cd aan mijn moeder

Baloji maakt Belgisch/Congolese hiphop. Zijn eerste plaat, Hotel Impala, was bedoeld om zijn drie ouders te vertellen wie hij is. De boodschap werd niet helemaal begrepen.

Het was een simpele vraag, waarop de Belgische rapper Baloji (33) alleen een heel ingewikkeld antwoord kon bedenken. 'Hoe gaat het ermee?', vroeg zijn Congolese moeder, die hem ruim twintig jaar niet had gezien of gesproken. 'Wat heb je uitgevoerd de afgelopen tijd?'


'Een nogal open vraag', zegt Baloji. 'Waar zou ik eens beginnen. Ik was naïef. Ik dacht dat mijn moeder echt wilde weten hoe het ging met haar oudste zoon, die ze niet zelf had opgevoed. Maar het was een heel andere vraag. De echte vraag was: heb je een diploma, heb je werk, en wanneer komt het geld? Kom op Baloji, bring it on!'


Het drong pas tot hem door in het vervolggesprek, dat Baloji tevens duidelijk maakte dat er een gedegen antwoord moest worden geformuleerd op de vraag van zijn leven. Het tweede deel van het antwoord ligt nu voor hem op een tafeltje in de bibliotheek van het Amsterdamse Lloyd Hotel, als de cd Kinshasa Succursale. Een plaat met Belgisch/Congolese hiphop en vijfentwintig jaar levenservaring uitgesmeerd over dertien aangrijpende liedjes. Venijnige raps op charmante muziek, hiphop die de deuren vanaf het Luikse straatleven heeft geopend naar de rijke Congolese muziektraditie van rumba en soukous. Een album waarmee Baloji tegenwoordig de wereld over vliegt, van de VS naar Brazilië, om daar zijn wonderbaarlijke samensmelting van muziekculturen te laten horen. En, desgewenst, om uitleg te geven over de complexe ontstaansgeschiedenis.


Dat doet hij vandaag zonder remmingen. 'Ik ben het kind van een onenightstand', zegt Baloji, die zijn ware voornaam als artiestennaam voert. 'Het resultaat van het bedrog van mijn vader, geboren uit zijn maîtresse op een kilometer of dertig buiten Lubumbashi. Toen ik 3 was, nam hij me mee naar België, naar Oostende, waar hij woonde. Op die manier kocht hij zijn schuld af: mijn moeder had hem om hulp gevraagd en voor Congolezen is een kind in het buitenland een soort investering, een levensverzekering. Als het kind een jaar of 18 is, kan het beginnen met geld overmaken. Cynisch? Welnee. Ik zie het heel objectief, beschouw het maar als een Congolese traditie.'


Vader deed goede zaken in Lubumbashi. Hij exploiteerde het Hotel Impala, een rustplaats voor Congolese entrepreneurs die hun vermogen uit de goudmijnen lieten hakken. Hij forensde tussen Oostende en Lubumbashi, met in zijn voetspoor een stoet zoontjes, waaronder Baloji.


'Happy days. Totdat in Congo begin jaren negentig weer eens een stammenstrijd ontbrandde. De stam van mijn vader werd etnisch gezuiverd, Hotel Impala afgebrand. Mijn vader zat zonder business en verhuisde ineens naar Zuid-Afrika. Hij liet mij achter bij mijn pleegmoeder in België.'


Hij werd als kleine Congolese Belg gekieteld door de hiphop van zijn broers. 'Dat waren dansers, en heel goede ook. Ze dansten in videoclips, streetdance, op de hiphop uit die tijd, op de newbeat van Technotronic.' Baloji danste niet mee, belandde in een tehuis voor lastige kereltjes en begon daar zelf eens wat te rijmen. Hij leerde niet-Congolese rappers kennen en vormde daarmee in Luik een veelkleurige hiphopcrew: Starflam.


'Mijn muzikale vorming, heerlijk buiten de Congolese gemeenschap. In Starflam zaten jongens uit normale families, iemand uit de punkscene die me elke woensdag meenam naar punkfeestjes. En een paar Colombianen die me bekend maakten met latin en salsa, Afrocubaanse ritmes. Vreemd, maar via die route leerde ik pas de eigen Congolese muziek kennen, ik ontdekte diezelfde ritmes in de soukous uit de jaren zestig, muziek die ik altijd vreselijk had gevonden. Afschuwelijk, muziek van mijn ouders! Ongeveer zo erg als Jacques Brel voor Belgische kinderen.'


Baloji doorliep een voorzichtige Belgische carrière: Starflam werd een gevierde Belgische band, speelde in voorprogramma's van Beastie Boys tot Rage Against The Machine.


En dan, dat telefoontje van zijn moeder uit Congo. 'Toen ik eindelijk begreep wat de bedoeling was, zag ik het licht. Ik dacht: nu heb ik echt wat te vertellen, nu kan ik echt muziek gaan maken. Ik ga mijn ouders, alle drie, uitleggen wie ik ben.'


In 2008 verscheen Baloji's eerste plaat: Hotel Impala. 'Ik wilde op de as van dat hotel een nieuw huis bouwen, vandaar die titel. Mijn vader laten zien hoe je een leven opnieuw kunt opbouwen. Maar hem ook de lastige vragen stellen: waarom liet je mij ineens achter in België?' De liefdevolle mededelingen waren voor zijn pleegmoeder. 'Zij voedde mij op, hield van mij, terwijl ze in mij toch voortdurend het bedrog van haar man moest zien. Dat is knap, toch?' Zijn echte moeder werd het tegenvallende financiële nieuws gebracht. En dat alles in francofone hiphop, op muziek uit het thuisland.


Voor de vervolgplaat Kinshasa Succursale, dat zoiets als Filiaal Kinshasa betekent, nam Baloji een eigen versie op van de absolute kraker onder de Congo-klassiekers: Indépendance Cha-Cha. 'Het onafhankelijkheidslied van Grand Kallé. Typische Congolese jazz: delicate ritmes, een heerlijk liedje, maar met ontzettend stomme teksten, waarin de grootsheid van de Congolese politici wordt bezongen. Vereringsmuziek, zoals die nog steeds wordt gemaakt voor politieke campagnes.'


Baloji maakte een sarcastische variant, wijst op de beloften die voor het armlastige land nooit zijn waargemaakt. 'L'or ce change en plomb', rapt hij over melancholieke gitaartjes: het goud verandert in lood. In het lied De l'Autre Côté De La Mère rapt hij zijn moeder toe op zoete mutuashi, Congolese afropop.


Zijn albums werden deels opgenomen in Kinshasa, met Congolese muzikanten, en de band van de 'vader van de Congolese rumba': Wendo Kolosoy, alias Papa Wendo. En met zijn platen onder de arm vertrok Baloji dan ook opnieuw naar Afrika, voor de afrondende fase van het project: hoe vertel ik het mijn ouders.


'Ik moest het ze toch laten horen, het was tenslotte voor hen geschreven. Dus ik naar mijn moeder. Met die cd. En een discman, want mijn moeder heeft natuurlijk geen cd-speler. Het was vreselijk. Ze wilde geen cd. Ze wilde geld. Een cd was dom Europees gedoe, ze begreep er niets van. Hoezo moest ik vertellen dat ik toch van haar hield in onbegrijpelijke liedjes?' Hij schuift ongemakkelijk over zijn stoel, de schaamte is duidelijk nog niet verwerkt. 'Mijn vader idem dito. Hij vond het een schande dat ik privézaken naar buiten had gebracht, in zoiets onzinnigs als muziek, dat doe je niet. Ik droop af, bij allebei, het was stom en verkeerd.'


De moed werd weer opgepakt in Kinshasa, waar in 2010 een kleine Congolese tournee was georganiseerd rond de viering van vijftig jaar onafhankelijkheid. Maar ook daar, bij een presentatie en persconferentie in de Belgische ambassade, werd Baloji nauwelijks begrepen. 'Mij werd nogal wat voor de voeten geworpen. Wat ik als Europeaan eigenlijk te zoeken had bij de herdenking. Waarom er geen Congolese band kon optreden. Muziek in Congo is politiek nogal gevoelig, er is geen normale muziekindustrie, geld voor opnamen en tournees komt uitsluitend van ngo's en ambassades. Dus steekt jaloezie de kop op als er een keer iets wordt georganiseerd rond een buitenlands bandje. Ik had het zwaar, en een persconferentie duurt in Congo meestal een uur of drie.'


Laatste lastige vraag bij deze sessies ging steevast over zijn naam: Baloji. Een beladen naam in de Congolese mythologie, want Baloji is de naam van de man van het kwaad, zegt hij zelf. 'Ze vroegen me of het mijn podiumnaam was of mijn echte naam. Als het mijn echte naam was, moest ik nodig gedoopt worden.'


Op de hoes van Kinshasa Succursale zien we dus Baloji in een Congolese plas, gedoopt door een dominee in Afrikaans hemd. 'Ik heb er maar een grap van gemaakt.' Toch kunnen we dit beeld wat Baloji betreft ook best wat dieper duiden: 'Het hele Congo-project was uiteindelijk een nogal overweldigende ervaring. Misschien ben ik er echt opnieuw geboren.'


Baloji speelt met band in Grounds in Rotterdam, 26/04, en in Studium Generale, Maastricht, 27/04. De cd Kinshasa Succursale is verschenen bij Crammed Discs. De Congolese videoclips van Baloji zijn te vinden op Youtube en op Baloji.com.


Op Spotify heeft de Volkskrant een playlist samengesteld met zestig jaar Congolese popmuziek, van Grand Kallé et l'African Jazz, via Andrew Bird en Konono No 1 tot Baloji. vk.nl/spotify

IN Kinshasa nam Baloji twee videoclips op, waarvoor hij zich naar eigen zeggen diep in de schulden heeft gestoken, 'vermoedelijk voor de rest van mijn leven'. In de clip bij zijn versie van de Indépendance Cha-Cha, een Congoklassieker en zo'n beetje het Afrikaanse volkslied, speelt hij met leden van de band van Wendo Kolosoy, de 'vader van de Congolese rumba', en de zanger Royce Mbumba. Voor de heftige trance-clip bij Karibu Ya Bintou werkte Baloji met de band Konono No 1. Ze waren misschien duur, maar de clips zijn wel opgevallen. Nick Cave, The Roots en de Britse dj Gilles Peterson volgen de Belg inmiddels. 'En geloof het of niet, sinds mijn tweede cd bellen alle coole labels me.' (Foto links Jerome Bonnet, rechts Alexander Popelier)


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden