Coalitie laat rechteloosheid in Irak bestaan

Zonder de vondst van massavernietigingswapens is de interventie in Irak niet rechtsgeldig, evenmin als de pogingen van de coalitie tribunalen in te richten....

Terwijl de vragen naar de echte redenen achter de oorlog in Irak zich opstapelen, moeten we voorkomen dat we alleen nog maar terugkijken. Een onderzoek naar de handelwijze van de coalitie in de periode vóór de oorlog zou zeer wel bedrog en manipulatie van officiële zijde in het pleidooi voor een oorlog kunnen onthullen. Maar de pijnlijke vragen over de rechtmatigheid van de oorlogshandelingen hebben minder met het verleden te maken dan met de aanhoudende afwezigheid in Irak van alles wat ook maar op een rechtsorde lijkt.

Op het ogenblik is het veiligheidsvacuüm zo ernstig dat we er zelfs aan mogen twijfelen of de oorlog wel voorbij is. Aanvallen op de soldaten van de coalitie tonen aan dat er geen heldere grens bestaat tussen 'voor' en 'na'. Dat geldt ook voor het verontrustende feit dat het gebrek aan wettigheid van voor de bezetting nu onder het formele gezag van de bezettende macht gewoon voortduurt. Per slot van rekening maakt de rechtsorde – en die alleen – het verschil tussen een vrije maatschappij en een dictatuur.

Functionarissen van het coalitieleger erkennen wat zonneklaar is: dat zonder een bewijs van de dood van Saddam het verzet van zijn felste supporters onvermijdelijk zal voortduren. Maar is het niet nodig om op bredere schaal af te rekenen met het voormalige regime? Is het bij het aanbrengen van een scheiding tussen het verleden van Irak en het heden en de toekomst van het land niet even belangrijk om recht te doen aan de slachtoffers en daders van Saddams misdaden?

Tot nu toe schieten de veiligheid en de rechtshandhaving ernstig tekort bij de afrekening met wandaden uit het verleden. Omdat de onderdrukking al decennia duurt en er tienduizenden Irakezen zijn verdwenen, heeft men sowieso al problemen met de verificatie van de bewijzen. Maar vanaf het begin van de interventie hebben functionarissen van de coalitie een schrijnend gebrek aan interesse getoond voor massagraven en voor de plekken waar executies hebben plaatsgevonden.

De chaos bij opgravingen en grafdelvingen – vaak door familieleden die wanhopig het lot van hun geliefden willen achterhalen – en een weinig professionele behandeling van bewijsmateriaal bemoeilijken de zoektocht naar de waarheid. Helaas vormt de lakse houding van de coalitie tegenover forensische kwesties slechts een weerspiegeling van het onvermogen om op grotere schaal een plan te ontwikkelen voor de aanpak van kwesties die te maken hebben met rechtvaardigheid en de rechtsorde of met een centraal orgaan dat voldoende gezag heeft om de nieuwe instituties op te bouwen. Hoewel de Amerikaanse bewindvoerder Paul Bremer onlangs gezag heeft toegekend aan een aantal rechters, is hun macht uiterst beperkt en alleen van toepassing op recente overtredingen en niet op de langdurige schendingen van de mensenrechten die het regime van Saddam kenmerkten.

Nu er nog steeds geen spoor is van massavernietigingswapens blijft de rechtsgeldigheid van de hele interventie een open vraag en daarbij ook de pogingen van de coalitie om in Irak een elementaire wettigheid te vestigen. Deze pogingen kunnen alleen maar slagen als ze mede zijn gebaseerd, hoe gering ook, op het overgangsrecht. Als bezettingsmacht heeft de coalitie, volgens de vierde conventie van Genève, de internationale verplichting op zich genomen om de veiligheid en de rechtsorde te garanderen. Dit betekent dat de coalitie niet zomaar alles kan doen met de trawanten en oorlogsmisdadigers van Saddam. Ze kunnen ze niet eenvoudigweg naar Guantanamo Bay sturen.

De coalitie heeft echter niet veel keus. De instelling van een Irakees tribunaal dat de mogelijkheid heeft om Saddam en zijn trawanten een zekere mate van verantwoording te laten afleggen – een idee dat in de staf van Bremer aan populariteit wint, tenminste als Saddam levend gepakt wordt – is geen realistische optie. Niemand beschikt over voldoende rechtmatigheid: niet degenen die hebben gefunctioneerd onder de rechtsorde van het Ba'ath-bewind en ook niet de teruggekeerde bannelingen. Maar als de coalitie zijn eigen rechtbanken zou inrichten, zou ze net zo hard beschuldigd kunnen worden van overwinnaarsrecht.

Alleen de VN zijn in staat om een vorm van overgangsrecht te handhaven. Dit houdt in dat er onmiddellijk een rechtsorgaan moet komen waarvan de rechtmatigheid is gebaseerd op hetzelfde multilaterale proces dat zich voor de oorlog heeft afgespeeld. In dit geval geeft hoofdstuk 7 van het VN-Handvest de V-raad het gezag om een tribunaal in te stellen, net zoals zij deed bij het beoordelen van de bloedbaden in ex-Joegoslavië en in Rwanda.

Maar in tegenstelling tot het Joegoslavië-tribunaal, dat werd ingesteld tijdens de Balkanoorlog, zou een tribunaal voor Irak meer beperkingen hebben omdat ze niet met terugwerkende kracht recht zou kunnen spreken. Het gevolg is dat, zoals staat aangegeven in artikel 3 van het handvest van het Internationaal Strafhof, de jurisdictie van een Irak-tribunaal zich alleen zou uitstrekken tot de ernstigste schendingen van het humanitair recht waarover brede overeenstemming bestaat.

Maar ook dat is beter dan niks. We weten van de vele regimewisselingen uit de afgelopen decennia dat het probleem van het overgangsrecht niet zomaar weggaat als je het negeert. Sterker nog, niets doen in Irak zal niet alleen de onvermijdelijke afrekening met het verleden uitstellen, het zal het verleden verlengen, omdat het onvervulde verlangen naar rechtvaardigheid voeding geeft aan frustratie, rancune en steun voor extremistische leiders en aan dictatoriale oplossingen.

Het opnieuw vestigen van rechtmatigheid en rechtsorde in het heden is een van de belangrijkste doelen die met het overgangsrecht worden nagestreefd. Als de noodzakelijke instituties beschikbaar komen, moet men in ieder geval een onderzoekscommissie instellen om de bewijsvoering te documenteren terwijl dat nog kan. Een dergelijke commissie zou nog een zekere rechtsbasis verschaffen, waardoor het mogelijk is om tot uitgebreid onderbouwde uitspraken te komen zodra er wel instituties beschikbaar zijn.

Er is nog steeds de mogelijkheid om in Irak een 'voor' en 'na' tot stand te brengen en daarmee de rechtmatigheid van de interventie en de voortdurende bezetting aan te tonen. Maar de juiste weg ligt voor ons, niet achter ons, en bestaat uit een duurzame gebondenheid aan veiligheid, de rechtsorde en het overgangsrecht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.