CNV-bonden moeten fuseren om niet te marginaliseren

MET enige jaloezie volgt de CNV Industrie- en Voedingsbond de verrichtingen van de in allerlei fusiebewegingen verwikkelde FNV-bonden. Sterker nog: als de plannen ook in daden worden omgezet, is er voor het CNV alle reden om met de nodige zorg naar de toekomst te kijken....

DOEKLE TERPSTRA

De vakcentrale CNV telde halverwege dit jaar ruim 353.000 leden. Nooit eerder had de christelijke vakbeweging in Nederland zoveel leden. Zo nam het ledental van de CNV Industrie- en Voedingsbond de afgelopen jaren toe met bijna 25 procent. En de groei lijkt er nog niet uit. Zo te zien is er dus enige reden om tevreden achterover te leunen.

Maar niets is minder waar. Wie de ontwikkelingen en trends in de samenleving goed op zich laat inwerken, kan zich zo'n passieve houding niet veroorloven. Ik doel dan vooral op de voortschrijdende individualisering en decentralisatie. Door deze ontwikkelingen is de roep om maatwerk per bedrijfstak, per bedrijf en per lid geweldig toegenomen. Dat betekent ook dat de verdeling van verantwoordelijkheid anders, namelijk steeds minder centraal, komt te liggen.

De CNV Industrie- en Voedingsbond heeft de afgelopen jaren de gevolgen van dit decentrale beleid aan den lijve ondervonden. We worden er in toenemende mate mee geconfronteerd dat ons belangrijkste product tot nu toe - collectieve arbeidsovereenkomsten (cao's) - niet meer bestaat uit gedetailleerde regelgeving. Steeds vaker gaat het om afspraken op hoofdlijnen, met keuzemogelijkheden voor wat betreft de nadere invulling.

Van een centraal keurslijf naar ruimte voor eigen gedifferentieerde wensen. Per onderneming moet het arbeidsvoorwaardenpakket verder worden ingevuld. Dit gebeurt in overleg met vakbonden of ondernemingsraden. Voorwaarde om als vakbond op deze wijze goed te kunnen functioneren, is dat kaderleden meer ruimte en meer bevoegdheden krijgen. Zij zijn (straks) het eerste aanspreekpunt voor zowel werkgevers als vakbondsbestuurders.

Het is geen geheim dat de traditionele vakbeweging niet is toegesneden op deze aspecten van decentralisatie en individualisering. We zullen nadrukkelijker dan ooit in de bedrijven aanwezig moeten zijn. De leden eisen dat.

Om aan deze eis tegemoet te komen, heeft de CNV Industrie- en Voedingsbond zich per 1 januari van dit jaar opgesplitst in veertien zogeheten autonome vakgroepen. Naar analogie van het bedrijfsleven zou je zelfs kunnen spreken van zelfstandige business units onder de vlag van de CNV Industrie- en Voedingsbond. Het gaat dan om herkenbare eenheden als de metaalindustrie, textiel, chemie, zuivel, horeca en bijvoorbeeld de land- en tuinbouw. Vakgroepen die binnen de kaders van het algemene bondsbeleid hun eigen koers vaststellen. Deze structuur betekent naast een grotere herkenbaarheid ook een bundeling van kennis en ervaring ten behoeve van de eigen sector of bedrijfstak.

Na ruim een half jaar werken met deze structuur, constateer ik dat ze vruchten begint af te werpen. Tegelijkertijd moet ik helaas vaststellen dat deze metamorfose van mijn eigen bond onvoldoende perspectief biedt op de wat langere termijn. Want om stevig partij te bieden tegen het internationaal georiënteerde en complexe bedrijfsleven is meer nodig. Zeker als je als bond werkt in een afkalvende markt, simpelweg omdat het aantal werknemers in de industrie- en voedingssectoren afneemt.

Als je daarnaast nog in ogenschouw neemt dat het belang van individuele dienstverlening explosief toeneemt, valt aan schaalvergroting niet te ontkomen.

De kwaliteit van de individuele dienstverlening is heel sterk bepalend voor de mate waarin mensen lid worden en lid blijven van een vakbond. Uit eigen CNV-onderzoek is gebleken dat de meeste mensen lid worden op grond van een individueel motief, zoals een juridisch probleem met de werkgever. Pas na twee jaar lidmaatschap wordt ook de waarde van de collectieve belangenbehartiging (h)erkend. Dit onderstreept nog eens de noodzaak om fors te investeren in kwalitatief hoogstaande en aantrekkelijke dienstverlening.

VOOR dergelijke vergaande investeringen is een krachtenbundeling van bonden nodig. Binnen de FNV-bonden, werkzaam in de marktsector, heeft men dat goed gezien. Helaas bespeur ik binnen het CNV nog geen sense of urgency om de handen ineen te slaan. In juni van dit jaar, toen de FNV Dienstenbond zijn flirt met de andere FNV-bonden wereldkundig maakte, werd binnen CNV-huize dit als weinig kansrijk beschouwd. Maar ook nu de fusie-pogingen als zeer serieus kunnen worden bestempeld, gaat er geen schok door de CNV-gelederen.

De CNV Industrie- en Voedingsbond betreurt dat ten zeerste. Onder het motto 'Samen doen, wat samen kan' wordt al ruim drie jaar druk gestudeerd op en gediscussieerd over samenwerkingsvormen binnen de christelijke vakbeweging.

Daarbij zijn een paar aardige successen geboekt, zoals de vorming van de Onderwijsbonden CNV, waarin de protestantse PCO en de katholieke KOV samen verdergaan. Ook het samenvoegen van de Grafische Bond CNV met de Dienstenbond CNV, is zo'n voorbeeld. De laatste ontwikkeling in dat kader is dat de vakcentrale CNV per 1 januari aanstaande de belangenbehartiging in de regio (gericht op de woon- en werkplek) van de CNV-bonden overneemt.

Verdere en echt grote stappen staan echter niet op stapel. En daardoor dreigt het CNV de boot te missen. Als het CNV een belangrijke speler op het tapijt wil blijven, ligt een weg zoals de FNV die inslaat voor de hand. Datzelfde geldt ook voor productontwikkeling op het terrein van de individuele belangenbehartiging.

Daarom is op korte termijn een fusie nodig van de vier marktbonden van het CNV: de Dienstenbond CNV, de Vervoersbond CNV, de Hout- en Bouwbond CNV en de CNV Industrie- en Voedingsbond. Samen vertegenwoordigen deze bonden zo'n 175.000 leden.

Het is tot slot mijn vaste overtuiging dat deze stap - die ook in het collectieve blok tot een bond moet leiden - slechts een tussenstap is. Uiteindelijk zal op de wat langere termijn zowel binnen de FNV als het CNV het bondsniveau verdampen. Om uit te komen bij het vakbondsmodel van de toekomst: herkenbare vakgroepen in de bedrijven en een sterk netwerk van individuele dienstverlening onder de paraplu van één van de centrales.

Doekle Terpstra

De auteur is voorzitter van de CNV Industrie- en Voedingsbond.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden