Coltrane

Martin Bril..

Had hij geleefd, dan was hij afgelopen zondag 80 jaar geworden. Maar hij is al dood sinds 1967.

John Coltrane.

Jazz ontdekte ik via een vriend, of beter gezegd: ik had ooit een vriend die hartstochtelijk van jazz hield, dus ging ik er ook naar luisteren, want in trouwe vriendschap wil je dat alles een band schept en doe je je best voor de ander.

De eerste jazzplaat die ik kocht, eind jaren zeventig, op zijn advies, was A Love Supreme van Coltrane, een plaat gestoken in een zware kartonnen hoes, zwart-wit van kleur, Coltrane melancholiek op de cover. Ik weet ook nog waar ik de plaat kocht: in een klein jazzwinkeltje in Groningen, achter de schouwburg. Bestaat die winkel nog?

A Love Supreme was een plaat die prima paste bij mijn studententijd. De muziek was zweverig en verheven, de artiest zo humorloos als een dominee die af en toe twijfelt aan zijn geloof, maar zichzelf in het gareel houdt door met stenen in zijn schoenen rond te lopen. Het sloot, in onze belevingswereld, perfect aan bij Joy Division en Seventeen Seconds van The Cure. Dat zegt overigens meer over ons en het tijdsgewricht dan over het verband tussen jazz en new wave, maar dat terzijde.

Al snel had ik een Coltrane-tic, en zodra ik wat geld over had, kocht ik een volgende plaat van hem, waarbij ik vooral alert was op de opnamen die hij voor het Impulse-label maakte; die moest je hebben, dat was de ware Coltrane. Maar hoe meer Coltrane ik kocht, hoe erger ik het begon te vinden – dat vreselijke getoeter, die eindeloze solo’s, die verschrikkelijke drums. Toen ontdekte ik dat Coltrane, voor hij zichzelf tot groot en onomstotelijk kunstenaar verhief, ook een paar albums voor Atlantic had gemaakt: Olé, Giant Steps. Dat vond ik wél prachtige platen, maar ik voelde me altijd een beetje een sukkel als ik dat vond, want het ware werk van de maestro ontging me dus, om niet zeggen dat ik eigenlijk tekortschoot.

Intussen begon ik ook naar andere jazz te luisteren: Thelonious Monk, Ornette Coleman, Charlie Parker, Miles Davis, Dexter Gordon, Cannonball Adderley, Duke Ellington. En hoe meer ik hoorde, hoe klassieker eigenlijk mijn smaak bleek te zijn. Zodra de muziek de gebaande paden van lied en melodie dreigde te verlaten, kreeg ik het moeilijk. Misschien dat Lonely Woman van Ornette Colemans Atlantic-album The Shape Of Jazz To Come de enige uitzondering daarop is – dat vond ik, vanaf het eerste moment dat ik het hoorde, een prachtig nummer waarbij alles wat Coleman daarna maakte eigenlijk in het niet viel.

Maar goed.

De vriendschap met de jongen – inmiddels een man – die mij liet kennismaken met de jazz, is inmiddels verwaterd, zoals dat soms gaat met vriendschappen. We zien elkaar nog weleens, maar hebben het nergens meer over, en vooral niet over muziek. Hij draait nog steeds de platen van Coltrane, daarvan ben ik overtuigd, en hij hoort in diens woeste, maar cerebrale muziek nog steeds dingen die ik er niet in hoor.

Hij is ook nog steeds ernstig en zwaar op de hand, net als 25 jaar geleden. Ik misschien niet, en daar zal het verschil wel in zitten. De een ontsnapt aan het verhaal van zijn jeugd, de ander bouwt het uit tot een epos dat een leven lang meekan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden