Cold case archeologie

Veel kennis over ons verleden ligt voor het oprapen. Niet onder de grond, maar in oude archieven.

De cold cases van de Nederlandse archeologie worden ze genoemd: de duizenden in vergetelheid geraakte vondsten uit de 19de en 20ste eeuw. Ze liggen niet verstopt in de grond, maar in archieven en depots of op zolderkamers. Vol mogelijke antwoorden op archeologische mysteries en vraagstukken - zomaar voor het grijpen.


Gemiddeld werd in de vorige eeuw minstens een keer per week ergens in Nederland een schep in de grond gestoken. Het aantal opgravingen wordt daarmee geschat op achtduizend en bij elkaar hebben ze miljoenen vondsten opgeleverd. Maar van al die opgravingen is zeker de helft nooit uitgewerkt; wegens tijd- en vooral geldgebrek. Er werd in die decennia ontzettend veel gebouwd in Nederland. En voor aanvang van zo'n project mochten archeologen de grond in. Amateurs, musea, wetenschappers of medewerkers van de Rijksdienst. Soms zeer professioneel, soms minder.


Omdat zoveel van de vondsten, foto's, schetsen en aantekeningen in dozen zijn verdwenen, besloot de wetenschappelijke geldschieter NWO 32 beurzen uit te reiken aan onderzoeksteams die de onuitgewerkte raadselen van de Nederlandse archeologie onder de loep wilden nemen. Het Rijksmuseum van Oudheden exposeert vanaf deze week de resultaten van het onderzoek naar de cold cases onder de titel Bij nader inzien. Hier drie hoogtepunten.

Project 1: Het grootste grafveld van Noordwest-Europa (1000-450 v. Chr.)

Liesbeth Theunissen noemt zichzelf een detective van het verleden. 'Ik probeer gravend te achterhalen wat er tussen de oren van de bronstijdboeren heeft plaatsgevonden.' En dat graven hoeft van Theunissen niet per se in de grond. Want zij mocht zich als archeoloog van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed de afgelopen jaren tot haar grote genoegen bezighouden met dertig jaar aan archiefkasten vol materiaal uit het grootste urnenveld van Noordwest-Europa op de Boshoverheide bij Weert. 'Dat is een plek met een magische klank voor archeologen.'


De eerste informatie over het veld is uit de 19de eeuw, toen twee Limburgse oudheidkundigen er aan het graven gingen. 'De meeste grafgiften zijn destijds al uit de grond gehaald. Dat waren bijzondere voorwerpen die zijn verdwenen in privécollecties of kleine buitenlandse musea. Uit de verslagen weten we van zwaarden en paardenbitten.'


Van tijd tot tijd wordt Theunissen dan ook gemaild als iemand weer ergens een urn heeft gevonden of als er in Duitsland of België een siervoorwerp opduikt dat als gift mee het graf in ging.


Een groot probleem was dat al die jaren niemand wist wat precies waar lag en ligt, zegt Theunissen. 'Er bestond geen overzichtskaart. Die is er nu wel, digitaal.'


Theunissen en haar collega-onderzoekers bekeken vijftien opgravingen tussen 1968 en 1994. Nu blijkt dat slechts 9 procent van het terrein is opgegraven. Op basis daarvan schatten de archeologen dat er zo'n drieduizend grafheuvels zijn.


De grootste ontdekking was tegelijkertijd ook een beetje een teleurstelling. 'Lange tijd werd gedacht dat de begraafplaats alleen mannen herbergde maar het nieuw onderzoek naar de crematieresten wijst uit dat de verhouding tussen mannen, vrouwen en kinderen gelijk is.' Theunissen: 'Stiekem vind ik dat wel jammer, het andere was spannender geweest.'


We gaan ervan uit dat de overledenen van ver naar deze plek werden gebracht, zegt Theunissen. Veel doden werden pas ter plaatse gecremeerd, blijkt uit de vele brandstapels die in het gebied zijn aangetroffen. De Boshoverheide is hierin een uitzondering, want op geen enkel van de honderden kleine grafvelden in Nederland is ooit een brandstapel gevonden. 'Hoe en hoe lang die doden voor de crematie werden bewaard weten we helaas niet. Dat is typisch voor archeologisch onderzoek: soms krijg je tijdens je onderzoek alleen maar meer vragen, in plaats van minder.'


De bijzonderste vondst is die van drie minuscule glaskraaltjes die ook in het museum van Oudheden worden geëxposeerd. Het is een van de vroegste vondsten van glas in Nederland. De vondst zegt volgens Theunissen vooral veel over het bestaan van connecties en handelsroutes, want de ruwe materialen voor glas kwamen uit de regio van Libanon. 'Zo weten we onder meer dat het niet per se kleine afgesloten boerengemeenschapjes waren, maar dat ze meer in contact met de wereld stonden dan lange tijd werd gedacht.'


Zelf de grond ingaan bij Weert is voorlopig in elk geval geen optie. 'Het is een rijksmonument en een terrein van Defensie. De grond is beschermd, je mag er niet graven. Maar ik heb een goed alternatief: ik ga er regelmatig wandelen.'

Project 2: De eerste boeren van Nederland (5300-4900 v. Chr.)

De vroege Nederlanders (vanaf 14500 v. Chr.) waren jagers, vissers en verzamelaars, die als nomaden door het land trokken. Tot er omstreeks 5300 v. Chr. een raar volkje in het zuidelijkste puntje van Limburg arriveerde. Het waren de eerste boeren die zich vanuit het Donaugebied hadden verspreid door heel Europa, van het huidige Kiev tot Parijs. Deze boeren bouwden de eerste permanente nederzettingen met stevige huizen.


Dit rare volkje heeft de aandacht van Ivo van Wijk, werkzaam bij archeologiebedrijf Archol. Hij heeft zich de afgelopen veertien jaar gespecialiseerd in de bandkeramiek, zoals het aardewerk van deze boeren wordt genoemd. Het heeft een kenmerkende versiering aan de randen. Van Wijks voornaamste onderzoeksterrein is een plukje Zuid-Limburg, waar die boeren zich tussen 5300 en 4900 v. Chr. vestigden.


Van Wijk noemt het de vreemde eend in de bijt van de Nederlandse archeologie. 'Zo'n groep boeren die Limburg kwam binnenzetten vanuit het Donaugebied. Voor de jagers moet het een merkwaardige verschijnsel zijn geweest: mensen die een soort futuristische nederzetting bouwden. En dan op één plek bleven wonen!'


Meestal ging Van Wijk zelf de grond in, maar in dit geval boog hij zich over talloze vondsten, prenten en aantekeningen van voorgangers, die tot 1925 teruggingen.


De onderzoeken van bijna 100 jaar geleden waren wel bekend, omdat er vaak aan wordt gerefereerd. Maar dat Van Wijk ze nu zelf mocht bestuderen vond hij bijzonder. 'Het is een soort archeologie van de archeologie. Je krijgt een beeld van hoe ze groeven. Er was destijds veel haat en nijd tussen allerlei archeologen en organisaties, vooral van het Westen versus Limburg. Die strijd heeft 30 jaar gewoed en is uitgevochten tot aan het ministerie. Dat is prachtig om te lezen.'


Van Wijk en zijn team bestudeerden veertien opgravingen die tussen 1925 en 2001 hebben plaatsgevonden. 'Allemaal kennis die voor het oprapen lag. Ons uitgangspunt is vooral het behouden en bewaren van vondsten; als je alleen maar wilt graven, schiet je je doel voorbij.'


Het proces van graven en onderzoek doen was destijds niet heel anders dan nu, vertelt Van Wijk. 'Ze hadden alleen geen graafmachines, en er bestond nog geen publicatieverplichting zoals nu.'


Misvattingen over de boeren die rond de vroegste opgravingen ontstonden, werden in de jaren zestig hersteld. 'Lang werd gedacht dat ze in een soort hutkommen in de grond woonden, maar ze woonden in paalwoningen.'


Al de onderzoeken bij elkaar leverden een nieuwe kijk op de bandkeramiekers uit de Maasstreek op. 'Er werd altijd verondersteld dat deze eerste boeren in een vrij rigide samenleving leefden, met vaste regels voor behuizing en keramiek. Maar bij nader inzien blijkt dat veel minder het geval te zijn. We weten nu dat er wel degelijk van alles veranderde. De jongere generaties ontworstelden zich aan de ouderen.'


Zo blijkt dat de oudste nederzettingen voornamelijk bekende vuursteenbronnen ten oosten van Maastricht bleven gebruiken. De jongere nederzettingen gingen op zoek naar nieuwe bronnen en maakten bovendien vaak gebruik van ruilnetwerken.


Ook werd de versiering op het aardewerk steeds drukker en complexer. 'Dat was een kunst die van moeder op dochter werd overgedragen. Het waren een soort handtekeningen van de familie - net zoals het ruitpatroon van Schotse tartans.'


Van Wijk en zijn team ontdekten dat de wijze waarop nederzettingen werden gesticht, evolueerde. 'Aanvankelijk zochten mensen plekken die aan een heel aantal voorwaarden moeten voldoen qua hoogte, begroeiing en de aanwezigheid van water. Maar dat veranderde.' Zo vormde de Maas alras geen onoverkomelijk obstakel voor de boeren, die zich uiteindelijk aan beide zijden van de rivier vestigden.


'Het rigide systeem voldeed niet meer. Wonen op één plek bleek niet ideaal. Je kon misoogsten hebben, jagers die je vee stalen en bronnen die opraakten. Je ziet het eigenlijk door de hele loop van de menselijke geschiedenis: hoe minder spelregels, hoe sneller de ontwikkeling.'

Project 3: Het best bewaarde Romeinse fort met nederzetting bij Valkenburg (50-240 n.Chr.)

Romeins archeoloog Wouter Vos van het bedrijf VosArcheo en de Saxion Hogeschool Deventer ging in de jaren negentig al eens de grond in bij Valkenburg in Zuid-Holland. Tijdens dat onderzoek merkte Vos op dat er veel meldingen waren gemaakt van vondsten op het naastgelegen De Woerd. Maar een overzichtskaart was er niet en het onderzoek was niet uitgewerkt. 'Toen dacht ik al: doodzonde, dat is een goudmijn die gewoon uit een depot moet worden getrokken.'


Dus het was 'tamelijk geweldig' dat hij van het NWO geld kreeg om verder onderzoek te doen naar de bewoning van De Woerd op ongeveer een kilometer van het Romeinse fort bij Valkenburg.


In de Tweede Wereldoorlog is dat fort in het oude dorp opgegraven, vertelt Vos. 'De Duitsers hadden het gebombardeerd, omdat ze het per ongeluk voor een militaire vliegbasis hadden aangezien. Voor archeologen was dat een voordeel; zij mochten nu de grond in.'


Het castellum - een Romeinse legerbasis waar de hulptroepen aan de randen van het rijk permanent verbleven - van Valkenburg is een van de best bewaarde van Noordwest-Europa. Het naastgelegen terrein werd pas in de jaren zeventig en tachtig opgegraven. 'In een sneltreinvaart van enkele weken is destijds twee hectare grond afgespeurd door de Archeologische Rijksdienst vanwege een grote ruilverkaveling in de gemeente', zegt Vos.


De vondsten waren niet mis. Naast de legerbasis bleek een heel dorp (vicus) te hebben gelegen. 'Met identieke rijtjeshuizen langs goed aangelegde wegen; een soort vinexwijk.' In het dorp woonden veteranen, maar ook de vrouwen en kinderen van de militairen - die niet mochten trouwen, maar dat vaak wel gewoon deden. Ook was er een hele economie, die draaide op de naastgelegen basis. Leerlooiers, handelaren, keramisten - ook het voedsel van de soldaten kwam er vandaan.


'Er is geen enkele andere plek in Nederland waar we zoveel informatie over de vicushuizen hebben. Dat konden we nu allemaal uitwerken.' Nu ligt er dus een blauwdruk van hoe zo'n Romeinse vicus eruit moet hebben gezien in Nederland. Eerder moesten Nederlandse archeologen altijd teruggrijpen op voorbeelden uit Engeland of Midden-Duitsland. 'Dat hoeft niet langer. Want nu hebben we een prachtige plattegrond en reconstructieschetsen van hoe het eruit moet hebben gezien. Dit is een unieke locatie, want alle andere Romeinse dorpen liggen onder steden: Woerden, Alphen, Utrecht, Leiden. Die zullen we nooit zo goed kunnen opgraven.'


De legerbasis en het naastliggende dorp zijn zo tussen 50 en 240 n. Chr. bewoond en in gebruik geweest. Dat was al bekend, maar Vos voegde hieraan toe dat het dorp continu in ontwikkeling was. 'Het is gestaag aangelegd want je ziet houtlaag op houtlaag, en het is tussendoor ook regelmatig in de fik gegaan. In die periode is het dorp voortdurend uitgebreid en aangepast.


Vos heeft ervan genoten om alle oude vondsten uit de kast te halen. 'Het onderzoek was helemaal niet slecht gedaan, maar wel heel gehaast.' Dat archeologen bij voorkeur zelf graven in plaats van het uitgegraven werk van een ander bestuderen is een misvatting, volgens Vos. 'Het zou bizar zijn om dit soort krenten uit de pap links te laten liggen, alleen omdat je zelf wilt graven. We zijn het verplicht aan de wetenschap om de kennis die in de kast ligt te verstoffen te ontrafelen.'


Het eindresultaat van de 32 onderzoeksprojecten is als de tentoonstelling Bij nader inzien in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden nog tot en met 14 september te bekijken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden