Conamus is meer dan Willem Duysmuziek

Meer aandacht voor dance en rock, nauwe samenwerking met het Nationaal Popinstituut, en een meer doelgerichte aanpak. Conamus, de in 1961 opgerichte stichting ter promotie van Nederlandse populaire muziek, ondergaat onder de nieuwe directeur Saskia Bruning een verjongingskuur....

door Nicoline Baartman en Gijsbert Kamer

CONAMUS IS 'heel erg veranderd', zegt Saskia Bruning (32), jurist en sinds 1 december 1996 directeur van Conamus, stichting ter bevordering van Nederlandse populaire muziek. In 1993 was ze door haar voorganger John de Mol sr. aangenomen als pr-medewerker. 'Toen ik hier aankwam, kende ik Conamus alleen maar zoals de meeste mensen de vereniging kennen, denk ik. Namelijk: is dat niet die instelling die elke jaar de Gouden en Zilveren Harpen uitreikt?'

Bruning begon bij Conamus, opgericht in 1961 als Comité Nederlandse Amusementsmuziek, op een moment dat was besloten dat het roer om moest. Conamus – zeg maar, de club van de Willem Duysmuziek ('die connotatie is misschien logisch, maar ik wil 'm zelf niet in de mond nemen') – zou voortaan ook belangstelling voor dance en rock aan de dag moeten leggen, en zich niet langer uitsluitend richten op het levens- en luisterlied en aanpalend repertoire.

Conamus was toen al een paar jaar betrokken bij Noorderslag, het festival voor Nederlandse alternatieve popmuziek in Groningen. Ze bemoeide zich ook al met de Popprijs (op verzoek van BV Pop, die de organisatie daarvan niet langer alleen kon bolwerken), en had de eerste European Dance Music Convention meegeorganiseerd, een internationale conferentie voor de dance-industrie, die nu Amsterdam Dance Event heet en zelfstandig door Conamus wordt georganiseerd.

We spreken Bruning vlak voor haar zwangerschapsverlof, op een moment dat in de Hilversumse villa waar Conamus gevestigd is, de laatste voorbereidingen worden getroffen voor het Amsterdam Dance Event. Met ruim achthonderd geaccrediteerden uit binnen- en buitenland, geniet dit evenement ook internationaal een steeds groter aanzien.

De tijd was er rijp voor, jazeker, maar de vernieuwingsdrang werd niet alleen door helder inzicht en mooie inhoudelijke motieven ingegeven. Een kentering van financiële, organisatorische aard was minstens zo ingrijpend: op 1 januari 1997 moest Conamus op eigen benen gaan staan. Was ze, een bedrijf met tien personeelsleden waarvan de helft parttime, voorheen 'een volle dochter' van Buma (van Buma/Stemra), nu werd die band verbroken.

Saskia Bruning: 'Buma is de organisatie die de uitvoeringsrechten int en uitkeert, niet de rechten die platenmaatschappijen moeten betalen voor het gebruik van Nederlands repertoire op geluidsdragers, maar was horecagelegenheden en concertzalen, instanties die muziek ten gehore brengen, horen te betalen. Dat geld keert Buma weer uit aan de aangeslotenen muziekauteurs en uitgevers.

'Op grond van internationale afspraken mag ze tien procent van het geld dat ze int, gebruiken voor sociale en culturele doeleinden. Promotie van Nederlandse muziek in eigen land en buitenland is zo'n culturele doelstelling. Daarvoor was Conamus, als een volle dochter, verantwoordelijk.

'Formeel zijn we dat dus niet meer, maar tot op heden wordt het grootste deel van de begroting nog wel door Buma gefinancierd. Jaarlijks dienen we daarvoor een begroting in met voorgenomen activiteiten.'

Vanwaar die scheiding tussen Buma en Conamus?

'Buma wilde van de vanzelfsprekendheid af en de vrijheid krijgen om met andere partners te werken, wat ze toch al deed. Bovendien kiest Buma er nu nadrukkelijk voor zelf cultureel beleid te ontwikkelen, waar wij dat vroeger deden voor de lichte muziek en het Centrum Nederlandse Muziek voor de serieuze muziek.

'Maar ook bij ons leefde de behoefte eens wat meer om ons heen te kijken. Door onze achtergrond werden we gedwongen ons te beperken tot repertoire waarop het Nederlands auteursrecht van toepassing is. Dat gaf wel eens aanleiding tot frictie.

'Zo heeft 2 Unlimited nooit de Exportprijs van Conamus gekregen. Het waren Nederlandse artiesten, maar hun muziek werd geproduceerd in België, dan heb je dus te maken met buitenlands auteursrecht. Strikt genomen was het geen Nederlands repertoire, terwijl 2 Unlimited heel belangrijk is geweest voor de opleving van de Nederlandse dance in het buitenland.

'Maar we zijn nu ook vrij – of gedwongen, het is maar hoe je het bekijkt – andere partners te zoeken, zoals het Nationaal Pop Instituut (NPI), de Nederlandse Vereniging voor Platenproducenten en - Importeurs, de SENA [een muziekrechtenorganisatie voor uitvoerende kunstenaars en plaatproducenten], maar ook de overheid.'

Meer samenwerking met ter zake kundige instanties streeft Bruning na. Een van haar eerst doelen als directeur was: contact leggen met het NPI, toen nog SPN (Stichting Popmuziek nederland), de enige, door de overheid gesubsidieerde, landelijke popmuziekinstantie. Uitvloeisel is bijvoorbeeld dat Conamus en NPI niet langer gescheiden Nederlandse promotie-cd's maken voor het buitenland.

Bruning: 'Het is ridicuul, maar het kwam voor dat we elk met en eigen stand op een beurs in het buitenland stonden, met twee verschillende cd's, vaak ook nog met repertoire dat elkaar overlapte. Daar werd heel raar op gereageerd, het viel ook niet goed uit te leggen.

'En we gaan ook niet meer afzonderlijk naar dezelfde beurzen. NPI neemt bijvoorbeeld de organisatie voor South By South West, de belangrijkste beurs in Amerika, op zich; maar we zijn er wel bij betrokken. Wij nemen MIDEM in Cannes en Popkomm in Keulen voor onze rekening, beurzen die meer op commerciële exploitatie zijn gericht.

'Door die verdeling kunnen we doelgerichter werken en veel meer bereiken. We overleggen wel, bijvoorbeeld dom een eenvormige presentatie te bewerkstelligen. Dat is soms nog wennen, dan komt het cultuurverschil wel eens naar boven. Maar het is al veel minder geworden.

'Wij doen de samenstelling van de dance-cd, daar zijn wij goed in thuis. En zij doen de rock. Eigenlijk gaat het vanzelfsprekend. Er is niet meer zoveel gesteggel over.'

En op den duur maakt de een de ander overbodig, dan gaan jullie samen in één grote popclub?

'Ik denk het niet. Er blijft verschil in benadering. Wij zijn in eerste instantie gericht op de commerciële exploitatie van muziek, het zichtbaar maken van succes. Hun benadering heeft p de eerste plaats een cultureel of sociaal-cultureel karakter.

'Vroeger waren het gescheiden werelden, allebei zijn we veranderd. Wij hebben geleerd naar dingen te kijken die misschien niet zoveel opleveren maar toch belangrijk zijn. Zij zijn tot het inzicht gekomen dat het geen kwaad kan eerst te kijken of ergens wel belangstelling voor bestaat.

'Bovendien zetten zij zich ook in op het vlak van de amateurskunstbeoefening. Wij gaan ons er pas tegenaan bemoeien als het om semiprofessionele muziek gaat. Zo zijn er wel meer wezenlijke verschillen. Daarom al er ook behoefte blijven aan twee verschillende instituten.'

Is het erg cynisch om te veronderstellen dat de promotie van Nederlandse muziek in het buitenland eigenlijk onzin is?

'Ja, natuurlijk zeg ik ja. Het zou onzin zijn als wij zeiden: nu zullen wij er eens even voor zorgen dat artiesten in het buitenland succes krijgen. Maar we kunnen wel voorwaardescheppend zijn, een steentje bijdragen.

'Neem de MIDEM-beurs in Cannes. Daar hebben we een gigantische stand, tientallen labels en producers kunnen er hun product onder de aandacht brengen. Het is een dure beurs, alleen al om binnen te komen, en dan moet je je weg nog vinden. Wij bieden een plek in onze stand en bundelen informatiemateriaal, zo kunnen wij behulpzaam zijn.

'Maar ik heb niet de illusie dat we verantwoordelijk zijn voor het buitenlandse succes van Anouk. Toch, als anouk op een promotie-cd staat aan het begin van haar carrière, dan blijkt later dat er buitenlanders zijn die haar al hebben gehoord. Zo van: dat was toch dat Nederlandse meisje dat ook op die cd stond? Dat zijn maar heel kleine dingen die de bekendheid van een land al vergroten.

'Maar de grootste rol in de buitenlandpromotie is natuurlijk weggelegd voor platenmaatschappijen en managements. Wij willen daarin ondersteunen, dat is al.'

Conamus wil niet op de stoel van de impresario gaan zitten, benadrukt Bruning. Vroeger was dat anders: het is nog niet eens zo lang geleden dat Conamus ”interessante” artiesten zonder platencontract de mogelijkheid gaf een plaat op te nemen. Het kant en klare product werd dan aan de platenmaatschappijen aangeboden. Zo geschiedde ook met de eerste cd van Ruth Jacott, een Conamus-productie, die in 1993 door Dino werd overgenomen, toen bekend werd dat Ruth Jacott aan het songfestival zou meedoen.

'Daar zijn we mee gestopt. Zowel het bestuur van Conamus als ik vond dat geen goed idee. We werken niet aan de promotie van één artiest. Bovendien: als platenmaatschappijen geen interesse hebben, wie zijn wij dan om ons er mee te bemoeien?'

De laatste jaren is het aantal activiteiten verdriedubbeld. Was Conamus voorheen 'een soort advies- en subsidiepartner' in bestaande projecten, tegenwoordig ontwikkelt ze ook zelf ideeën, zoals de Muzikantendag; een voorlichtingsdag waarop mensen wegwijs worden gemaakt in de muziekwereld.

Laten jullie platenmaatschappijen betalen? Doet Conamus bijvoorbeeld iets samen met Sony?

'Nee, wij werken niet per artiest, maar doen alleen algemene projecten die ten goede komen aan meerdere artiesten. Samen met de landelijke organisatie voor lokale omroepen (OLON) en de VNPI, brengen we eens in de twee weken een cd uit waarop alle nieuwe Nederlandse binnenkomers in de Mega Top 100 zijn opgenomen. Plus, voor zover de ruimte dat toelaat, extra tips die platenmaatschappijen tegen betaling van honderdvijftig gulden op de cd kunnen zetten. Een band, of haar platenmaatschappij, kan zo voor een relatief klein bedrag voor driehonderdvijftig lokale stations gedraaid worden. Nee, niet op basis van de hoogste bieder wordt die cd gevuld, maar gewoon volgens het systeem van wie het eerst komt, het eerst maalt.'

Hoe meetbaar is het succes van Conamus?

'Dat is heel moeilijk vast te stellen. Conamus reikt bijvoorbeeld elk jaar Gouden en Zilveren Harpen uit. Een Zilveren Harp, een aanmoedigingsprijs ging vorig jaar naar Acda en de Munnik. Dat werd op de televisie uitgezonden, net op de dag dat hun nieuwe single uitkwam. Door die aandacht zag je de verkoop van hun plaat als een speer omhoog gaan.

'Maar als ik zeg dat het goed gaat met de Nederlandse popmuziek, dan is dat niet alleen dankzij Conamus. Er spelen ook andere factoren mee. Het wegvallen van buitenlandse supersterren bijvoorbeeld. In een periode waarin er even geen Madonna's en Michael Jacksons zijn die voor omzet zorgen, wordt er door de Amerikaanse hoofdkantoren van platenmaatschappijen tegen de andere landen gezegd: ga maar investeren in lokaal talent. Je ziet ook dat het publiek de laatste tijd behoefte heeft aan identificatie met artiesten die hun buurman hadden kunnen zijn. Het succes van Marco Borsato is hier voor een deel aan te danken.

'Anders dan in de jaren tachtig gaat het heel goed. Vorige week zeiden we zelfs voor de grap tegen elkaar: we kunnen onszelf nu opheffen. Want was bleek? Tien van de eerste twaalf plaatsen van de album lijst van de Mega Top 100 werden ingenomen door Nederlandse producties. En met namen als Acda en de Munnik, Volumia!, Marco Borsato en Ilse De lange, bleek het ook nog eens een heel gevarieerd repertoire. Daar hebben we toch ons steentje aan bijgedragen. Maar vraag me niet in welke mate.'

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden