Chaosmanagement op het scherp van de snede NIEUW MATERIAAL OVER DE CUBAANSE RAKETTENCRISIS

HEEFT DE WERELDVREDE, en daarmee het leven van veel mensen, in oktober 1962, nu 35 jaar geleden, aan een zijden draad gehangen?...

DOEKO BOSSCHER

En dan is er natuurlijk nog die andere kwestie, de reputatie van John Kennedy. Als de toenmalige Amerikaanse president er weer eens gekleurd op komt te staan in publicaties als The Dark Side of Camelot van Seymour Hersh, dat deze week verscheen, rijst de vraag of zijn glansrol in 'the missiles of October' misschien ook aan herziening toe is.

Onder andere in het kader van het 'Cold War International History Project' van het Woodrow Wilson International Center for Scholars in Washington is inmiddels veel nieuw materiaal opgedolven, dat licht werpt op de werkelijke gang van zaken. Dergelijk onderzoek kan niet genoeg worden verricht. Sinds de Koude Oorlog als historisch fenomeen definitief tot de geschiedenis is gaan behoren, is er ruimte ontstaan voor een koele benadering. Langzaam maar zeker worden de lacunes gevuld.

In het nieuwe Rusland kunnen de doorzetters onder de onderzoekers met wat moeite (en soms geld) de meeste stukken te zien krijgen. Zelfs in het bepaald nog niet in de ban van glasnost geraakte Cuba heerst wat 1962 betreft openheid. Castro en de zijnen spinnen immers garen bij het bekend worden van hun kant van de medaille. Zelfs als het eigen Cubaanse optreden niet in elk opzicht een succesverhaal is, is het toch een geschiedenis die laat zien hoe een klein land door de grote politiek gemangeld kan worden.

Wat eraan voorafging, was niet minder fascinerend en gecompliceerd dan de verwikkelingen van oktober 1962 zelf. Aleksandr Fursenko en Timothy Naftali, een Russische en een Amerikaanse historicus die hun krachten hebben gebundeld, doen er in 'One Hell of a Gamble' (een citaat van Kennedy op het hoogtepunt van de crsis), uiterst leesbaar en minutieus verslag van. De Sovjet-Unie besloot in mei 1962 dat het arsenaal aan wapens dat al aan Castro was toegezegd, moest worden uitgebreid met raketten voor de middellange afstand, voorzien van atoomkoppen. Niet alleen vreesde Sovjet-leider Chroesjtsjov - terecht, naar Hersh ten overvloede duidelijk maakt - dat de Amerikaanse president Kennedy een aanval op Cuba, of in ieder geval een aanslag op Castro voorbereidde. De laatste ontwikkelingen op dat eiland hadden hem ook het gevoel bezorgd dat als hij Cuba's veiligheid niet met spectaculaire maatregelen zou ondersteunen, de Cubanen hun heil zouden zoeken bij China. Dat was een waar schrikbeeld, voldoende om alle risico's te nemen die aan zo'n actie verbonden zouden zijn.

Cuba was nog maar kort de vijand van de Verenigde Staten. De Castristen werden aanvankelijk door het Amerikaanse publiek omhelsd als de good guys die aan het kwaadaardige, corrupte regime van Fulgencio Batista een eind hadden gemaakt (eind 1958). Castro was ook in Amerika een volksheld. Tijdens een rondreis door dat land in april 1959 nam hij het ene weldadige bad in de menigte na het andere. Als Eisenhower, die toen nog een kleine twee jaar als president te gaan had, dit tafereel al tandenknarsend aanzag, was het uit angst voor Castro's veiligheid. Verdreven meelopers van Batista liepen overal rond. Een moordaanslag op Castro was wel het laatste waarop Eisenhower zat te wachten.

Wat het tij deed keren, was het in de loop van 1959 door Havana gedemonstreerde radicalisme bij het wegvagen van alles wat aan Batista herinnerde. Zoals de meeste Latijns-Amerikaanse despoten had ook hij zwaar op Amerikaanse steun geleund. Veel Amerikaanse bedrijven hadden geld in Cuba zitten. In zijn haast om het oude regime met wortel en tak uit te roeien, pakte Castro de Amerikaanse schaduweconomie in zijn land keihard aan. De talrijke bedrijven die er een gewoonte van hadden gemaakt hun winsten naar het noorden te exporteren, joeg hij de deur uit. Compensatie voor genaaste bezittingen bleef uit. Zo was Castro een dief geworden en zijn volk een volk van helers. De VS hadden al spoedig genoeg van hem. Teleurstelling verkeerde in frustratie, frustratie in woede, zeker toen de leiders van de revolutie zich steeds openlijker gingen bedienen van communistische taal en symbolen en de banden met Moskou aanhaalden.

Washington had in die dagen een Derde Wereld-complex. In Europa was de Koude Oorlog in een impasse geraakt. Het machtsevenwicht, vooral gebaseerd op wederzijdse afschrikking met atoomwapens, maakte de politici aan beide kanten zenuwachtig. Was dit het einde van de strijd, of zou die met andere middelen en in andere delen van de wereld worden voortgezet? De dekolonisatie van met name Afrika, de groei van communistische bewegingen in Zuid-Oost-Azië en sociale onrust in Latijns Amerika gaven de Verenigde Staten het gevoel dat vanuit die regio's gevaar dreigde. De Russen zouden, vissend in alle troebele wateren die zij maar vinden konden, de bruggenhoofden die zij al in de Derde Wereld hadden, versterken en allengs de Koude Oorlog tot een mogelijk echte wereldoorlog maken.

President Kennedy, die aantrad in 1961, wilde de ontwikkelingslanden een alternatief bieden voor een beroep op Moskou. Hij nam zijn toevlucht tot een strategie van 'wortel en stok'. Economische hulp was de wortel, de stok bestond uit signalen dat hij communistische regimes hard zou aanpakken. Voor jonge landen die hun flirt met het communisme opgaven, lag een voordelig bondgenootschap klaar. De wereld zou het weten: Kennedy wist van wanten.

Vrijwel onmiddellijk na zijn inauguratie werd de nieuwe president door de Varkensbaai-crisis (april 1961) met zijn neus op harde feiten gedrukt. De CIA dwong hem, op straffe van meteen al als een held op sokken te kijk te staan, akkoord te gaan met een invasie van Cubaanse ballingen, aanhangers van Batista, op Cuba. Hun aan alle kanten rammelend legertje was geen partij voor de Russische T-34-tanks van Castro en werd vernietigend verslagen. Kennedy kreeg de schuld en trok zijn conclusies. Voortaan zou hij nog slechts vanuit een positie van kracht met Cuba omgaan.

Zijn aanpak van de Cubaanse rakettencrisis van oktober 1962 liet een Kennedy zien die, door schade en schande wijs geworden, vóór alles meester over de situatie wilde blijven.

Fursenko en Naftali maken duidelijk hoe ingewikkeld de casus was. Met hun verslag van wat er in Moskou gebeurde en hun scherpe analyse van de kennis waarover Chroesjtsjov beschikte, nemen zij het - tot nu toe overheersende - beeld weg van een monolithisch Russisch leiderschap, dat op Cuba gefixeerd was en Kennedy een lesje wilde leren. De Russen hadden eigenlijk andere dingen aan hun hoofd.

Berlijn bijvoorbeeld, in hun ogen 'een open zweer', ook nog na de bouw van de Muur in 1961. De Amerikanen kwamen hun in die kwestie echter geen millimeter tegemoet. Een topontmoeting tussen Kennedy en Chroesjtsjov in het voorjaar van 1961 over Berlijn was faliekant mislukt. De Sovjet-regering had bij die gelegenheid al haar vooroordelen tegen de gebroeders Kennedy (op Robert was Moskou vanwege zijn verleden als communistenjager nog meer gebeten dan op John) bevestigd gezien. Amerika lag in de ogen van Moskou op ramkoers en saboteerde de eind jaren vijftig begonnen 'dooi' in de onderlinge betrekkingen. China loerde op kansen om voeten aan de grond te krijgen in Amerikaanse en Sovjet-invloedsferen.

Chroesjtsjov had op zichzelf niet zoveel op met Cuba en vond Castro geen erg betrouwbare partner; de rol waarin hij door de Amerikanen gecast was, die van een doorgewinterde communist, paste hem al helemaal niet. Maar gegeven zijn perceptie dat de VS zich voorbereidden op een nieuwe invasie, vond Chroesjtsjov het nodig het zwaarste geschut in te zetten om Cuba te redden. Het plaatsen van kernwapens op dat verre eiland was zijn eigen besluit; weliswaar afgedekt door de regering, maar toch zijn hoogstpersoonlijke beslissing.

Boeiend aan het relaas van Fursenko en Naftali is onder meer het geboden inkijkje in de inlichtingenwereld. Het was al wel bekend dat de Kennedy's de CIA niet vertrouwden en daarom hun eigen kanalen naar Moskou openden, maar pas nu komen de contacten tussen (onder anderen) Robert Kennedy en Sovjet-agent Georgi Bolsjakov onverhuld aan het licht. Zo raakt de gedachte aan een conflict tussen (Castro meegerekend) drie partijen steeds verder op de achtergrond. Elke partij had verscheidene spelers en allemaal hadden die hun eigen agenda.

In Moskou concurreerden allerlei groeperingen binnen partij, regeringsleiding en leger met elkaar. Aan Amerikaanse kant volgden de CIA en het Witte Huis elkaar met argusogen. De Kennedy's waren na de Varkensbaai blind van haat jegens Castro en konden hem letterlijk wel vermoorden. De CIA was nergens te slecht voor, maar vond zoveel emotie onprofessioneel.

Toen de crisis uitbrak, bezat Amerika zo'n achttienduizend nucleaire wapens, samen goed voor een explosieve kracht van een miljoen keer die van de bom op Hirosjima. De Sovjets hadden er minder, maar ook zij beschikten ruimschoots over een 'second strike capability': het vermogen na een grootscheepse aanval op de eigen lanceerplaatsen de vijand met een tegenaanval rampzalige klappen uit te delen. Het was deze situatie van 'wederzijds verzekerde vernietiging' die de crisis zo ingewikkeld maakte.

De strategen in Kremlin en Witte Huis realiseerden zich heel goed dat zij zelf in het schootsveld van de tegenstander lagen. Miljoenen Russische én Amerikaanse burgers bevonden zich, grotendeels onbewust overigens, in door hen afgeroepen nucleaire gijzeling. En men wist van elkaar dat men het wist. Het drama van oktober 1962 was in de allereerste plaats een oefening in crisismanagement.

Op 15 oktober kwamen experts van de CIA, na bestudering van luchtfoto's die de vorige dag genomen waren, tot de conclusie dat de Sovjet-Unie kernraketten op Cuba had gestationeerd. Daarmee begon de crisis, die zou eindigen met Chroesjtsjovs toezegging op 28 oktober dat hij alle raketten terug zou trekken in ruil voor een Amerikaanse belofte Cuba niet aan te vallen.

In de tussentijd had het weinig gescheeld of de Amerikanen hadden een (al dan niet nucleair) bombardement uitgevoerd op het stukje Cuba waar de raketten lagen. Wat daarvan het gevolg zou zijn geweest is ongewis, maar vermoedelijk zou Chroesjtsjov zich niet lijdelijk uit Cuba hebben laten wegblazen. Zou hij Amerika met gelijke munt hebben terugbetaald, dan was verdere escalatie moeilijk te vermijden geweest. Het minste dat met zekerheid van zo'n doemscenario te zeggen valt, is dat velen het niet hadden kunnen navertellen.

Een door Ernest May en Philip Zelikow geredigeerde transscriptie van geluidsbanden die tijdens het crisisberaad aan Amerikaanse kant meedraaiden (The Kennedy Tapes), breekt niet met het traditionele beeld van een klinkende overwinning voor de Verenigde Staten, dankzij de koelbloedigheid van Kennedy en zijn adviseurs. Integendeel eigenlijk. Deze geluidsbanden laten de ouderwetse Kennedy, wiens imago door alle aandacht voor zijn onverantwoordelijkheid op ander terrein al vele jaren geleden in een vrije val is geraakt, weer uit het graf opstaan. Op zijn controle over de situatie - voor zover de chaos überhaupt viel te controleren - valt weinig af te dingen.

Ook May en Zelikow zelf, die de tekst van de banden van een gedegen in- en uitleiding voorzagen, geven niet hoog op van het nieuwe dat zij te bieden hebben. Trots en tevreden over het voltooien van hun monnikenarbeid zijn zij wel. Het traceren van de banden, de strijd voor vrijgave van de inhoud, het transscriberen zelf en daarna het op een gewetensvolle manier redigeren van de immense hoeveelheid gesproken zinnen waren een lijdensweg. En waren het maar zinnen die zij te beluisteren hadden. Er zat veel gestamel en gestotter tussen, amechtig taalgebruik in jachtige dagen, van mensen die van elkaar gewend waren maar een half woord nodig te hebben.

Waarom verdienen de Amerikanen, Kennedy voorop, eigenlijk hun dikke voldoende voor crisismanagement? Om te beginnen stonden zij natuurlijk ten principale al redelijk in hun recht. Al kon hun nog zoveel verweten worden vanwege hun pogingen Castro's regime te wurgen, wat Chroesjtsjov deed (tersluiks kernraketten neerzetten die de waarschuwingstijd bij een nucleaire aanval op de VS tot vrijwel nul reduceerden) druiste in tegen de ongeschreven regels van het interstatelijke verkeer in het post-Stalin-tijdperk. Misschien had de gecombineerde kracht van de atoomwapens op Cuba nuchter beschouwd niet zoveel te betekenen. Ook in het Witte Huis spraken de Kennedy's, George Ball, Robert McNamara, Douglas Dillon, McGeorge Bundy, Dean Rusk en al die anderen wel woorden van deze strekking. Om alle opties open te houden (een typische jaren-zestig-uitdrukking; Kennedy was nergens zo op gebrand als op het openhouden van zijn opties) dachten de chaosmanagers serieus na over het bagatelliseren van de dreiging. Wat het onmogelijk maakte langs die lijn verder te gaan, was het gevaar dat Chroesjtsjov dan door zou gaan en Cuba zou ombouwen tot één grote lanceerplaats. De zaak in de kiem smoren was uiteindelijk de enige reële optie.

Het meesterstuk leverden Kennedy en de zijnen door de Russen in een kleine twee weken in een hoek te drukken, waaruit geen andere ontsnapping mogelijk was dan Castro in de steek te laten. Het Witte Huis kreeg eerst de Verenigde Naties aan zijn zijde en daarmee diverse landen die zich aanvankelijk neutraal hadden opgesteld. Om dat te bereiken moest Amerika zijn toon matigen en vooral zakelijk blijven, waarin het slaagde zonder een druppel water in de wijn te doen. De apotheose was het manipuleren van de briefwisseling met Moskou op zo'n manier dat een brief waarin Chroesjtsjov zijn eisen had opgeschroefd, eenvoudigweg werd genegeerd. Door te doen alsof een eerdere brief, met voor Kennedy wel aanvaardbare voorwaarden, de latere brief was, bood Washington de andere partij een uitweg zonder gezichtsverlies. Ziedaar de 'oude' Kennedy: hij kon slecht verliezen, maar ook met gratie winnen.

Op 29 oktober kwam bij Kennedy via de telex een boodschap van Chroesjtsjov binnen, de man die hem daags tevoren nog in de felste bewoordingen van piraterij had beschuldigd. 'Ik ben tevreden en dankbaar voor de wijze waarop u maat gehouden heeft en bewezen heeft zich bewust te zijn van uw verantwoordelijkheid voor het behoud van de wereldvrede'.

Dat was nog eens een onverdachte bron. En wat de aan het begin van dit stuk gestelde vraag betreft: het is inderdaad niet meer dan een zijden draad geweest.

Doeko Bosscher

Ernest R.May & Philip D. Zelikow (redactie): The Kennedy Tapes - Inside the White House during the Cuban Missile Crisis.

The Belknap Press of Harvard University Press; 728 pagina's; omstreeks ¿ 75,-.

ISBN 0 674 17926 9.

Aleksandr Fursenko & Timothy Naftali: 'One Hell of a Gamble' - The Secret History of the Cuban Missile Crisis.

John Murray, import Nilsson & Lamm; 420 pagina's; ¿ 93,75.

ISBN 0 7195 5518 3.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden