Cilia wil zich niet aanpassen

ER ZIJN verschillende manieren om je moeder te vertellen dat je lesbisch bent. Cilia, het ik-personage uit Voor God en de sociale dienst, het debuut van Nicolien Mizee, doet het zonder veel omhaal van woorden....

Monica Soeting

Haar moeder schrikt zo, dat ze zich aan het gordijn moet vastgrijpen om niet te vallen. Haar reactie is begrijpelijk: Cilia is nog maar dertien. 'Hoe kom je daar nou bij', roept haar moeder. 'Ik ben op die leeftijd ook weleens verliefd geweest op een meisje uit mijn klas, dat gebeurt heel vaak en dat gaat vanzelf weer over.' Maar Cilia is niet verliefd op een meisje uit haar klas. Het enige wat ze wil is later, als ze groot is, in een huis wonen met een vrouw in plaats van een man. Einde van de ontboezeming; Cilia loopt de kamer uit.

Het verhaal over deze laconieke coming out staat op de eerste van drie lange faxen die de volwassen Cilia aan haar docent scenarioschrijven stuurt. Ze heeft een bezoek aan de Sociale Dienst achter de rug, en ze heeft behoefte aan een gesprek, ook al is dat eenzijdig en per telecommunicatie. Anderhalf uur lang heeft ze moeten uitleggen waarom ze, zoals ze het zelf uitdrukt, niet werken kan. Over het gesprek met de Sociale Dienst zegt ze weinig, maar alles wat ze er omheen vertelt, maakt duidelijk hoe het met die arbeidsongeschiktheid gesteld is: Cilia wil zich niet aan de maatschappij aanpassen.

Dat laatste klinkt negatiever dan het is. Het klinkt ook heldhaftiger dan bedoeld: Cilia is geen relikwie uit de jaren zestig, en met een puberale punker hebben we ook niet te maken. Je zou kunnen zeggen dat Cilia doodgewoon eerlijk is, en dat haar gesprek met een ambtenaar van de Sociale Dienst in het verlengde van het gesprek met haar moeder ligt: ook hier lijkt het om een simpele, maar compromisloze mededeling te gaan.

Maar om eerlijkheid draait het hier ook niet, tenminste niet als je eerlijkheid als een tegenstelling tot conventioneel gedrag beschouwt. Cilia doet, anders dan de eenduidige boodschappen aan haar moeder en de ambtenaar van de Sociale Dienst doen vermoeden, haar leven lang verwoede pogingen zich aan heersende gewoontes aan te passen. Dat die pogingen mislukken, wijt ze niet aan de maatschappij of aan haar ouders, maar aan zichzelf. Zelfspot is een van Cilia's belangrijkste karaktertrekken, en dat maakt haar zowel kwetsbaar als beminnelijk.

Neem de kwestie van haar coming out. Twaalf jaar na de bekentenis aan haar moeder besluit Cilia serieus werk te gaan maken van haar verlangen naar het samenleven met een vrouw. Ze overweegt om zich bij een lesbische groep aan te sluiten. Maar omdat ze niet weet of ze voldoet aan de eisen die zo'n groep stelt, ziet ze ervan af: ze weet niet eens wat officieel onder lesbisch verstaan wordt.

Haar verlangen naar een vrouw, legt ze uit, komt voort uit een beeld dat ze haar hele leven met zich meedraagt: het beeld van een vrouw aan het eind van een gang. 'Ik kwam om vijf uur thuis', fantaseert Cilia, 'en hing mijn jas en hoed aan de kapstok in de vestibule. Dan opende ik de tochtdeur en zag haar staan, in de keuken aan het eind van de lange, marmeren gang. Ze roerde in een grote pan soep. De namiddagzon, die door de glas-in-loodramen viel, zetten een loshangende haarpiek in een gouden gloed.'

Als dat beeld het bewijs van lesbische geaardheid moet leveren, schiet het tekort. Daarom plaatst Cilia contactadvertenties en besluit ze zich in het lesbische uitgaansleven te storten. Met een van haar nieuwe vriendinnen bezoekt ze de Clit-club, waarvan ze denkt dat die door vrouwen met te lange haren bezocht wordt, en met een andere volgt ze een cursus lesbisch dansen.

Het brengt haar allemaal niet dichter bij het beeld van de soepkokende vrouw. Om haar docent niet te vervelen, gaat ze over op andere onderwerpen: de opleidingen die ze gevolgd heeft en die ze niet af kon maken, de vriendinnen die ze tijdens die opleidingen maakte en weer verloor, en de geestelijke ondergang van een vriend. Ze beschrijft haar bijbaantje als model voor vier ruwe-bolster-blanke-pit mannen die geregeld bij elkaar komen om te schilderen. Ze vertelt over een vriendje uit haar jeugd en over haar belevenissen als kamerbewoonster.

In haar tweede fax bedankt Cilia haar docent voor een script dat hij haar heeft gestuurd. En passant geeft ze hem ongezouten kritiek die ze, onzeker als ze is, als compliment verpakt: 'Ik vind het geweldig zoals je het allemaal bedenkt, met die genmanipulatie en zo. Schrijf je zoiets in opdracht of bedenk je het zelf? In je inleiding zeg je dat je met je stuk 'de grenzen van de maakbaarheid' wilt afzoeken. Meen je dat nou echt? Of is dat om de lui van de omroep te imponeren? Hoe dan ook, ik zou het niet kunnen. De grenzen van de maakbaarheid interesseren me niets.'

De toon wordt serieuzer nu, maar het patroon verandert niet: ook de tweede fax bestaat uit verhalen waarin Cilia zichzelf presenteert als iemand die niet in staat is zich aan de eisen van de maatschappij aan te passen, en aan die van het alternatieve leven nog minder. Zelfs haar geloof in God blijkt op het besef van eigen onvermogen gefundeerd te zijn. Uit het feit dat zij in God gelooft, redeneert Cilia, 'blijkt dat er een God moet zijn. Dat een verstandige vrouw als ik kan leven met een dergelijke paradox wijst op het bestaan van een hersenkronkel die alleen God zelf zo geboetseerd kan hebben'.

Het doet allemaal wat aan Bridget Jones denken, de blunderende single uit de boeken van Helen Fielding. Maar als Cilia een Bridget Jones is, dan is ze er een met diepgang. Want wat Cilia over zichzelf vertelt, is niet typisch voor jonge, alleenstaande vrouwen. De angst bepaalde codes niet te kennen, het najagen van beelden die niet aan de eisen van de huidige tijd lijken te voldoen, het verlangen naar eigenheid en vertrouwdheid - dat zijn geen individuele eigenschappen. Het knappe van Mizee is dat ze de herkenning een dubbele bodem geeft: wat we herkennen, beseffen we, zijn niet alleen onze onzekerheden, maar ook die van anderen.

Cilia's faxverhalen hebben meer dubbele bodems. Het verslag van haar carrière als scenarioschrijfster is daarvan het mooiste voorbeeld. Die carrière mislukt, en daarom besluit Cilia ermee op te houden. Maar wie van de laatste bladzij van het boek terugbladert naar de eerste, beseft dat hier van een afleidingsmanoeuvre sprake is: uit Cilia's bekentenissen is onnadrukkelijk en daarom ongemerkt een pracht van een script ontstaan.

Dat stemt tot nadenken: in hoeverre beschouwt Cilia zich werkelijk als mislukt en onaangepast? En gaat achter Cilia's grenzenloze onzekerheid niet, zoals zo vaak, een diep geloof in eigen kunnen schuil?

Gods wil te kennen, zegt Cilia tegen de ambtenaar van de Sociale Dienst, is haar 'enig levensdoel'. Het klinkt haar zelf onwaarschijnlijk in de oren. Maar als met dat doel bedoeld wordt het doorprikken van clichés, het onbevreesd in de ogen zien van eigen angsten en de moed om onmodieus en toch tegendraads te zijn, dan valt te hopen dat we van Cilia, en in ieder geval van Mizee, vaker te horen krijgen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden