst met een stukje gegrild varkensvlees, een bakbanaan en drie schijfjes tomaat. Een feestmaal voor 5 dollar. En er is frisdrank. Coca-Cola! De smaak van Amerika.

Tot diep in de avond komen afgepeigerde en doorweekte migranten uit de jungle. Kamp Espavé vult zich met een kleine tweehonderd mensen, die hutjemutje hun tenten opzetten. Afval hoopt zich op in stinkende bergen. Magere honden scharrelen tussen de troep. Net buiten het zicht schreeuwt een brulaap, dit is nog steeds de Darién.

De Cubaanse hartsvriendinnen Sandy en Eva, beiden 33, vertellen hoe ze de afstand vanaf het Caribische strand in twee onmenselijk lange dagen hebben afgelegd, van voor zonsopkomst tot diep in de avond. Urenlang liepen ze in het donker, voortgedreven door het moordende tempo van de smokkelaar. ‘Ik hield het vol omdat ik daar niet wilde zijn’, zegt Sandy. ‘Ik ben hier niet voor gemaakt.’ De vrouwen praten door elkaar, hijgend en lachend. Ze moesten vandaag meermaals de kolkende rivier oversteken. Het water kwam tot aan hun borst.

De vriendinnen woonden een paar jaar in Suriname. Andere landgenoten vertrokken van Cuba naar Chili of Uruguay, om later vanwege economische nood opnieuw te vertrekken. Tussen de vele Cubanen bevinden zich plukjes migranten die van nog veel verder komen. Een paar jongens uit India klitten samen. Rahul (21) uit de Indiase deelstaat Haryana vertelt dat hij naar Oekraïne vloog en vanaf daar naar Bolivia. ‘Ik heb een broer in New York en een broer in Californië.’ Dertien vrienden uit Sri Lanka liggen lepeltje-lepeltje op de grond. Ze zijn precies acht maanden onderweg, zegt Vinoj Vinoth uit de stad Jaffna. Ze vluchtten voor de politieke spanningen thuis. Ook zij vlogen op Bolivia.

De volgende ochtend nemen de Venezolanen plaats in een van de piraguas, de langgerekte boten. Ieder met de benen gespreid en bijna bij de ander op schoot. De houten boot schraapt over de rotsen. Een Embera staat voorop en begeleidt het vaartuig met een lange stok door de stroomversnellingen. De stuurman achterin staart naar de commando’s van zijn collega. Een hand omhoog: ondiep, motor uit het water. Hand omlaag: zakken en gassen.

De boot glijdt urenlang over de Membrillo tussen het regenwoud door, nu niet langer een bedreiging. Op de oever zit een roerloze leguaan. Vogels vliegen op van het geluid van de buitenboordmotor. De rivier afzakkend leidt de piragua de Venezolanen via het inheemse dorp Canaán – langs een eerste politiepost en een meedogenloze muggenplaag – naar het stadje Metetí. Daar worden de migranten ondergebracht in San Vincente, een stinkend opvangkamp van de Panamese autoriteiten, waar journalisten zonder officiële toestemming niet welkom zijn.

In het kamp registreert de Panamese migratiedienst de vingerafdrukken van de migranten, fotografeert hun gezichten en noteert de gegevens van hun (vaak verlopen) identiteitspapieren. Panama deelt de informatie met de VS, zodat de Amerikanen op de hoogte zijn van de migranten die hun kant op komen.

Na twee dagen in het opvangkamp reizen de Venezolanen per nachtbus naar de grens met Costa Rica. Via WhatsApp doen ze verslag van het vervolg van hun reis. Ze doorkruisen Costa Rica, Nicaragua, Honduras. Soms blijven ze een paar dagen op dezelfde plek, wachtend op een geldtransfer van een familielid of bijklussend in een bouwproject om het volgende traject te kunnen betalen.

Half november stuurt Lizmerly een bericht vanuit een migrantenopvang in Guatemala, net voorbij de Hondurese grens. ‘Ik heb vandaag 200 quetzal verdiend met het verkopen van snoepjes.’ 22 euro, bijna genoeg voor twee buskaartjes naar Guatemala-Stad. Dan naderen ze de Mexicaanse grens en wachten de laatste gevaarlijke hordes op weg naar het land van de onbegrensde mogelijkheden. ‘Het gaat heel goed’, schrijft ze. ‘Godzijdank.’

Over dit verhaal

Correspondent Joost de Vries en fotograaf Carlos Villalon reisden in de laatste week van oktober met Venezolaanse migranten door de Darién. Het oerwoud op de grens tussen Colombia en Panama is voor migranten vanuit Zuid-Amerika de fysiek zwaarste horde op weg naar de VS. De journalisten staken op legale wijze de grens over en ontmoetten de Venezolanen op het strand bij het Panamese plaatsje Armila. Voor de gehele tocht van vijf dagen namen de journalisten vier lokale gidsen in de arm. In het stadje Metetí werden de journalisten door de Panamese autoriteiten van de migranten gescheiden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden