Comaverwekkend of uitdagend fris

Dinsdag wordt voor de 32ste keer de Booker Prize uitgereikt, de belangrijkste en meest invloedrijke literaire prijs van het Engelse taalgebied....

WAT IS de commerciële literaire prijs toch een geniale uitvinding! Werkelijk iedereen die ermee te maken heeft wordt er beter van. Sponsors krijgen publiciteit, schrijvers prijzengeld, hogere oplagen of op zijn minst aandacht, uitgevers meer omzet, juryleden gelegenheid zich te profileren, critici gelegenheid zich nog veel meer te profileren, columnisten een onderwerp, boekhandels vulling voor etalages of pronktafeltjes, cultuurprogramma's een aanleiding de tijd vol te kletsen, gefnuikte talenten een excuus om zich nog eens te laten vollopen en cultuuraanbidders een aansporing ook dit jaar weer over te gaan tot de aanschaf van een boek.

In Groot-Brittannië wisten ze dat allang. In 1968 werd daar de Booker Prize ingesteld (een jaar later voor het eerst uitgereikt), nog altijd het grote voorbeeld voor AKO en Libris. De prijs was niet direct een succes. Pas na enkele in de media breed uitgemeten 'two-horse races', zoals die tussen Anthony Burgess (Earth ly Powers) en William Golding (Rites of Passage) in 1980 en D.M. Thomas (The White Hotel) en Salman Rushdie (Midnight's Children) in 1981, werd de Booker Prize een fenomeen. Tv-uitzendingen met vaak vinnige discussies droegen hiertoe bij. Gokken op boeken werd net zo populair als wedden op paarden.

Jaarlijks komen zo'n vijfduizend titels in aanmerking, te weten alle Engelstalige fictieboeken die buiten de VS zijn verschenen. Om de taak van de jury niet onmenselijk te maken, mogen uitgevers maximaal twee titels per fonds aanmelden, een ernstig nadeel voor de grote literaire fondsen. Wel mag de jury extra boeken aanvragen. Dit jaar werden honderdtwintig titels beoordeeld.

Dat de Booker Prize een fenomeen is, blijkt onder meer uit de creatieve wijze waarop iedereen zich ermee bemoeit. Zo ontving Robert McCrum, ex-uitgever bij het gereputeerde Faber & Faber en thans literair redacteur van The Observer, aan de vooravond van de bekendmaking van de nominaties een e-mail met de titels van de zes uitverkoren boeken. De dag erop bleek dat geen van de genoemde boeken de laatste zes had gehaald. Een grapje van internetboekhandel Bol.

De roddelrubriek van The Times zat er dichter bij. Die voorspelde Margaret Atwood en Kazuo Ishiguro goed, maar ging met David Malouf en Muriel Spark de mist in. Bij zulke 'voorspellingen' is de wens doorgaans de vader van de gedachte. Of was het toeval dat een groot deel van de door Bol verspreide 'nominaties' was verschenen bij imprints van Random House, net als Bol een Bertelsmann-dochter?

Het is in de 32-jarige geschiedenis van de prijs nog nooit voorgekomen dat de shortlist door de media unaniem met gejuich werd ontvangen. Op de lijst prijken Margaret Atwood (The Blind Assassin; Doubleday) , Trezza Azzopardi (The Hiding Place; Picador) , Michael Collins (The Keepers of Truth; Phoenix House), Brian O'Doherty (The Deposition of Father McGreevy; Arcadia), Kazuo Ishiguro (When We Were Orphans; Faber & Faber) en Matthew Kneale (English Passengers; Hamish Hamilton).

Veel onbekende namen? Dat vonden de Britse critici en boekhandelaren ook (daags na bekendmaking van de nominaties had Londens grootste boekhandel, Waterstone's op Piccadilly, slechts twee van de zes titels in huis). Waar waren groten als Julian Barnes, wiens Love, Etc. toch door menigeen als een literaire revanche werd beschouwd? Waar waren John Banville, Blake Morrison, John Lanchester, William Trevor, J.G. Ballard, Timothy Findley, Doris Lessing, Michael Ondaatje, Jeanette Winterson, Patrick McGrath en Will Self?

En waar was het literaire wonderkind dat begin dit jaar het Britse literaire establishment deed opveren: Zadie Smith?

Journalist en juryvoorzitter Simon Jenkins hield het erop dat nogal wat vooraanstaande auteurs 'beneden hun niveau' hadden gepresteerd. De meest venijnige reactie kwam van Sunday Times-columniste India Knight, die zich vooral opwond over het feit dat haar eigen debuut - het als 'een 21ste-eeuwse Bridget Jones' geafficheerde My Life on a Plate - niet was genomineerd. 'Waarom gaat niet één boek over het hedendaagse leven?', klaagde Knight, die verder schamperde dat Azzopardi, O'Doherty en Collins op de dag van hun nominatie samen niet meer dan 553 boeken hadden verkocht: 'Waarom worden lachwekkende verkoopcijfers altijd beschouwd als een teken van kwaliteit?' Verder vond zij alle boeken, op die van Ishiguro na, 'comaverwekkend saai'.

Ook Robert McCrum was aanvankelijk geschokt door de lijst, maar hij nam de moeite de onbekende boeken te lezen en stelde vervolgens zijn oordeel bij. 'Voor veel mensen is dit het enige moment in het jaar dat ''Nieuwe Fictie'' een belangrijk gespreksonderwerp vormt. Des te beter dus voor de leesclubjes van midden-Engeland en groter Londen dat ze worden geconfronteerd met werk van schrijvers van wie ze nooit hebben gehoord, in plaats van te worden bevestigd in wat ze allang wisten.' McCrums slotoordeel over de shortlist: 'Uitdagend, fris, ongebruikelijk en behoorlijk veelzijdig.'

Deze blijmoedige kijk op 'nieuw en anders' wordt door de bookmakers overigens niet gedeeld. Zij riepen onmiddellijk na de bekendmaking van de nominaties Atwood tot favoriet uit, met Ishiguro als goede tweede.

The Blind Assassin (De blinde huurmoordenaar; Bert Bakker) is Atwoods tiende roman. In haar vorige werken heeft ze zich telkens zeer bekwaam betoond in het vermogen sub-literaire genres naar haar hand te zetten: van sciencefiction (The Handmaid's Tale), via de spionageroman (Bodily Harm) tot de Gothic Novel (The Robber Bride).

The Blind Assassin kan worden opgevat als Atwoods antwoord op de stuiverroman. Het bevat de memoires van Iris Giffin (82), geschreven voor haar kleindochter Sabrina. Zij is haar enige nog levende familielid, al hebben beiden inmiddels alle contact verloren. Iris' herinneringen beginnen met de dood van haar zuster Laura, het gevolg van een auto-ongeluk kort na de Tweede Wereldoorlog. Tot Laura's nalatenschap behoorde een manuscript, waarin ze over zichzelf schreef in de verhulde vorm van een sciencefictionroman.

Iris publiceerde het boek, dat een enorm succes werd. Vijftig jaar na dato leggen bewonderaars nog alijd bloemen op haar graf. Uiteraard bleef deze ontwikkeling niet zonder gevolgen voor Iris. Atwood wisselt het verhaal van Iris af met hoofdstukken uit Laura's boek, en laat - zoals te verwachten - beide verhalen gaandeweg steeds meer in elkaar verstrengeld raken.

IN When We Were Orphans (Toen wij wezen waren; Atlas) vertelt Kazuo Ishiguro het verhaal van de gevierde detective Christopher Banks, die na jaren in Londen te hebben gewoond in de jaren dertig terugkeert naar zijn geboortestad Shanghai, aan de vooravond van de Japanse inval. De detective is ervan overtuigd dat zijn ouders, die lang geleden op raadselachtige wijze zijn verdwenen, zich in de stad moeten bevinden. Ishiguro's beschrijvingen van een steeds obsessiever zoekende Banks die te midden van chaos, ellende en bloedvergieten blind zijn doel blijft nastreven, behoren tot de meest indringende die hij heeft geschreven.

Ze worden gepresenteerd als een gruwelijke nachtmerrie, wars van logica, maar in wezen verschillen ze niet van zijn schijnbaar veel rustiger, maar vaak net zo broeierige schilderingen van het Britse middle class-bestaan, en sluiten ze naadloos aan op de vervreemdende ervaringen van Ryder in The Unconsoled. Na de heftige scènes in Shanghai, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog (een thema dat telkens in Ishiguro's werk terugkeert), krijgt de roman een tamelijk prozaïsche, maar daarom niet minder schrijnende apotheose.

The Deposition of Father McGreevy was op een haar na niet gepubliceerd. Auteur Brian O'Doherty, een in New York woonachtige Ier en in het verleden actief als beeldend kunstenaar onder het pseudoniem Patrick Ireland, liep tientallen uitgevers af met het manuscript. Uiteindelijk wist hij het onbekende uitgevershuis Turtlepoint te interesseren. Zijn roman bestaat voor een groot deel uit de verklaring van de priester uit de titel tegenover een ongeinteresseerde politieman.

De centrale gebeurtenissen spelen zich af in de jaren 1940-'41 in een geïsoleerd Iers dorpje en hebben het uiteenvallen van de dorpsgemeenschap als thema. Zeven vrouwen sterven op mysterieuze wijze, gezinnen raken ontwricht, kinderen belanden in het weeshuis, de achterblijvende mannen vergrijpen zich aan hun schapen. Het knapst aan The Deposition of Father McGreevy is de wijze waarop O'Doherty erin slaagt het authentieke geluid van een Ierse priester uit het midden van de vorige eeuw tot leven te wekken.

Net als O'Doherty is Michael Collins van Ierse komaf; hij woont in de VS. En ook in zijn boek draait het om de sociale en economische teloorgang van een dorpsgemeenschap. Maar daarmee houden de overeenkomsten op. The Keepers of the Truth speelt in small town America, ergens in het midden-Westen, in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Verteller Bill - verlopen en verlaten - is journalist bij de plaatselijke krant The Truth. In die hoedanigheid wordt hij geconfronteerd met een crimineel, die ervan wordt verdacht zijn eigen vader te hebben vermoord.

Via de ex-vrouw van de crimineel krijgt hij tips, later volgen anonieme brieven, en al snel raakt Bill verstrengeld in een web van verwikkelingen, die uiteindelijk culmineren in een gewelds explosie. Aan de hand van een reeks retorische vragen van Bill maakt Collins duidelijk dat hij de beschreven verwikkelingen als exemplarisch beschouwt voor het verval van de hele gemeenschap die hij beschrijft.

De derde grote onbekende is debutante Trezza Azzopardi. Zij volgde het befaamde, ooit door Malcolm Bradbury opgezette creative writing-programma van de University of East Anglia, dat onder anderen Kazuo Ishiguro (ook genomineerd; toeval?) en Rose Tremain (dit jaar jurylid; toeval?) voortbracht. Azzopardi is van Welsh-Maltese afkomst, en dat is aan haar in de jaren vijftig gesitueerde boek af te lezen.

The Hiding Place (De schuilplaats; De Bezige Bij) vertelt over de gokverslaafde Maltees Frankie Gauchie, die in het beruchte Tiger Bay-havendistrict van Cardiff in contact komt met de lokale Maltese maffia. Het verhaal wordt verteld door diens dochter Dolores, die als baby verminkt is geraakt bij een brand. Doordat Dolores een groot deel van het boek als 5-jarige tot de lezer spreekt, deelt deze dikwijls haar verwarring. Maar de vaak gruwelijke gebeurtenissen dringen wel degelijk tot ons door, en The Hiding Place maakt vooral indruk als een overtuigende en dikwijls beklemmende weergave van de angsten van een kind dat zich bedreigd voelt.

English Passengers van Matthew Kneale is in veel opzichten het meest ambitieuze boek van de shortlist. Door middel van brieven, dagboeken, herinneringen en andere vertelvormen komen dan ook wel twintig stemmen aan bod in dit epos. Tot de hoofdrolspelers behoren arts Thomas Potter en dominee Geoffrey Wilson. Zij zijn op weg naar de strafkolonie in Tasmanië - we schrijven midden negentiende eeuw - waar zich volgens Wilson de Tuin van Eden heeft bevonden. Ironisch genoeg is Tasmanië anno 1857 het tegendeel van een aards paradijs. Nergens in de nieuwe kolonie, die later Australië zal gaan heten, is de oorspronkelijke bevolking zo meedogenloos afgeslacht als op dit eiland. En waar Britse wapens aborigines over het hoofd zagen, maakten ziekten het werk af.

Kneale laat flinke delen van zijn roman vertellen door Peevay, een aboriginal wiens moeder door een Britse gevangene is verkracht en die derhalve een donkere huid en licht haar heeft. English Passengers kent twee verhaaldraden die tegen het eind van het boek samenkomen. Het is een klassiek, rijk, misschien wat gewichtig boek en het zal, wat de jury ook beslist, hoogstwaarschijnlijk Matthew Kneales doorbraak naar een breder publiek betekenen.

NU WE HET er toch over hebben: wat zal de jury, volgens commentatoren te verdelen in twee populisten (Simon Jenkins en tv-presentatrice Mariella Frostup) en twee intellectuelen (prof. Roy Foster en Sunday Times-redacteur Caroline Gascoigne) plus één 'neutrale' figuur (schrijfster Rose Tremain), beslissen? De bookmakers houden het, zoals gezegd, op Margaret Atwood, wier favorietenrol ongetwijfeld samenhangt met haar bekendheid. Het is al de vierde keer dat ze voor de Booker Prize wordt genomineerd, en zulke statistieken scoren goed in gokkerskringen. Ook de voorlaatste keer dat ze de shortlist haalde, in 1996, zagen de bookies Atwood zitten. Alleen Beryl Bainbridge gooide toen nóg hogere ogen. Die was toen immers al voor de vijfde keer genomineerd! Maar 'Booker bridesmaid' Bainbridge won niet in 1996, net zomin als Atwood in 2000 zal winnen. Want statistieken alleen zeggen niets.

Net als Atwood is Ishiguro dit jaar voor de vierde maal genomineerd. Ook hij heeft een abonnement op deze shortlist. Alleen The Unconsoled - inmiddels door steeds meer critici zijn meesterwerk genoemd - liep een uitverkiezing mis. Een nominatie is echter het hoogst haalbare voor When We Were Orphans. Het is een knappe roman, maar zeker niet Ishiguro's beste, en het lijkt aannemelijk dat juryvoorzitter Jenkins mede op dit boek doelde toen hij stelde dat veel grote namen dit jaar wat tegenvielen.

De prijs gaat dit jaar dus naar een van de zogeheten dark horses (want alle vormen van competitie worden in Groot-Brittannië afgemeten aan het paardenrennen). Maar niet naar Brian O'Doherty. Zeker, het is een heerlijk 'leesboek' over dat mysterieuze ouwe Ierland, waar de broertjes McCourt een puntje aan kunnen zuigen, maar het is allemaal net een beetje te traditioneel, net een beetje te veel 'grootvader vertelt' om voor zo'n serieuze bekroning in aanmerking te komen. Met de nominatie van O'Doherty heeft jurylid Roy Foster, die Ierse geschiedenis doceert in Oxford, wel het maximaal haalbare in de wacht gesleept.

Ook die andere onbekende Ier, Michael Collins, blijft met lege handen. Als sportman reikte Collins reeds tot grote hoogten - hij won onder meer de Everest Marathon en de Himalayan Stage Race - maar als schrijver is hij vooralsnog een verdienstelijk Ardennen-bedwinger. En dat is niet genoeg voor de Booker.

Matthew Kneale dan? Zijn epos over twee negentiende-eeuwse Engelsen, per schip op weg naar Down Under, past in een mooie Bookerwinnaars-traditie: daar gingen Rites of Passage van William Golding (1980) en Oscar and Lucinda van Peter Carey (1988) immers ook over. En verder bevat dit boek, voor wie het zien wil, elementen uit bekroonde boeken als The Ghost Road (Pat Barker, 1995), Sacred Hunger (Barry Unsworth, 1992), The Bone People (Keri Hulme, 1985) en Schindler's Ark (Thomas Kenneally, 1982). Kneale verdient de prijs, maar zijn bekroning zal stuklopen op een confrontatie tussen de fijnbesnaarde literaire opvattingen van prof. Roy Foster en Sunday Times-redacteur Caroline Gascoigne (pro-Kneale), en de middlebrow-standpunten van Simon Jenkins en tv-presentatrice Mariella Frostup (pro-Azzopardi). De stem van Rose Tremain (pro-Ishiguro) moet de doorslag geven.

En zo komt, na twee jaargangen waarin oude meesters werden bekroond - J.M. Coetzee in 1999, Ian McEwan in 1998 - de weg vrij voor een debutante met een degelijke East Anglia-achtergrond. Trezza Azzopardi zij gefeliciteerd met de Booker Prize 2000.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden