CHU was voor de oude elite en het gewone volk

Het vrijbuiterige conservatisme van de CHU had het zwarte gat kunnen vullen dat gaapt tussen het politieke midden en de vleugels, zegt Bart Jan Spruyt....

Als ik vroeger mijn grootvader een beetje wilde plagen, dan moest ik bij zijn rookstoel gaan staan en hem zo onschuldig mogelijk vragen hoe het nu toch ging met de partij. Partij? De CHU was geen partij, maar een unie, een vriendenkring! Ieder ander woord was al snel te zwaar en te nadrukkelijk om het karakter van de Christelijk-Historische Unie aan te duiden.

Mijn familie, zowel van vaders als van moeders kant, was CHU. Zoals ze het nooit over de ‘partij’ hadden, hadden ze het ook nooit over ‘confessioneel’ of ‘van de bond’. Ze waren hervormd, en ze stemden CHU. Toen dat nog kon.

Wie in dat klimaat opgroeit, krijgt vroeg of laat Edmund Burke en Guillaume Groen van Prinsterer als zijn politieke helden aangereikt. Direct na hen kwam, wat mij betreft, Frederik Carel Gerretson (1884-1958), de literator, historicus en politicus. Hij was in de jaren vijftig lid van de Eerste Kamer voor de CHU, en had in 1911 onder het pseudoniem Geerten Gossaert een dichtbundel (Experimenten) gepubliceerd die wij grotendeels uit ons hoofd kenden.

De Christelijk-Historische Unie – dit jaar honderd jaar geleden opgericht – is in 1980 samen met de ARP en de KVP tot het CDA versmolten. En alhoewel er nog altijd stichtingen zijn die uit blijvende treurnis om het verlies van de CHU het gedachtegoed van de Unie in ere willen blijven houden, hangt er rond de unie voor velen iets onherstelbaar bedaagds.

Driehonderd CHU’ers waren vorige week bijeen in de Oude Zaal van de Tweede Kamer om hun 100-jarig bestaan te vieren. Dat was een opmerkelijk vrolijke en levendige bijeenkomst.

Hoogtepunt was ongetwijfeld het optreden van de 97-jarige prof. J. W. van Hulst, de opvolger van Gerretson als lid van de Eerste Kamer voor de CHU. Hij moest aan beide zijden ondersteund worden om het spreekgestoelte te bereiken, maar eenmaal daar aangekomen rechtte hij zijn rug en sprak hij de zaal ruim een half uur lang met vaste stem en uit het hoofd toe.

Als ze hem morgen vragen, gaat hij zo weer de politiek in, zo straalde hij uit. Maar ja, toen hij zeventig was geworden, moest hij weg. Ze zeiden omdat hij te oud werd, maar het was natuurlijk omdat hij Johan heette en geen Hannie. Nu moest hij omwille van de tijd ook gaan zwijgen, maar wie wilde, zo verzekerde hij, kon zich tijdens de receptie bij hem melden om de discussie voort te zetten.

Staande ovatie voor J. W. van Hulst. Het Wilhelmus tot slot, maar om des tijds wille slechts één couplet. Dan natuurlijk het zesde. Over die vrome man die de tirannie wil verdrijven die zijn hart doorwondt en daarbij in God zijn Heer zijn vertrouwen stelt. Tot slot een driewerf hoera voor de majesteit, ingezet door de enthousiaste dagvoorzitter, jhr. Pieter Beelaerts van Blokland.

Het was prachtig.

In zijn optreden belichaamde Van Hulst een vitaliteit die ook de andere aanwezigen in hun vrolijkheid uitstraalden en die eveneens, zo wil ik hier betogen, voor het gedachtegoed en de levenshouding van de Unie geldt. Die actualiteit bestaat in ieder geval hierin:

In iedere beschrijving van de Unie wordt het atypische karakter van de vereniging benadrukt. De moderne democratie wordt gedomineerd door goed georganiseerde en strak geleide ledenpartijen die zich op een fundamentele ideologie baseren en met een uitgewerkt politiek programma de electorale boer op gaan.

Zo’n partij was de CHU in het geheel niet. De CHU was meer een losjes georganiseerd verband van kiesverenigingen zonder een strak politiek programma of interne discipline. De CHU was eigenlijk een netwerk van kringen die door een eigen sfeer en stijl, omgangsvormen, en gekoesterde waarden en tradities bijeen werd gehouden. In de CHU was belangrijker wat voor soort mens je was dan hoe je over van alles en nog wat precies dacht.

De centraal geregisseerde massapartijen, ooit opgericht voor de emancipatie van bepaalde bevolkingsgroepen zoals arbeiders en gereformeerden, zijn aan het verkruimelen. Hun ledenaantallen nemen dramatisch af, en de kiezer ontvlucht het politieke midden waar deze partijen zich ophouden. Nu dat zo is, zou de organisatievorm van de unie weleens opnieuw van belang kunnen worden.

Die losse organisatievorm had alles te maken met de afkeer binnen de CHU van partijschappen en verzuiling. Het algemene belang diende altijd te prevaleren boven de belangen van partijen of groepen, belangen die bij de grote emancipatiepartijen nogal eens de boventoon konden voeren. De CHU was de ‘partij’ voor en van de oude elite (de dubbele namen) en het gewone volk, voor jonkheren en baronnen en voor mijn grootvaders die bij Rotterdam op schepen stonden te timmeren.

CHU’ers stonden bekend om de losse, ongedwongen en vooral relativerende manier waarop zij in de politiek stonden. Gereformeerde geldingsdrang of socialistisch gedram was hun vreemd. Die veel gesignaleerde ruimdenkendheid en nonchalance vloeiden voort uit een fundamenteel inzicht. De samenleving moest zich zoveel mogelijk zonder overheidsbemoeienis ontwikkelen. Niet het overheidsbeleid of wetten en regels, maar de moraal bepaalt de toekomst.

CHU’ers schreven daarom ook geen gedetailleerd uitgewerkte partij- en verkiezingsprogramma’s waarin al hun toekomstplannen pijnlijk nauwkeurig werden onthuld. De cultuur bepaalt de politiek, niet andersom.

Dit alles resulteert in een karakteristiek die misschien wel het meest typerend voor CHU-politici is geweest: het belang en de onafhankelijkheid van volksvertegenwoordigers. CHU’ers waren principieel dualistisch: het parlement had een eigen verantwoordelijkheid en de regering had een eigen verantwoordelijkheid. De Kamer staat tegenover het kabinet. Gedetailleerde regeerakkoorden zijn dan ook uit den boze. Kamerleden zaten zonder last of ruggespraak – in plaats van zonder lust of ruggengraat – in de Kamer en dienden vrij en onverveerd, en dus herkenbaar en aansprekend, zich een oordeel over kwesties en vraagstukken te vormen, en niet ja te knikken tegen afspraken die anderen in de beslotenheid van een achterkamertje hadden gemaakt. Het was een CHU’er, Ad Kaland, die toenmalig premier Lubbers voorhield dat CDA-parlementariërs geen ‘stemvee’ waren.

En tot slot: de CHU was niet zozeer geïnteresseerd in meerderheden en macht als wel in invloed voor haar eigen principiële uitgangspunten. Niet de majoriteit maar de autoriteit van het beginsel, heette dat. Dat principe heeft CHU-politici telkens weer geïnspireerd tot sterke inhoudelijke bijdragen, ook als zij daarmee tegen de stroom van de tijdgeest in moesten gaan. Wat gezegd moest worden, moest worden gezegd, ook al werd je er niet populair mee.

Op dat mooie eeuwfeest van de Unie sprak ook de huidige voorzitter van het CDA, Peter van Heeswijk. Hij benadrukte natuurlijk het gemeenschappelijke van CDA en CHU. Nu kan ik de afgelopen jaren iets gemist hebben, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het CDA nu juist niet heeft uitgeblonken in het tentoonspreiden van de oude, christelijk-historische deugden zoals die hier puntsgewijs zijn opgesomd. En dat terwijl het vrijbuiterige, vrijzinnige en vrijgevochten conservatisme van de CHU het zwarte gat had kunnen vullen dat nog altijd gaapt in ons politieke landschap, tussen het centrum en de vleugels.

Hans Gualthérie van Weezel, een typisch CHU-Kamerlid, zei begin jaren negentig tegen zijn fractievoorzitter, Elco Brinkman: ‘Als ik morgen een eigen partij opricht, krijgt het CDA geduchte concurrentie’.

Soms denk je: had hij het maar gedaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden