Chaos of eenheid

De grondlegger van de Europese literatuurwetenschap laat er geen twijfel over bestaan: een letterkundig werk dient een afgerond geheel te zijn waarin handelingen logisch uit elkaar voortvloeien en losse eindjes uit den boze zijn....

Wat er in de afgelopen eeuwen ook in de literatuur is veranderd, niet het uitgangspunt dat de eerste regel van een gedicht iets met de slotregel te maken moet hebben en dat wat ertussen staat duidelijk maakt wat dat verband precies is. Hectoliters inkt zijn gevloeid om de eenheid van de meest krankzinnige wartaal aan te tonen, want wat geen eenheid is noemen we chaos en chaos kan niet goed zijn. Van chaos worden we zenuwachtig.

Toch valt niet te ontkennen dat een flink deel van de westerse literatuur bestaat uit boeken die niet alleen grossieren in losse eindjes, doodlopende betekenislijnen en zinloze feiten, maar daar zelfs prat op gaan. De Romeinse satire (satura betekent mengelmoes), The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman van Laurence Sterne, de reisbrieven van Reve, ja, het Boek van God Zelf zijn schoolvoorbeelden van werken die niet aan de voorschriften van Aristoteles voldoen, en daardoor weerstanden hebben opgeroepen. Desondanks hebben zowel auteurs als lezers er alles aan gedaan om duidelijk te maken dat ook deze rommelige boeken, als je maar goed genoeg kijkt, misschien niet simplex, maar wel degelijk unum zijn.

Dat je als lezer eigenlijk niet anders kunt dan er bij voorbaat van uitgaan dat een literair werk als geheel interpreteerbaar is, wordt duidelijk uit de belangrijke studie Postmoderne poe in Nederland en Vlaanderen van Thomas Vaessens en Jos Joosten, die beiden moderne letterkunde doceren en poe recenseren voor respectievelijk Het Financieele Dagblad en De Standaard. Het is ook een heel goed boek, wat niet betekent dat alles wat erin staat waar is.

In hun inleidende hoofdstukken constateren de auteurs dat er met name de laatste vijftien jaar in de Nederlanden nogal wat poe is verschenen die weliswaar op behoorlijke weerklank kon rekenen, maar waarmee recensenten niet goed uit de voeten bleken te kunnen. De meeste critici zijn opgevoed en opgeleid aan de hand van studieboeken die al dan niet bewust de eenheidsclaim van Aristoteles onderschrijven, maar dan in de gedaante waarin hij bij de Amerikaanse New Critics en bij het roemruchte tijdschrift Merlyn verschijnt - hoewel men zeker sinds de Vijftigers de nodige chaos gewend zou moeten zijn. Zelfs bij Lucebert wordt nog altijd geprobeerd de kern van zijn gedichten bloot te leggen, hetgeen tal van interessante studies heeft opgeleverd die elkaar met klem tegenspreken. Maar wat bij Lucebert nog weleens lukt, blijkt bij Van Bastelaere, Duinker, Oosterhoff en Holvoet-Hanssen onmogelijk.

Vaessens en Joosten stellen dat de poe van dergelijke dichters, hoe verschillend ze onderling ook zijn, met meer vrucht gelezen kan worden zodra men ze met een postmoderne bril bekijkt. De gedichten en bundels van Peter Holvoet-Hanssen wekken een incoherente indruk, maar misschien zijn ze dat ook en willen ze niet anders. Tonnus Oosterhoff cultiveert, in het voetspoor van J.H. Leopold, het onaffe, maar is dat erg? Betekent het feit dat Erik Spinoy en Dirk van Bastelaere voortdurend uit de wereldliteratuur citeren, en dan vaak op misleidende wijze, dat ze zelf niets te melden hebben? Wie met een modernistische blik op zoek gaat naar organische eenheid, heldere standpunten of een authentieke persoonlijkheid, komt bij deze dichters van een koude kermis thuis.

In zeven case-studies laten Vaessens en Joosten zien dat het wel degelijk mogelijk is iets zinnigs over dergelijke ogenschijnlijk ongrijpbare poe te zeggen. Het meest overtuigend doen ze dat bij Holvoet-Hanssen en Peter Verhelst, door aannemelijk te maken dat hun gedichten gekenmerkt worden door betekenislijnen die doodlopen of elkaar op zo'n manier kruisen, dat totale verwarring het gevolg is.

Minder geslaagd is een poging Robert Anker in het postmoderne kamp in te lijven. Ongetwijfeld is Anker een zoeker die het geloof in de traditionele moraal heeft moeten opgeven, maar hij verwoordt dat in gedichten die van begin tot eind probleemloos te duiden zijn. En het stuk over Van Bastelaere spreekt zichzelf in zekere zin tegen: de dichter verwerpt alles wat naar authenticiteit zweemt en frustreert onze behoefte aan coherentie, maar het feit dat dit in een sluitende interpretatie perfect valt aan te tonen duidt erop dat Van Bastelaere zijn gedichten bijzonder consequent in elkaar heeft gezet. Hij speelt weliswaar met de onhoudbaarheid van het subject, maar verwerpt het in de praktijk niet.

Aan het eind van het boek staan onder het kopje 'De archeologie van het postmodernisme' drie essays over Lucebert, Sybren Polet en Rein Bloem. Tendensen die in de als postmodern gekenschetste poe van centrale betekenis zijn geworden, blijken ook al aanwezig te zijn bij deze drie dichters. Dat zou kunnen verklaren waarom zij zo vaak zijn misverstaan en waarom Polet en Bloem nooit populair zijn geworden.

Iedereen die greep wil krijgen op rare moderne dichters, moet ten minste de helft van dit boek lezen. Wat niet wil zeggen dat je niet in veel gevallen ook een heel eind komt met Aristoteles.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden