Come on, Kevin

Kevin Rowland overwon zijn cocaïneverslaving en hervond zijn passie voor zingen. Dexys is terug, zonder Midnight Runners.

Er was een tijd dat Kevin Rowland zijn grootste hit Come On Eileen niet meer kon horen. Te pijnlijk, te confronterend. Dat was begin jaren negentig. Zijn band Dexys Midnight Runners, waarmee hij de wereldhit in 1982 had gemaakt, bestond al jaren niet meer. Het geld dat hij met dit nummer en het succesvolle tweede Dexys-album Too-Rye-Ay had verdiend, was op. En wat er aan royalty's binnenkwam, ging op aan een cocaïneverslaving.

Rowland: 'Ik had alles verkocht en leefde op straat. Ik huurde hier in Londen een flatje, maar was gestopt de rekeningen te betalen. De elektriciteit werd afgesloten en ik stond op het punt het dak boven mijn hoofd te verliezen. En dan hoorde ik Come On Eileen weer ergens, en dacht ik: het is nog maar tien jaar geleden dat ik zo succesvol was, kijk eens wat er van me terechtgekomen is.'

Niet dat Rowland (58) terugverlangde naar zijn status van beroemd popzanger, die met tuinbroek aan de zomer van 1982 van een soundtrack voorzag. Nee, zo legt hij uit in een café achter in een natuurwinkel in Hackney, Oost-Londen. Van die status had hij jaren eerder bewust afstand genomen. Maar iets in hem bleef altijd vasthouden aan wat zijn grootste passie was sinds hij als klein jongetje beelden van Elvis Presley had gezien: zingen. Ineens was dat ook weg. Daar schrok hij van. Er moest iets gebeuren.

Rowland zocht hulp en kreeg die ook. 'Vrienden en bevriende muzikanten die zelf verslavingsproblemen hadden, raadden me een afkick-kliniek in Clapham aan. Daar zat ik zes maanden. Ik praatte met niemand over Dexys. Ik wilde niet in het verleden leven en wist ook niet of ik ooit zou terugkeren in de muziek.'

Toch was het de popmuziek die Rowland naar eigen zeggen een eerste handreiking deed naar een nieuw leven. Zo hoorde hij op de radio weleens liedjes voorbij komen die hij kende uit zijn jeugd: The Long And Winding Road, This Guy's In Love With You en Rag Doll. 'Die nummers raakten me ineens diep. Daar wilde ik iets mee.'

Vijf jaar na Rowlands ontslag uit de kliniek, in 1994, zong Rowland ze op het album My Beauty, samen met andere liedjes die veel voor hem betekenden. De coverplaat had het begin van zijn artistieke wederopstanding moeten worden, maar bleek een commercieel fiasco. Platenmaatschappij Creation ging vlak na de verschijning ervan op de fles. Rowland zag de plannen voor het beloofde vervolgalbum in duigen vallen.

Een plaat met nieuwe liedjes van Kevin Rowland zou dertien jaar op zich laten wachten en verschijnt volgende week: One Day I'm Going To Soar. Het is de eerste plaat die Rowland uitbrengt onder de bandnaam Dexys (zonder Midnight Runners) sinds Don't Stand Me Down, het geflopte derde Dexys-album uit 1985.

Voor het eerst in jaren is Rowland bereid zijn verhaal te doen. Terwijl hij een kopje kruidenthee drinkt, neemt hij in het Londense café alle tijd voor zijn bezoek. Anderhalf uur vertelt hij zonder schroom over de hoge pieken en diepe dalen in zijn carrière.

Hij is goed gehumeurd, want alles gaat hem ineens voor de wind, zoals hij zegt. De plaat is eindelijk klaar, tijdens de vier Dexys-concerten begin mei kregen hij en zijn bandleden staande ovaties en zijn televisie-optreden een dag voor het gesprek 'deed me fluitend van plezier naar huis gaan.'

Maniakaal

Gaat het goed met zijn muziek, zegt hij, dan gaat het goed met Kevin Rowland. Al had het niet veel gescheeld of One Day I'm Going To Soar was nooit verschenen. 'Ik ben een maniakale perfectionist, echt. Als ik voel dat er iets aan mijn stem mankeert, of als een geluidje me tijdens het opnemen niet bevalt, blaas ik de hele boel af. De afgelopen tien jaar ben ik een keer of vijf bijna aan een nieuwe plaat begonnen. Alles was in gereedheid en dan zei ik op het laatste moment: 'Sorry, dit gaat niks worden.''

Waarom nu wel? Een kwestie van de juiste mensen en de juiste manier van opnemen, meent Rowland. In een studio vlak bij zijn huis in Hackney nam hij iedere dag twee liedjes op met een band. Die telde drie muzikanten die eerder in Dexys Midnight Runners hebben gespeeld: toetsenist Mick Talbot (hij vormde later met Paul Weller het duo The Style Council), bassist Pete Williams en trombonist 'Big' Jim Paterson.

De muziek is fraai. De elf nummers zijn vol soul en organisch gearrangeerd. Rowland zingt sterk en gaat enkele venijnige dialogen aan met zangeres Madeleine Hyland. Muzikaal ligt One Day I'm Going To Soar in het verlengde van het 27 jaar geleden verschenen en minst populaire album van Dexys Midnight Runners, Don't Stand Me Down. Daarop leek het opzwepende, energieke en soms furieuze geluid van de eerste twee platen geïmplodeerd.

De naam is teruggebracht tot Dexys ('zo veel snelheid leggen we ook niet meer aan de dag'), maar dezelfde ingrediënten als voorheen keren terug. Soulmuziek, Van Morrisons manier van declameren, folk en jarenzeventig-pop vormen een knap, nieuw geheel.

Soul

De band maakte begin jaren tachtig veel indruk door bestaande, wat bezadigde, genres als soul en folk een flinke opdonder te geven en van een jeugdig, energiek elan te voorzien. Wat de Specials en Madness met ska en reggae deden, deed Dexys met soul. De Stax-soul op het eerste album Searching For The Young Soul Rebels (1980) werd op het tweede, succesvolste album Too-Rye-Ay (1982) uitgebreid met violen en ander folk-instrumentarium. 'Celtic Soul' noemde Rowland de muziek op dit album. Het was in 1982 de ideale zomersoundtrack.

De liedjes op zijn nieuwe album One Day I'm Going To Soar vertellen samen een verhaal. Dat zit volgens Rowland vol autobiografische elementen, zoals al zijn liedjes. Muziek maken is voor hem altijd een soort zelfonderzoek geweest. 'Het zoeken naar het pure of het waarachtige en de ultieme schoonheid - uiteindelijk kom ik daar steeds op uit. Op mijn nieuwe plaat doe ik dat in een liedcyclus, maar ook Dexys' andere platen Searching For The Young Soul Rebels, Too-Rye-Ay en Don't Stand Me Down zijn vertellingen waarin de liedjes niet los van elkaar staan.'

Voor Rowland waren de drie Dexys-albums meer dan een verzameling liedjes. 'Ik heb mezelf altijd helemaal leeggezongen. Iedere plaat was een uitputtingsslag. Dat ze alle drie in stijl zo van elkaar verschilden, is slechts iets cosmetisch.'

Al op de eerste Dexys-plaat hoor je de twintiger Rowland haast wanhopig zingen over het zoeken naar zingeving, de hoop op verlossing en catharsis. 'Grote woorden, maar het is zo ja. Zingen is ook een soort van exorcisme. Boze geesten uitdrijven, waarvan ik vaak vooraf niet wist dat ik ze in me had.'

In een van zijn vroegste liedjes,Tell Me When My Light Turns Green (1978), zingt Rowland:

Seen quite a bit in my twenty-three years,

I've been manic depressive and I've spat a few tears.

Dat manisch-depressieve kenmerkt hem nog steeds, zegt hij. 'Funester is misschien mijn aanleg voor verslavingen. Die uitte zich niet alleen tijdens die cokeperiode, maar uit zich nog steeds als ik met muziek bezig ben. Dan is er niks anders wat telt en ben ik krankzinnig veeleisend. Vooral voor mezelf. Mijn leven zou een stuk makkelijker zijn als ik niet zo hard voor mezelf zou zijn. En als ik niet steeds als ik iets heb bereikt, me precies het tegenoverstelde ten doel zou stellen.'

Dat beschouwt Rowland niet alleen als de rode draad in zijn muzikale loopbaan tot nu toe, maar ook als grootste bedreiging ervan. 'Toen Dexys eind jaren zeventig begon, wilde ik met de energie van punk een nieuwe soulvariant neerzetten en daar succesvol mee worden. Compromisloos drilde ik de band. Tot gek wordens toe. Maar het werkte. Dexys werd een groot succes, de single Geno kwam op de eerste plaats.'

Maar de band werd Rowlands dictatoriale manier van leidinggeven beu, en viel uit elkaar. 'Dat vond ik prima, ik wilde in 1981 wat anders: een cultband worden.'

In dat jaar beschikte Rowland naar eigen zeggen over zijn beste band ooit en met zijn The Projected Passion Revue maakte hij veel indruk. 'Toch was het niet goed genoeg. Ik zag bands die tegelijk met ons waren begonnen, ineens veel groter worden. Zoals U2. Ik dacht: dat wil ik ook.'

Rowland gaf Dexys een nieuw uiterlijk, zigeuners in tuinbroeken, en was vastbesloten de popmarkt te veroveren. Wat Duran Duran kon met plastic rommel, moest hij met echte muziek toch beter kunnen. 'Too-Rye-Ay moest hét popalbum van 1982 worden, en Come On Eileen de hit van het jaar. En ja hoor, het lukte.'

Hitlijsten

In eigen land en in de Verenigde Staten bereikte Come On Eileen de eerste plaats van de hitlijsten. Dexys Midnight Runners had de wereld aan zijn voeten. 'En wat denk je? Het liet me volkomen koud. Ik voelde me volkomen leeg. Ik had geld en een mooie flat in Birmingham, met hoogpolig tapijt en een grote tv. En ik voelde geen enkele voldoening. Op straat werd ik niet meer aangesproken door muziekliefhebbers, maar kwamen ze naar me toe omdat ik beroemd was. Dat haatte ik.'

Die showbizzkant van popmuziek kon Rowland gestolen worden. Hij wilde in 1983 wel eens een plaat maken zoals Van Morrison dat kon, met lange stukken gesproken woord. Even geen snelle liedjes met pakkende refreintjes, maar knap geconstrueerde muziekstukken waar hij de tijd voor nam.

De periode tussen 1983 en 1985 beschouwt hij als zijn gelukkigste. Rowland werkte met Helen O'Hara - de violiste van zijn band, tevens levenspartner en muze - aan Don't Stand Me Down. Hij wist zeker dat hij met dat album een meesterwerk had afgeleverd, al dacht zijn platenmaatschappij daar anders over.

'Je raakt met dit album alles kwijt wat je hebt, zeiden ze. Ik antwoordde: 'Wat dan? Ik heb niks dat waarde voor me heeft.' Ik had er niet van uit moeten gaan dat die plaat, waarop nummers van meer dan tien minuten stonden, zichzelf zou verkopen. Ik was bijna drie jaar weggeweest, de platenmaatschappij deed niks met de plaat, de pers reageerde lauw en het publiek negeerde het album.'

Wat ook niet hielp, was het nieuwe uiterlijk van de band, die in chique Ivy League-kleding op de hoes stond afgebeeld. Inmiddels wordt Don't Stand Me Down beschouwd als een van de belangrijkste Britse platen van de jaren tachtig, indertijd werd er vooral badinerend over gesproken.

Dat heeft Rowland diep gekwetst, bekent hij. Uit een soort van rancune nam hij in 1988 nog een popplaat op, The Wanderer, met liedjes 'die nergens naar klonken, en waar geen ander idee achter zat dan: laat mij ook maar eens een onbeduidende plaat maken als dat de mode is.'

Rowland, inmiddels weer alleen, raakte volledig de weg kwijt. Zijn kapitaal verdampte, cocaïne begon zijn leven te beheersen. 'Alles komt voorbij op de nieuwe plaat. Een aantal liedjes vond zijn oorsprong al in mijn donkere jaren. In die tijd ben ik met Jim Paterson weleens gaan schrijven.'

Met de trombonist, die zelf vocht tegen een alcoholverslaving, heeft hij altijd contact gehouden. Ze ontmoetten elkaar op gezette tijden om weer iets te proberen. 'Hij was alcoholist, ik cokeverslaafde, dat werkte moeizaam. Maar de muziek van toen bleek nu ineens bruikbaar.'

'Big' Jim Paterson heeft net als Rowland zijn verslaving overwonnen. Hij speelt, na vijftien jaar geen instrument te hebben aangeraakt, weer bij Dexys. 'Als Jim op het podium een nummer inzet, voel ik me diep ontroerd. Dat zijn van die momenten dat ik intens gelukkig kan zijn. Ik weet dat we een mooie plaat gemaakt hebben, dat de naam Dexys weer iets kan betekenen. Ik heb de juiste mensen om me heen, dus wat kan er nog misgaan? Nu nog mezelf onder controle houden. Ik ben de enige die Dexys kan bedreigen.'

Dexys: One Day I'm Going To Soar. BMG Rights Management. (verschijnt 4 juni)

-----------------------------

Eén plaat, drie gedaanten

Links de covers van de drie albums van Dexys Midnight Runners. Het derde album van de band, Don't Stand Me Down (1985). Dat is drie keer uitgebracht. In 1997 verscheen een geremasterde versie van platenlabel Creation. Na jaren was de plaat, die een cultstatus genoot als 'onbegrepen meesterwerk', daarmee ineens weer leverbaar. Maar er was in de mastering iets misgegaan. Althans, Rowland haatte de nieuwe mix. Dus bracht hij de plaat in 2002 bij EMI opnieuw uit, vergezeld van een uitgebreid mea culpa en het liedje Kevin Rowlands 13th Time. Wie alle versies van Don't Stand Me Down nu met elkaar wil vergelijken, heeft de handicap dat geen van de drie edities thans leverbaar is. Rechts het nieuwe album van Dexys, dat maandag verschijnt.

----------------------------

'Comeback van de eeuw'

Dexys gaf begin mei in Groot-Brittannië vier concerten. Het speelde het nieuwe album One Day I'm Going To Soar integraal en vervolgens een korte selectie uit het oude werk. De optredens werden door de Britse pers unaniem lovend besproken en her en der bestempeld als de 'comeback van de eeuw'. De nieuwe liedjes vertellen samen het verhaal van een man die in veel opzichten zoekende is en verliefd wordt op iemand die aanvankelijk onbereikbaar lijkt. De liefde blijkt ontoereikend, de hoofdpersoon voelt zich onbegrepen. Hij constateert dat hij beter alleen verder door het leven kan gaan en heeft daar vrede mee. Tussen de oude liedjes waarmee Dexys het concert afsloot, bevond zich - behalve fraaie vertolkingen van Old, Tell Me When My Light Turns Green en Liars A To E - ook een opnieuw gearrangeerd trager en langer geworden Come On Eileen.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden