'Cito bepaalt niet wat goed onderwijs is'

Herman Wieberdink en Heleen Kuster zijn psycholoog, resp. docent in het basisonderwijs. Ze betogen dat de toetsen van het Cito ten onrechte maatgevend zijn geworden voor het onderwijs. De overheid dient de inhoud van het onderwijs vast te stellen. Niet het Cito.

© ANP

Op 29 maart 2011 werd in Arnhem het nieuwe Cito-gebouw door koningin Beatrix geopend. Met het nieuwe kantoorpand wil het Cito het belang onderstrepen dat de organisatie hecht aan het leveren van een zichtbare bijdrage aan de economie van de stad Arnhem. Het is de vraag of ook het Nederlandse onderwijs profiteert van de economische activiteiten van het Cito. De huidige positie van het Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling leidt, mede door de symbiotische relatie met de inspectie van het Onderwijs, tot mogelijk onbedoelde, maar in elk geval ongewenste effecten.

Het Cito ontwikkelt voor alle vakgebieden toetsen en bepaalt eigenzinnig de inhoud van die toetsen. Omdat de inspectie elke Cito-toets verplicht stelt, moeten scholen, op straffe van een negatieve beoordeling, het Cito volgen in zijn opvatting over onderwijsinhouden, de wijze van toetsafname en de beoordeling van leerlingen. Het gevolg is een ontwikkeling in de richting van centraal gestuurd onderwijs en onderwijs dat gekenmerkt wordt door 'leren voor de toets'.

De inhoud van ons onderwijs wordt op democratische wijze door de overheid bepaald. Deze inhoud is globaal beschreven, waardoor scholen relatief veel ruimte hebben om op basis van eigen opvattingen hun onderwijs vorm te geven. Leraren willen toetsen gebruiken die in overeenstemming zijn met inhoud en doel van hun onderwijs. Het Cito laat echter de inhoud van zijn toetsen steeds meer afwijken van wat men in het onderwijs onder vakinhouden verstaat. Toetsuitslagen zeggen weinig meer over het gegeven onderwijs.

Inmiddels heeft de onderwijsinspectie de trend ingezet elke Cito-toets min of meer verplicht te stellen. Scholen die een goede beoordeling wensen en die niet publiekelijk als (zeer) zwak willen worden bestempeld, rest één ding: hun onderwijs inhoudelijk afstemmen op de Cito-toetsen. Methodeontwikkelaars worden allengs gedwongen de Cito-toetsen te volgen, want scholen vragen om methoden die overeenstemmen met de eisen van het Cito.

Uitgevers brengen bij hun methode een extra deeltje uit, teneinde kinderen te trainen in de Cito-manier van toetsen. Het Cito zelf brengt hulpboeken in de handel met oefeningen voor kinderen die op een bepaald vakgebied laag scoren. Hiermee is een situatie ontstaan waarin het Cito de inhoud van een vakgebied vaststelt, de toetsing voorschrijft, de uitvallers bepaalt en aangeeft hoe hulp moet worden geboden.

Het Cito heeft zich ontwikkeld tot centralistisch onderwijsinstituut: vanuit een kantoorpand in Arnhem wordt het Nederlandse onderwijs inhoudelijk bepaald. Inhoud van onderwijs behoort echter, na discussie in het veld, op democratische wijze te worden vastgesteld door de overheid.

Ook de wijze van toetsen door het Cito veroorzaakt ongewenste effecten, doordat deze niet altijd aansluit bij de aard en de doelen van het onderwijs. Een leraar wil weten of de leerlingen de aangeboden leerstof beheersen en of hij zijn onderwijs moet aanpassen. Het Cito beoogt een ander doel. Elke toets is zodanig geconstrueerd dat er een vaste verdeling in goede en zwakke leerlingen is. Om deze rangorde van leerlingen te krijgen, toetst het Cito (ook) leerstof die niet in de klas aan de orde is geweest.

Scholen zien zich hierdoor genoodzaakt hun curriculum aan te passen, teneinde het aantal uitvallers te beperken: leerstof die volgens de methode later aan bod komt, wordt naar voren gehaald zodat leraren deze stof kunnen behandelen.

Het gebruik van de Cito-toetsen door de inspectie gaat verder dan het doel waarvoor de toetsen zijn ontwikkeld. Het eigenlijke doel, het meten van leervorderingen bij kinderen, wordt overvleugeld door het afgeleide doel: de effectiviteit van de leraar en de school. Een Cito-toets lijkt meer een instrument voor inspecteurs om het onderwijs te beoordelen dan een middel voor leraren om hun onderwijs te evalueren.

Een leraar die zijn leerlingen een Cito-toets voorlegt, toetst niet zozeer zijn didactisch handelen als wel publiekelijk zichzelf. Het gevolg is dat scholen de toetsuitslagen willen maximaliseren. Zij doen dit door hun curriculum aan te passen, door te trainen voor de Cito-toets of door de items die in de toetsen voorkomen door kinderen te laten inprenten. Dit is een ongewenste ontwikkeling.

De door het Cito gebruikte indeling in goed, gemiddeld of zwak wordt vastgelegd ongeacht de uitkomsten van de toetsen. Door marktwerking in het onderwijs streeft elke school ernaar dat de toetsscores van zijn leerlingen hoog zijn. Bij het begin van het leren in groep drie blijkt dit tot een toenemende druk op de kleuterklassen te leiden om aan kleuters verdergaande eisen te stellen.

Het is denkbaar dat binnen afzienbare tijd driejarige kinderen naar de basisschool gaan en dat ze vanaf hun vijfde jaar methodisch onderwijs krijgen. Het gaat hier niet om de vraag of het kleuteronderwijs meer methodisch moet worden of dat de resultaten van het leren een ander karakter moeten krijgen. Het gaat om het gegeven dat belangrijke veranderingen ons onderwijs binnenslippen in de maalstroom van opvattingen die binnen een commercieel toetsinstituut ontwikkeld worden.

Natuurlijk is het goed om de lat hoog te leggen. Maar wanneer een hoog doel niet gehaald wordt, betekent dit niet dat de school in kwestie zwak is. Het probleem is dat in het huidige systeem van toetsen en beoordelen van scholen door de inspectie het vastleggen van minimum-eisen ontbreekt. Verbeteringen in het onderwijs en hogere opbrengsten leiden tot nieuwe normeringen van toetsen waardoor de percentages goed en zwak hetzelfde blijven. Ter voorkoming van een publiekelijke afrekening wordt onderwijs een voortdurende jacht op nog meer en nog beter.

Deze voor alle betrokkenen ongezonde ontwikkeling kan doorbroken worden door het invoeren van minimumdoelen die overeenstemmen met de primaire taak van het onderwijs. Rechtvaardig onderwijs houdt in dat ieder kind aan het einde van het basisonderwijs ten minste beschikt over een (in toetsscores uitgedrukt) minimumniveau van lezen, schrijven en rekenen, opdat een startkwalificatie in het voortgezet onderwijs en een volwaardige participatie in de maatschappij mogelijk zijn. Een school die hierin slaagt, is een goede school. (Foto ANP)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden