Commissie-11/3 is vooral druk met zichzelf

Ruim een jaar heeft een parlementaire commissie in Spanje onderzoek gedaan naar de aanslagen van 11 maart in Madrid. De politiek wenste een definitief antwoord op de vele vragen en geruchten rond de opgeblazen treinstellen die aan 191 mensen het leven kostten en ruim 1500 verwondden....

Iñaki Oñorbe Genovesi

De commissie heeft haar opdracht groots aangepakt. De dames en heren commissieleden - elk van hen vertegenwoordigde een politieke partij in het Spaanse parlement - kwamen liefst 48 keer bij elkaar om zich van hun taak te kwijten. Tijdens die sessies kwamen honderdduizend documenten voorbij, verschenen 57 getuigen, onder wie ex-premier José Maria Aznar en premier José Luis Zapatero, en werden nieuwe hypothesen geformuleerd.

De commissieleden hadden het geluk dat het onderzoek van politie en justitie naar de daders van het bloedbad ongekend snel verliep. Kinderlijk eenvoudig bleek het achterhalen van de herkomst van de mobiele telefoons die de bommen tot ontploffing hadden gebracht. Bovendien blies een groot deel van de moslimterroristen zichzelf op nadat hun schuilplaats in de Madrileense arbeiderswijk Léganes was ontdekt.

Het weerhield de Spaanse politie en justitie er niet van een enorm netwerk van mededaders, hulpjes en tussenpersonen bloot te leggen. Eind dit jaar moeten honderd verdachten in het streng beveiligde tentoonstellingsgebouw verschijnen aan de Casa de Campo, waar het Spaans nationaal gerechtshof tijdens terreurprocessen zitting houdt.

Het voortvarende speurwerk van de Spaanse politie en justitie contrasteerde met de drang naar waarheidsvinding van de commissieleden. Liever vervielen de leden in ordinaire politieke twisten om het eigen partijstandpunt voor het voetlicht te brengen. Zozeer dat Pilar Manjón, woordvoerder van de slachtoffers, in tranen vroeg of de dames en heren alsjeblieft van de commissie geen schoolplein wilden maken.

Gegeneerd beloofden ze beterschap. Tot de commissieleden deze week de eigen conclusies en aanbevelingen mocht presenteren. Opnieuw overschreeuwden ze elkaar met politieke verwijten en beschuldigingen. En werden de eigen partij-inzichten als enige waarheid gepresenteerd. Opvallend is dat alle conclusies identiek zijn aan die van ruim een jaar geleden.

De socialistische PSOE van premier Zapatero houdt vol dat de regering van Aznar het gevaar van moslimterrorisme heeft onderschat. Maar nog erger: dat de ex-premier en zijn centrum-rechtse Partido Popular de Spanjaarden na de aanslagen hebben misleid om de verkiezingen op 14 maart te kunnen winnen. Aznar bleef volhouden dat niet Al Qa'ida, maar de Baskische afscheidingsbeweging ETA verantwoordelijk was toen duidelijk was dat moslimterroristen de bommen hadden geplaatst.

De Partido Popular ontkent. De Spaanse politie heeft voorafgaand aan 11 maart zitten slapen en van pogingen de verkiezingen te manipuleren is geen sprake. Bovendien meent de PP dat er nog steeds geen onweerlegbare bewijzen zijn die de betrokkenheid van de ETA uitsluiten. Net zo min kan met zekerheid gesteld worden dat Al Qa'ida daadwerkelijk voor de aanslagen verantwoordelijk is. Voor de PP staat één ding vast: het bloedbad was uitsluitend bedoeld om Aznar uit de macht te krijgen.

Aan commissie-voorzitter Paulino Rubio is nu de moeilijke taak voor 22 juni de leden tot elkaar te laten komen opdat hij met een gezamenlijke verklaring kan komen. Het lijkt uitgesloten. Daarvoor liggen de verklaringen over de tragische gebeurtenissen en de dagen erna te ver uit elkaar. Bovendien zou een verandering van inzicht kunnen worden uitgelegd als een politieke nederlaag - of nog erger, als het bewijs dat destijds over zaken is gelogen.

Zijn de werkzaamheden van de parlementaire commissie dan voor niks geweest? Niet helemaal. De emotionele getuigenissen namens de slachtoffers van Pilar Manjón hielp het land bij het verwerken van het drama. Ook kregen de Spanjaarden eindelijk inzicht in de werkwijze van politie en justitie in hun strijd tegen het terrorisme, inclusief al hun tekortkomingen. Veel zorgelijker is de constatering dat een jaar en vier maanden na het bloedbad de politieke verdeeldheid in de commissie - en dus in Spanje - enorm is.

Voorzitter Rubio heeft al voorzichtig geopperd desnoods slechts met gezamenlijke aanbevelingen te komen die tot een efficiëntere strijd tegen terrorisme moeten leiden. Ook dit lijkt haast onmogelijk. Dat bewezen premier Zapatero en PP-leider Rajoy vorige week met hun gesteggel over de massale demonstratie tegen het regeringsvoornemen om besprekingen met de ETA-terroristen te openen.

Net als in de parlementaire commissie maakten Zapatero en Rajoy de feiten ondergeschikt aan de eigen standpunten. Want in een verdeeld Spanje is politieke winst heilig - desnoods over de rug van de slachtoffers van terrorisme.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden