Chinese steppen vol met windmolens

Kolenland China heeft ’s werelds vuilste ‘energiemix’. In hoog tempo moet groene energie nu worden uitgebreid, met megawindparken en zonnepanelen....

Het grootste windpark van Azië? De mannen die in het eethuis bezig zijn aan een stevige lunch van gemarineerde koeiemaag en ezelshutspot, weggespoeld met bier en baijo – een krachtige lokale jenever – kijken even op.

‘De brug over, linksaf en de weg omhoog volgen, dan rijd je er vanzelf tegenaan’. Ze kennen het park als hun broekzak, ze werken er als ingenieurs en bouwuitvoerders. ‘Er staan nu 2.000 molens’, zegt de leider van het lunchende gezelschap. Maar de helft staat wel stil, voegt hij eraan toe. ‘Onderhoud.’

‘In welke technologie is jouw land tegenwoordig het beste?’, wil hij weten als hij hoort dat de verslaggever uit Nederland komt. ‘Windenergie?’ Hij hoorde dat China de Nederlandse turbinevernieuwer Darwind heeft opgekocht. ‘Interessante koop, die techniek kunnen we vast goed gebruiken.’

Vijf kilometer verder beginnen de windmolens. Ze maken een wonderlijk geluid in de oneindige leegte van de steppe van Binnen-Mongolië. Zacht zoemen de zwiepende wieken, zover het oog reikt. Opvallend veel staan er inderdaad stil, ondanks een aardige briesje. Hier en daar staat een onderhoudswagen onder een van de reusachtige witte pilaren.

Er worden hier trouwens niet alleen windparken gebouwd. De energiebranche heeft een aardige bijverdienste in het toerisme, zoals blijkt uit een luxe resort dat de Beijing Energy Investment Holding in de buurt heeft gebouwd. Het is voorzien van hotel, warmwaterbaden, massage- en karaokeafdelingen, een sprookjeskasteel, een Japans restaurant en een keramiekmuseum. Geld zat kennelijk, in de Chinese energiesector.

Het grootste windpark van Azië ligt een paar uur ten oosten van Hohhot, de hoofdstad van de Noord-Chinese provincie Binnen-Mongolië. Het is een teken van de grote ambities die de Chinese regering heeft met groene energiebronnen. Windenergie heeft daarin sinds kort een prominente positie gekregen.

Peking heeft een forse achterstand in te halen, en wil dat snel doen. In 2004 produceerde China nog net zo weinig windenergie als Nederland (toen 800 megawatt). In 2008 zaten de Chinese staatsenergiebedrijven echter al op 12 duizend megawatt windstroom, terwijl Nederland tot 2.100 megawatt was gegroeid.

Het is natuurlijk een scheve vergelijking. China heeft het grote voordeel van de oneindige ruimte voor windparken in de lege, vooral noordwestelijke helft van het land. Het hoeft ook geen inspraak te plegen: de regering kan zonodig snel alle neuzen dezelfde kant op duwen. En het heeft een zeer uitgebreide staatsindustrie die desgevraagd kan draaien wat Peking maar wenst.

Dat er een majeure investering in wind zou worden gedaan werd ook tijd, want China’s energiehuishouding is nu nog de meest vervuilende ter wereld. Gedurende zes decennia hebben de beleidsmakers in Peking absolute voorrang gegeven aan ongebreidelde economische groei, ten koste van mens en milieu. De rekening daarvan wordt nu gepresenteerd: door de onafgebroken turbogroei van bijna 10 procent per jaar is China sinds kort de grootste vervuiler ter wereld.

Peking tekent ter verdediging graag aan dat veel van de vervuiling komt uit fabrieken die spullen maken die elders in de winkels liggen. Het rijke Westen en Japan hebben zo hun vervuiling aan China uitbesteed.

Dat is deels waar, maar het ontslaat China niet van de eigen verantwoordelijkheid. Want de regering haalde al die productie bewust binnen, om de zo gewenste forse economische groei te creëren. Daarbij mochten betrokken ondernemers en staatsmanagers grote kostenvoordelen inboeken door op ongekend nonchalante wijze met energie en milieu om te springen.

Dat veel Chinese bureaucraten en industriëlen een zwak ontwikkeld milieubewustzijn hebben, is een politieke keuze. De wereld keek in augustus verheugd op toen Chinese wetenschappers voor het eerst een rapport produceerden dat pleit voor concrete doelen voor de beteugeling van de almaar stijgende eigen uitstoot van broeikasgassen. Maar tussen wetenschap en werkelijkheid gaapt in Peking nog een grote kloof.

China’s president Hu Jintao wil zich niet binden aan concrete getallen, liet hij vorige maand in New York weten. Hij wil alleen de CO2-uitstoot per eenheid van het nationaal product ‘aanzienlijk’ beperken. Dat is een formulering waarmee Peking alle kanten op kan. Want wat is aanzienlijk: 5, 15 of 30 procent minder?

Ook de formule is behendig gekozen. Door een koppeling te maken met het bruto nationaal product – het totaal aan goederen en diensten dat Chinese bedrijven voortbrengen – kan Peking claimen dat het zijn leven betert en toch meer CO2 blijven produceren. Want China’s staatsplanners willen de economie (en dus het bruto nationaal product) nog vele jaren met minimaal 8 procent laten groeien. China zal dus zijn voorhoedepositie als grote energiegebruiker en vervuiler de komende jaren verder uitbouwen. De winst van het gebaar van Hu: het had nog veel erger kunnen worden.

Het is een aanpak die de tweeslachtige houding kenmerkt van de beleidsmakers in Peking ten opzichte van het milieu. Die is goed verklaarbaar. Economische groei is heilig: het is de wankele basis van de legitimiteit van de communistische partij. Milieu blijft een bijzaak, al is het wel een belangrijke bijzaak geworden. Want in Peking is het besef doorgebroken dat er nu wat aan gedaan moet worden, anders komt China om in zijn eigen vervuiling.

De schade is goed te zien in Baotou, de tweede stad van Binnen-Mongolië. Baotou is een van China’s grootste staalsteden, wat deze metropool van meer dan een miljoen inwoners de reputatie bezorgde van de smerigste stad ter wereld.

Je ziet de vervuiling al van verre, als je over de nieuwe vierbaanssnelweg uit de richting Hohhot komt aanrijden. Een grijzige smog ligt over de stad, die ligt aan de hier en daar bijna drooggevallen Gele Rivier, vroeger een van de machtigste waterbronnen van China. De smog wordt vooral veroorzaakt door de vele verouderde staalfabrieken en kolencentrales die aan de westkant van de stad liggen. Ze vormen een toonbeeld van China op z’n smerigst: zwartgeblakerde industriecomplexen, kilometer na kilometer.

De bevolking van Baotou is niet anders gewend. Vervuiling hoort al zolang bij hun stad als droogte bij de Gele Rivier – en dat hier meer mensen aan vervuilde longen zullen sterven wordt met een eenvoudig ‘zo is het leven’ geaccepteerd. De bestuurders van Baotou tolereren ook geen actiegroepen die vervuilers het leven zuur kunnen maken.

Tegelijk zie je aan de oostkant van de stad dat er wel geïnvesteerd wordt in verbeteringen. Daar liggen moderne staalfabrieken die geleidelijk het werk overnemen van de oude monsters. Dat levert schonere lucht op, maar het gaat tergend langzaam. Want de Chinese regering wil haar oude productieapparaat – de staalsector is net als de energie- en kolensector grotendeels in staatshanden – niet overhaast afschrijven.

Dat blijkt ook uit de grote kolenproductie in de regio. Binnen-Mongolië mag zichzelf vanwege graslanden en bergen graag afficheren als de groene provincie van China. Maar dat neemt niet weg dat het dit jaar ook de grootste kolenproducent van het land is geworden. Daar kan voorlopig geen megawindpark tegenop.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.