Ceremoniemeester van de Tour

Over twee weken begint de honderdste Tour de France, en de Nederlandse radioluisteraar zal wederom worden meegesleept door emoties die de zijne niet zijn....

'Nee, hij is ingesloten. Hij kan er waarschijnlijk niet tussenuit komen. Kan er ook niet onderdoor komen. Komt er toch onderdoor! Daar gaat Wagtmans naar voren, naar een eerste plaats. Schellenberg achter hem aan. Wagtmans voor, Wagtmans blijft voor! Wout Wagtmans wint voor de vierde keer in Bordeaux een etappe in de Tour de France! Dat was een buitengewoon interessante sprint, luisteraars. Tot twee, drie keer toe had het er alle schijn van dat Wagtmans volledig was ingesloten en zowaar, daar is Nederland, en dat is een bijzonder succes, luisteraars, voor het vierde jaar met een overwinning in Bordeaux uit de bus gekomen.'

Hoe breng je een sportcommentator tot leven? Heel eenvoudig: door hem op te schrijven. Bij de meesten ben je gauw klaar. Moedertjelief bijvoorbeeld. Of: zijn we er toch ingetuind. Of: dat is een mooi stel bij elkaar, hoor. Om maar niet te spreken van: komt dat schot! Als het grote zwijgen is begonnen, kan de loopbaan van menig sportcommentator gevangen worden in één zinnetje.

Daarmee vergeleken was Jan Cottaar, die bovenstaand woorden op de radio uitsprak bij de finish van de twintigste Tourrit in 1955, een mond vol. Hij deed verslag van het Nederlandse wielrennen toen dat voor de eerste keer van zich deed spreken en één ding is zeker: het Nederlandse wielrennen had zich geen betere boodschapper kunnen wensen. Jan Cottaar sprak op een ouderwetse, bijna deftige manier; bekakt zouden we in onze eigen platgeslagen tijd zeggen. Hij gilde of brulde zelden. Hij beschreef wat hij zag en, als de spanning steeg, ging zijn stem een octaafje hoger.

Tegenwoordig wordt de Nederlandse radioluisteraar meegesleept door emoties die de zijne niet zijn. Luisteren naar Jan Cottaar leert dat een beetje grammatica het heus niet minder spannend maakt. Zie bovenstaand citaat. Zonder dat er een werkwoord verloren gaat, schetst Cottaar in kernachtige zinnen het onverwachte verloop van de eindsprint. Als Wagtmans' zege binnen is, komt er tijd voor bijvoeglijke naamwoorden en wordt in een prachtig gecomponeerde slotzin het historische belang benadrukt.

Nederland, land zonder televisies, zat in de jaren vijftig aan de radio gekluisterd. Wanneer Wim van Est en Wout Wagtmans naar nieuwe successen snelden, staakten fabrieken hun wild geraas, legden huisvrouwen hun stofzuiger het zwijgen op en zat de kruidenier eventjes vast in de voorraadkast. De zomers van de jaren vijftig zijn in de collectieve herinnering opgeslagen dankzij het krakend stemgeluid van Jan Cottaar, helemaal uit het verre Frankrijk. Peter Cottaar weet nog goed hoe hij op late middaguren door Den Haag zwierf en uit de openstaande ramen zijn vader hoorde praten. En Ischa Meijer heeft die juliweken wel eens in herinnering geroepen als de enige periode in het jaar waarin vader Meijer het zwijgen werd opgelegd.

Jan Cottaar was wereldberoemd in Nederland. Toen hij na een zwaar auto-ongeluk regelmatig een fysiotherapeut moest bezoeken op de Haagse Laan van Meerdervoort laste de trambestuurder een extra halte in. De conducteur stapte uit om het overige verkeer tegen te houden en de beroemde passagier was meteen waar hij zijn moest. Deze halte heette in Den Haag de Jan Cottaarhalte.

Op de vraag hoe goed hij eigenlijk was, heeft Tim Krabbé twintig jaar geleden in NRC Handelsblad het volgende antwoord geformuleerd: 'Jan Cottaar hoefde niet goed te zijn. Jan Cottaar was de Tour en niet alleen omdat ik in 1956 dertien jaar was... Buiten zijn medeweten begeleidde zijn meeslepende radiostem de tijdritten die ik reed.'

Dat antwoord is te vinden in een koffer die door Peter Cottaar is achtergelaten in het Sportmuseum in Lelystad. De inhoud is bedoeld voor een tentoonstelling over de honderdjarige Tour. Maar het is een nog veel beter idee om de koffer zelf ten toon te stellen, want het is niet zomaar een koffer. Het is de koffer die met Jan Cottaar mee ging naar de Tour.

Het is zo'n koffer van ouderwets plastic, zo eentje die nu alleen nog maar in gebruik is bij accordeonspelers uit Bulgarije. Deze koffer moet in de achterbak hebben gelegen toen Jan Cottaar met zijn schrijvende collega's Lutz, In 't Hout en Duyzings nog een laatste blik op de kopgroep wierp alvorens naar de eindstreep te snellen voor een liveverslag.

Peter Cottaar, die de nalatenschap beheert, beschrijft zijn vader als een geboren ceremoniemeester. Er kon geen huwelijk gesloten worden of Jan Cottaar hield de boel gaande. En zo was het op de radio eigenlijk ook. Sport werd bij hem gezellig, het cement dat de samenleving bindt.

Cottaar, Johannes Hendricus Marie, geboren in Delft (1915) en gestorven in Leiderdorp (1984), was een katholiek van het ouderwetse soort. Bij de paters Franciscanen in Venray doorliep hij met goed gevolg het gymnasium. De Franciscanen hadden een orde waar goed schrijven van het allergrootste belang werd geacht en Jan Cottaar zou bij leven ook zeker gesputterd hebben als hij het geluid van de Tour was genoemd.

De pen en de typemachine waren hem misschien wel liever dan de microfoon. Hoe vaak zijn de kinderen Cottaar 's morgens niet gewekt door gesmoord getyp? Voor de zekerheid had Jan Cottaar een kussen onder zijn machine gelegd, maar 's morgens vroeg is elke aanslag er één en het was ook wel een geruststellend geluid, dat geratel.

Tot zijn aanstelling als directeur van het Nederlands Olympisch Comité in 1970 is Cottaar als sportjournalist in dienst geweest van verschillende dagbladen. Na twee leerjaren bij de Nieuwe Delftsche Courant waren dat achtereenvolgens De Tijd en de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Maar de krant bood hem niet genoeg ruimte. Daarnaast schreef Jan Cottaar een kleine bibliotheek vol.

Veel van dat schrijfwerk was in opdracht, want de schoorsteen moest wel roken natuurlijk. 10xTour was een ideetje van confectiefabriek Lonneker ('De Nederlandse vakman toont een gestadig groeiende voorkeur voor Lonneker vakkleding'). En toen de KNVB ten strijde trok tegen het professionalisme schreef Jan Cottaar Vaste koers amateurisme.

Meteen na de oorlog begon Cottaar met een wekelijks radiopraatje bij de KRO en drie jaar later, in 1949, begroette hij de 'luisteraars' (weinigen spraken dat woord met zoveel hoogachting uit) voor de eerste keer vanuit de Tour.

Van alle sporten is het wielrennen hem altijd het liefst geweest en buiten de Spelen was er geen evenement mooier dan de Ronde van Frankrijk. 'In de Tour de France hebben wij als vrijwel nergens anders in onze loopbaan de sport, de strijd, de felle verbeten worsteling om de victorie zo op de vingers gekeken en zo tot in de finesses meebeleefd', schrijft hij in 10xTour.

Jan Cottaar arriveerde die eerste keer pas halverwege de Tour, nog net op tijd om in Pau de laatste drie renners van de Nederlandse ploeg buiten de tijdslimiet te zien arriveren. 'De ploeg naar huis en de microfoon in onze handen.'

De Ronde van Frankrijk leefde in die jaren nauwelijks. Eens in de drie dagen mocht Cottaar het vaderland op de hoogte brengen van de ontwikkelingen. 'Om het in muziektermen uit te drukken: ik was vooral een moderator.'

Dus toen Wim van Est 52 jaar geleden in Dax als eerste Nederlander de gele trui mocht aantrekken, had Cottaar helemaal geen uitzending. 'De journalist in ons stond zich te verbijten.'

Ook de volgende dag stond hij werkeloos bij het ravijn, waarin Van Est zojuist was gekukeld. Ditmaal prees hij zich echter gelukkig het thuisfront in het ongewisse te laten. Moeder Van Est zou zich immers een ongeluk zijn geschrokken als ze op de radio had gehoord dat haar zoon zeventig meter diep voor dood lag. Fatsoen ging in die tijd nog voor nieuws. Zeven jaar later, allang eind goed al goed, verwoordde Cottaar zijn herinneringen in een radiopraatje.

'Weg glans. Weg gele trui. Weg alle belangstelling voor de wedstrijd, voor de grootse natuur om ons heen. Zeventig meter diep, daar kon geen hoop meer zijn. En toen gebeurde het wonder. Van Est kroop omhoog. De gele vlek bewoog. Was de uitbundige glorie in Dax groter geweest dan de innige voldoening om dit behoud na de rampzalige val bij dit ravijn? Bij niemand van ons!'

Die neiging het belang van de sport te relativeren, ook blijkend uit Vaste koers amateurime, klonk nog sterker door in een interview met Wim van Est nadat deze in Thonon les Bains, vier jaar na die fatale val, opnieuw de gele trui had veroverd.

'Zeg Willem, je weet dat we dat wel eens vaker hebben gedaan, met de gele trui de bergen in, en toen gebeurde er de volgende dag iets vreselijks. Laten we afspreken dat niet opnieuw te doen.'

'Nee, eehh...'

'Dat is het niet waard.'

'Nee, ik ga niets forceren.'

'Goed luisteraars, dan weten we dan weer. We gaan die gele trui beschouwen als een prettige verrassing, maar we gaan er geen dwaze dingen mee uithalen. We gaan de Tour niet hoger stellen dan andere dingen die voor ons belangrijk zijn en ....'

'Verders doe ik mijn vrouwen de groeten, vader en moeder en al mijn vrinden, de supporters. Allemaal een goedendag.'

Die praatjes na afloop hebben Jan Cottaar gebrandmerkt, alsof hij inderdaad niet meer was dan de ceremoniemeester. Alle heroïek werd teniet gedaan door die eeuwige groeten. 'Soms was ik wel eens jaloers op de Fransen. Dat waren vaak renners die wel een story hadden.' Maar het fragment met Van Est zegt vooral iets over de verhouding tussen journalist en renner. Welke journalist zou nu zo'n bevoogdende toon, pluralis majestatis, durven aanslaan?

Tweevoudig Tourdeelnemer Leo van der Pluym zegt dat journalist en wielrenner in die tijd ook veel met elkaar optrokken . Allemaal Nederlanders in den vreemde immers. 'Maar Pellenaars wist ook wel hoe-ie ze moest paaien.'

Tienvoudig Tourdeelnemer Gerrit Voorting ergerde zich wild aan het handjeklap tussen ploegleider en journalisten. 'Ik ben nooit een Cottaar-man geweest', zegt hij op een verbeten toon waaruit een eeuwig gevoel van miskenning spreekt. Zijn successen in de Tour werden in de verslaggeving altijd een tactisch meesterwerk van Kees Pellenaars genoemd, alsof Voorting zelf niet kon bepalen waar de aanval moest worden ingezet. 'En ik mocht op de radio nooit de waarheid vertellen.'

Van der Pluym oordeelt milder over Cottaar. 'Hij kon er een hoop bij fantaseren, maar altijd op een goede manier.' Gaandeweg ontwikkelde de commentator zich ook tot een insider. In het eerste jaar kon hij zich nog opwinden over combines en het vermoeden van dopinggebruik, maar op de radio werd er nooit schande van gesproken.

Van der Pluym: 'Wat namen wij nu helemaal? Een pervertientje, een dexadrientje, toch niks vergeleken bij wat ze nu allemaal slikken.' Krabbé: 'Jan Cottaar had het fatsoen naïef te blijven tot het tegendeel bewezen was.' Cottaar zelf in zijn memoires: 'Wij zouden de tien jaar niet hebben volgemaakt wanneer wij niet elk jaar ook sportieve ervaringen hadden opgedaan.'

Na de zeperd van 1951 verlangden de radiobazen dagelijkse reportages en die kregen ze. Jan Cottaar was druk als een klein baasje. Na het live-verslag voor de radio tikte hij zijn stuk voor de krant, sprak een terugblik in voor de radio, besloot zijn werkzaamheden met een column voor de krant.

Met de successen steeg ook Jan Cottaar in aanzien. De jaren vijftig, later vooral geassocieerd met spruitjeslucht, waren misschien nog wel veel meer het tijdperk van de hoop. Nederland verkeerde in de optimistische staat van wederopbouw en zijn nationale wielerploeg was een uitdrukking van groeiend zelfvertrouwen. '

Natuurlijk is dat al te bescheiden. Jan Cottaar was onderdeel geworden van het succes . Hij besefte dat wielrennen entertainment was, maar benaderde het als een journalist van het ouderwetse soort, eentje voor wie de feiten voorop staan.

Vanaf 1953 ging er met Cottaar een chef d'équipe mee naar Frankrijk. Die reisde alvast vooruit naar de plaats van aankomst om de technische faciliteiten in orde te maken. In 1958 was dat Dick de Vree. Hij herinnert zich Cottaar als een bevlogen vakman, in elk geval een stuk plezieriger in de omgang dan diens opvolger Dick van Rijn. ''Maar dat zult u niet verbazen.'

Toch was Jan Cottaar niet altijd het toonbeeld van katholieke gemoedelijkheid. Eén keer heeft dat flink gebotst nadat Cottaar zich beklaagde over de werkomstandigheden aan de finishlijn. De Vree: 'Ik heb hem gezegd: dan ga je maar naar huis, want dat is mijn pakkie-an. Nou, daar heeft hij zich met moeite bij neergelegd.'

De Vree bemerkte in 1958 al enige metaalmoeheid bij zijn verslaggever. Cottaar ging foutjes maken, al te zeer vertrouwend op routine. Het jaar daarop zou zijn laatste Ronde van Frankrijk worden. Federico Bahamontes won, het was een saaie Tour en Nederland sprak geen woordje mee.

De daaropvolgende jaren, tot de wording van Jan Janssen als Tourwinnaar, bleef de Nederlandse inbreng tamelijk gering, maar de ster van Jan Cottaar rees hoger dankzij de verbreiding van de televisie. Hij werd presentator van Sport in Beeld, de voorloper van Studio Sport. De stem kreeg een gezicht en onder dat gezicht zat het wereldberoemde vlinderdasje.

Dat vlinderdasje was een letterlijke noodgreep. Na dat auto-ongeluk was zijn rechterarm niet meer in staat een stropdas te strikken en dus werd de strop een vlinder. Al die tijd was Cottaar ook chef van de sportredactie van NRC. Joep Bik en Tom Blom, zijn achtereenvolgende ondergeschikten, voelden zich vaak aan hun lot overgelaten. Jan Cottaar had het te druk met zijn tv-werk. Bik over zijn vroegere chef: 'Eigenlijk was het een voororlogse man in zijn stijl, door en door katholiek.'

De sportjournalistiek veranderde in die tijd. Er trad een jonge garde aan, die de atleet anders bejegende, serieuzer nam. De generatie van Jan Cottaar was volgens de nieuwe lichting een stel meneren geweest, die graag tegen de macht aan schurkte. Blom: 'Toch een beetje de sherrycultuur van de bestuurders.'

Op 30 juni 1984 publiceerde het Leidsch Dagblad een groot interview met Jan Cottaar. De bijgaande foto toont een magere man, het boordje open. Hij zegt uit te kijken naar een nieuwe Tour de France die op het punt van beginnen staat.

Drie weken later, als Laurent Fignon zijn aanstaande zege bekroont met een zege in de afsluitende tijdrit, eindigt het leven van Jan Cottaar, geveld door leverkanker. Van zijn eerdere vechtlust was niets meer over. Peter Cottaar: 'Alsof hij alles had losgelaten.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden