Civilisatie in de jungle

ALS DE slavernij werd afgeschaft, dacht men in de negentiende eeuw, zou Suriname verloren zijn. Of, in de woorden van een toenmalige plantagedirecteur: 'Dan kunnen we adieu zeggen en dan zal na een paar jaar het onkruid de plantages overwoekeren en na een tiental jaren zult u niet eens meer...

De man komt aan het woord in de roman Een vlek op de rug van Joop van der Walle. Het boek verscheen in de reeks Surinaamse Klassieken van uitgeverij Conserve, waarin ook De stille plantage van Albert Helman is opgenomen. Bij hem konden we lezen dat de sombere verwachtingen van de plantagedirecteur zijn uitgekomen. Na de afschaffing van de slavernij in 1863 raakten de plantages door de natuur overwoekerd.

De roman van Van der Walle speelt zich af in de overgangsperiode, halverwege de negentiende eeuw. Suriname is in die tijd al niet meer het 'plantersparadijs' van voorheen. Directeuren hebben te kampen met 'weglopers' en met aanvallen van de marrons. Bovendien moeten ze dansen naar het pijpen van hun onbekende plantage-eigenaren in Amsterdam. Er is te weinig geld voor een behoorlijke afwatering of voor verdedigingswerken. Nog grimmiger wordt de situatie als in aangrenzende koloniën de slaven zijn vrijgelaten.

Onder die omstandigheden arriveert een vriendelijke Hollandse jongen in Suriname. Deze Achilles verandert algauw in een gespannen en tirannieke planter. Hij vertelt hoe hij in 1842 als gesjeesd student en zoon van een deftige familie zijn vaderland verliet. Hij moest zijn fortuin maar in de West zoeken. 'Achilles, Achilles', had zijn zusje hem nog gewaarschuwd, 'pas op je achillespees.' Op fris-Hollandse wijze vertelt Achilles over zijn aankomst in Paramaribo. Pas na verloop van tijd dringt tot hem door dat dit 'paradijs' ook een achterkant heeft. Pas dan ziet hij de slavinnen, die voor een grijpstuiver hun lichaam verkopen en dat geld aan hun blanke meesters moeten afstaan. En hij hoort 'het gillen van de mensen, die achter de stomme, gesloten deuren van de erven worden gemarteld'.

De wreedheid van de blanken tast als een besmettelijke ziekte uiteindelijk ook de zachtaardige Achilles aan.

Hij is nog geen maand in Suriname of hij geeft zijn 'foetoebooi' al een klap als die iets uit zijn handen laat vallen: 'Zonder verder na te denken haalde ik krachtig uit en gaf het kind een dreunende oorvijg, zodat het versuft van pijn tegen de scherpe rand van een kastje rolde en een ogenblik bleef liggen. Verbaasd keek ik naar mijn hand.'

Het idee van een 'Surinaams huwelijk' staat hem aanvankelijk tegen. Hij weerstaat ieder 'bijna blank' maagdje dat men hem tracht aan te smeren, maar later zwicht hij toch, omdat hij als man alleen zijn plantagewoning niet goed kan bestieren. Bovendien wordt hij echt verliefd op de beeldschone Lea: 'Kort daarna traden we in het huwelijk in het bed van een vriend.' Als zij op zijn plantage is gearriveerd, blinkt al snel het koper in de keuken weer. Dat hij haar en hun zoontje later moet verraden om een officieel huwelijk te sluiten, hoort erbij.

Het interessante van deze roman is dat Achilles een grensfiguur is; hij klimt hoog op de koloniale ladder, maar is er tegelijkertijd van overtuigd 'dat de slavernij even onrechtvaardig als onmenselijk is'. Het dubieuze is dat hij weinig op de slavernij tegen lijkt te hebben, zolang de slaven maar menselijk worden behandeld: 'Een tevreden slaaf is een mens die voldoende heeft te eten en vrouw en kind de zijne noemen kan.' Hij lacht Lea uit, wanneer zij voorspelt dat 'eens, over heel, heel lange tijd de blanke mannen het land verlaten zouden en slechts donkere mensen in deze bossen zouden blijven leven en bezit zouden nemen van de kolonie'. Tegelijk merkt hij tot zijn verbazing dat Suriname bezig is meer dan alleen een kolonie te worden, als hij bevriende planters hoort spreken: 'Zo, zo, dacht ik, die twee noemen zich Surinamers. Alsof Suriname niet een kolonie maar een land was, een eigen land.'

Achilles verwerpt de oude koloniale levensstijl, gesymboliseerd door zijn drankzuchtige, seksbeluste en tirannieke superieur, die niet voor niets De Koning heet. Maar hij is ook nog niet klaar voor de vergaande ideeën van zijn moderne vriend Sep, die stoommachines bouwt en het einde van de slavernij bepleit. Aan het slot van zijn verhaal beseft Achilles dat hij ook behoort 'tot de vreters en de zwelgers, tot de beulen en de dieven, want je huilt met de wolven in het bos'.

Het woord 'wolven' zegt het al: het zijn de blanken die hier de beesten zijn. Het gaat bij Van der Walle over de grens tussen civilisatie en verwildering. De blanken die hun eigen christelijke moraal uit het oog verliezen, worden wreder dan welk 'primitief' volk ook. Dat is niet alleen in deze roman, maar in vrijwel de hele Surinaamse literatuur een terugkerend thema. Uit Mama Sranan, een vorig jaar bij Contact verschenen bloemlezing door Michiel van Kempen, bleek dat het in de Surinaamse literatuur al tweehonderd jaar gaat over de vraag wat nu eigenlijk 'beschaving' is, en wat barbarij.

Ook een tweede historische roman die tegelijkertijd verscheen, Ter dood veroordeeld van John de Bye, draait om die gedachte. Het verhaal van De Bye is een geromantiseerd verslag van de veroordeling van twee joodse jongemannen in 1804. De twee welgestelde blanken hebben een gruwelijke, dubbele moord gepleegd. Deels op basis van archiefmateriaal, deels puttend uit eigen fantasie heeft De Bye getracht hun zaak te reconstrueren.

Joseph en Jacob groeien als neven samen op. Jacob gedraagt zich nogal wreed, Joseph walgt daarvan. Iedereen waarschuwt hem bij Jacob uit de buurt te blijven. Niettemin doet Joseph een beroep op zijn neef als hij in moeilijkheden verkeert. Tijdens de bezetting van de kolonie door de Engelsen heeft hij drie soldaten helpen deserteren. De Britten zijn goede werklui en omdat daaraan gebrek is in de kolonie, hoopte Joseph hen op zijn plantage te kunnen inschakelen. Dan besluit men paal en perk te stellen aan de gewoonte van rijke planters om Engelse soldaten te helpen 'verdwijnen'. Als de drie worden gezocht, besluiten Joseph en Jacob hen uit de weg te ruimen. Daarvoor zullen ze zelf aan de galg belanden.

De Bye laat er geen misverstand over bestaan dat hij Joseph onschuldig acht. Hij heeft van hem een braaf en godvruchtig mannetje gemaakt, terwijl hij Jacob profileert als een ongelofelijke schurk, compleet met boeventronie en sadistische neigingen: 'Slaven kon je gewoon de hersens laten inslaan of dood ranselen; het waren geen mensen, maar vermenselijkte dieren, waarvan de animale instincten duidelijk zichtbaar waren. Dat hij een van deze ''animalen'' als vaste bijzit had, veranderde niets aan die gedachtegang.'

Het schematische karakter van de personages versterkt de indruk dat De Bye ze vooral gebruikt als kapstok om een groter verhaal over de geschiedenis van de Surinaams-joodse gemeenschap en zelfs van de hele kolonie te vertellen. Hij leert ons welk effect de politieke onrust in Europa op Suriname had aan het einde van de achttiende eeuw, wat de Boni-oorlogen waren, dat de 'kleurlingjoden' hun eigen gebedshuis hadden, maar ook wat men at bij gebrek aan aardappels.

Het boek wordt daardoor historisch gezien interessant, maar als roman stelt het niet veel voor. Er ontstaan bijvoorbeeld nogal geforceerde gesprekken als de auteur zijn personages ook geschiedenisles wil laten geven. Dan luistert een dertienjarig meisje op de eerste dag van haar huwelijksreis 'met belangstelling' naar een relaas over de verdedigingslinie rond de Jodensavanne. Was dat in 1794 een onderwerp van gesprek voor een bruidje?

En als op deze reis de synagoge wordt aangedaan, lezen we: 'Even later betraden zij het statige bakstenen gebouw dat meer dan achtentwintig meter lang, twaalfeneenhalve meter breed en ongeveer tien meter hoog was met een koepelvormig dak. Het gebouw stamde uit 1685 en was daarmee de oudste stenen synagoge op het Amerikaanse continent.' Tegenover deze historische feiten staat een volkomen a-historisch beeld van het liefdesleven. Vooral in bed gedragen de personages zich hoogst modern.

Het boek van Van der Walle is van 1963, dus bijna veertig jaar oud. Het doet niettemin een stuk moderner aan dan het boek van De Nye, wellicht omdat Van der Walle, hoofd van de gouvernementspersdienst, meer ervaring had met de pen dan De Bye, die van huis uit chirurg is. Maar De Bye slaagt erin een goed beeld te geven van het Surinaamse leven rond 1800. Net als in Een vlek op de rug is de broeierige sfeer goed getroffen. Niet alleen de hitte, de stank en de eeuwige muskieten, ook de spanning onder de planters en als gevolg daarvan de extreem gewelddadige uitbarstingen tegen de slaven, worden in beide romans goed voelbaar. Aan de rand van het oerwoud blijkt civilisatie erg fragiel te zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden