Cas Enklaar

'Ik denk dat ik vrij goed kan inschatten wat ik wel en niet kan. Ik ben iemand die zichzelf regisseert, er is altijd dat derde oog dat stuurt en kijkt naar wat ik doe.' Gesprek met acteur Cas Enklaar die 'het beste gedijt in een zaaltje met de ramen open',...

Er is een moment geweest dat Hollywood lonkte. Hij speelde een prachtige hoofdrol in Een dagje naar het strand (1984) van Theo van Gogh. 'Het mooiste wat ik ooit gedaan heb.' Hij liet zich het hoofd op hol brengen. 'Ik zag de Oscar al voor me. Ik schreef in mijn hoofd de recensies: dit is van een tederheid zoals we die nooit eerder op het witte doek zagen. Maar wat lees je? Zo vilein en vals als Cas Enklaar een dronkelap kan spelen.'

Hij speelt zelden een sympathieke karakterrol. 'En dan word je geen filmster. Een filmster is sympathiek, het publiek moet zich met hem kunnen identificeren.'

Bij het Werkteater zei hij altijd: 'Als Visconti mij belt ben ik weg.' Hij noemde niet voor niets Visconti. 'Ik besefte ook wel dat ik niet voor een cowboyfilm gevraagd zal worden.'

Vilein, vals. 'Dat is kennelijk het eerste wat men bij mij ziet. Ik moet dat aanvaarden. Maar ik hoop dat die tederheid ook gezien wordt.'

Cas Enklaar is een markant acteur, eigenzinnig, kritisch. Hij stond in de meest uiteenlopende voorstellingen: bij voorkeur buiten de gebaande paden, waar hij kan experimenteren, grenzen verkennen, met jonge acteurs werken. Prutst soms zelf voorstellingen in elkaar, en neemt graag risico's. De kritieken over hem kunnen juichend zijn ('schitterend', 'superieur'), maar ook vernietigend ('Wat bezielt Cas Enklaar?').

Hij is lang, loopt kaarsrecht, het hoofd is knokig, de geloken oogleden geven hem een enigszins hooghartige, soms boosaardige uitstraling. Hij heeft een mooie stem, zwaar, met licht krakend timbre. Ank van der Moer, actrice en docent op de toneelschool, zag niks in de student Enklaar. Behalve zijn stem. Dan zei ze ironisch: 'Laat het bronzen geluidje maar weer eens horen.'

Enklaar zag ook niks in zichzelf. 'Ik was een stijve student met bril, een houten klaas, een hortsik. Ik kon de ene voet niet voor de andere krijgen. Ik kon niks.'

Dat gevoel heeft hij jarenlang gehouden. Altijd ongelukkig of ontevreden na een voorstelling. 'Ik vroeg eens aan Joop (Admiraal) en Shireen (Strooker) of zij dat nou ook hadden. Helemaal niet! Als het een avond niet goed is gegaan, nou, dan morgen beter. Geleidelijk aan, voetje voor voetje, heb ik dat stadium bereikt. Ik ga niet meer dood als ik een keer wat minder ben.'

Hij heeft de vreugde ontdekt van het spelen. 'Maar als je me vraagt: heb je zin vanavond? Nee, ik heb eigenlijk nooit zin. Ik zie er altijd tegenop. Altijd dat itterige om zeven uur, hè gat, moet ik echt, naar die kleedkamer, die koude kleren aan je lijf. Pas als je begint, is het afgelopen, dan geniet je met volle teugen. Soms.'

Hij speelde vijftien jaar bij het Werkteater. Daar is het fundament voor zijn acteurschap gelegd. Nog steeds refereert hij aan die periode, met veel voorbeelden, uitspraken en anekdotes.

Hij houdt van sober, heeft een hekel aan de kermis van het grote toneel, met licht- en geluidtesten, fluisterende mannen met dopjes in hun oren. 'Ik gedij het beste in een lokaaltje met de ramen open. Alles wat andere mensen leuk of gewoon vinden: coulissen, de duisternis, achter een gordijn staan, je opkomst niet mogen missen, dagenlang op je plekje staan voor de belichting, dat haat ik. Ik heb er diepe minachting voor, omdat het niets met spelen te maken heeft. Ik heb de brief van Kafka aan zijn vader gedaan, een monoloog van zestig bladzijden, anderhalf uur spreken met de ogen neergeslagen. Van die soberheid hou ik.'

Hij kreeg er, in 1994, de Albert van Dalsum-prijs voor.

Ondanks zijn afkeer voor het grootschalige toneel, speelde hij vorig jaar in Wilhelmina de rol van Van 't Sant, de koninklijke raadsheer. Wel honderdvijftig keer. 'Ik had nooit vermoed dat ik het zo leuk zou vinden. Ik ben er eigenlijk tegen, zo'n stuk dat erin gehamerd is, dat je bijna geheel op de automatisch piloot kan doen. Maar het was heerlijk om iets te spelen dat zo veel succes heeft. Het was zo'n goede groep, we hadden nooit een mindere voorstelling.'

Grijnst: 'En voor een eenzame was het ook ontzettend gezellig, elke dag met een hoop mensen in de bus. Er waren elke week wel drie verjaardagen, met liedjes, voordrachten. Ik hoefde nooit mee te doen, hoor, ik stond bekend als izegrim, die liever een boekje las, dus ik werd een beetje gespaard.'

Hij zit nu samen met onder anderen Olga Zuiderhoek in Never Land van een jonge Engelse schrijfster, Phyllis Nagy. Het is een wonderlijke voorstelling over een gezin met een totaal geobsedeerde anglofiele vader. De kritieken waren helaas tamelijk vernietigend. Hijzelf blijft het mooi vinden, het is heftig, zegt hij, er valt veel te spelen.

Maar toen het script langskwam eerder dit jaar, was hij eerlijk gezegd ook in paniek. 'Ik had geen werk. Ik moest verdomme wat doen. Die paniek houdt nooit op. Als ik een tijd geen werk heb, ga ik denken dat er een reden is, dat het geen toeval is. Je bent bang dat men op je uitgekeken is, dat er zo veel betere, jongere acteurs zijn, of weet ik wat voor reden. Ik maak mijn eigen spoeling ook dun omdat ik nogal nee-zeggerig ben, tegen bepaalde regisseurs, of tegen een stuk. Ik denk ook dat ik vrij goed kan inschatten wat ik wel en niet kan. Ik ben iemand die zichzelf regisseert, er is altijd dat derde oog dat stuurt en kijkt naar wat ik doe.'

Hij heeft een hekel aan opkomen. Wacht het publiek het liefst op. Hij weet waarom. 'Op het toneel ben je als een vlieg onder een microscoop. Mensen kijken door die microscoop: vinden wij hem leuk? Hoe beweegt ie, hoe loopt ie? Ik vind het verschrikkelijk moeilijk mijn angst daarvoor te overwinnen: ben ik wel goed genoeg, ben ik wel leuk genoeg? Als ik daar alvast sta, ben ik Cas Enklaar, ik zeg goedenavond, ik relativeer mijzelf, ik ben een gewoon mens, die een moppie doet.'

Een vriend van je zei: Cas speelt het liefst in z'n blote kont.

Onaangedaan. 'Ja, dat is een rare drang. Ik geloof dat het diezelfde verontschuldiging is: dit ben ik, een mens net als u, in mijn naaktheid. In Never Land moet ik me ook uitkleden. Het is voorgeschreven, hoor, ik doe het niet altijd uit mezelf! Maar het kost me geen enkele moeite, ik draai er mijn hand niet voor om. Ik voel me zelfs dan pas voor het eerst senang.'

Het scheelt natuurlijk wel als je voor de dag kunt komen met jezelf.

(Ik bedoel zijn lichaam, maar hij zegt:)

'Als je een kleintje hebt, zul je niet zo gauw op het idee komen. De mensen die erom beroemd zijn dat ze in ieder stuk alles uittrekken hebben allemaal een grote.'

Hij is niet ijdel, vindt hij. Wel een estheet. 'Als ik weet dat ik bloot ga, draag ik geen sokken meer, omdat je dat randje ziet in je vel.'

Hij staat ook graag in vrouwenkleren op het toneel. Hij speelde volksvrouwen en burgerdames, maakte een voorstelling over Joan Crawford en was Blanche Dubois (in mannencolbert overigens) in Tramlijn Begeerte. 'Een tijdlang is het een soort obsessie geweest. Ik ben er nu minder mee bezig. Maar het hakje blijft een onweerstaanbare aantrekkingskracht op me houden. Ik vind het ontzettend leuk om op naaldhakken te lopen en elegant te zijn.'

'Ik was zo'n jongen', zegt hij, licht gegeneerd, 'die met zijn moeder mee ging kleren kopen. In die zin was ik er vertrouwd mee. Ik had als jongetje een verkleedkist, ik verkleedde me als de koningin. Toen ik op de lagere school kwam, was dat afgelopen, toen was ik natuurlijk prins of koning.

'Er zit een soort logica in. Ik val op echte mannen, en heb zelf een vrouwelijke kant waardoor ik me goed kan inleven in vrouwen. Ik vind het eigenlijk onbegrijpelijk dat ook heteromannen de drang hebben zich als vrouw te verkleden. Ze zijn kennelijk bezeten van het vrouwelijke, ze vallen op vrouwen en willen er zelf ook een zijn.'

Hij groeide op in Den Helder. Een apart kind, anders dan z'n leeftijdgenoten. Op de lagere school werd hij gepest, achterna gezeten. 'Op weg naar huis wachtten de jongens mij op. Ik rende dan voor mijn leven. In paniek heb ik eens aangebeld bij zomaar een huis. Een vrouw deed open, een harde moeder. Vecht maar terug, zei ze. Maar ik was bang, ik vocht niet. Dat was zogenaamd gezond, met jongens op de vuist gaan, dan kun je daarna vrienden worden. Ik gaf niks, ik kreeg dus ook niks terug. Ik gruwde ook van sport. Ik stond altijd huiverend aan de kant van het sportveld, een en al afkeer.'

Kijkt een beetje opgelaten, maar zegt toch. 'Ik was een kind dat met poppen speelde. Dus de pop ging mee naar de kinderverjaardag, daar werd ik uitgejouwd en dan ging ik weer in een bad van tranen terug naar mijn moeder.'

'Mijn angst verstopte ik onder arrogantie, onder koele hooghartigheid. Een vriend, een psychiater, zei eens dat ik het zelf uitlokte. Ik was verschrikkelijk verontwaardigd. Mijn hele levensgevoel - de wereld is vreselijk, het leven is wreed, de mensen zijn dom, je wordt belaagd - werd me daarmee afgepakt. Later was ik in therapie bij iemand die vroeger gymleraar was geweest, en die zei: je hebt volkomen gelijk, de kinderwereld is de wreedste en gruwelijkste wereld die er bestaat.'

Op de middelbare school nam hij revanche. Hij ontdekte de taal, een wapen, waarmee hij kon scoren. Las Vondel, Mulisch, hardop, voor zichzelf. 'Ik vond taal prachtig. Ik trad op, leerde improviseren, zelf dingen maken. Ik deed conferences, was geestig en grappig. Ik werd populair, de kinderen uit lagere klassen liepen achter me aan.'

Vanaf zijn 14de had hij een vriendinnetje, maar ondertussen legde hij collecties aan van blote-mannenplaatjes uit de krant. 'Boksers en zo. Eens in de zo veel maanden verscheurde ik die uit schuldgevoel en begon dan toch weer opnieuw. Als ik slapen ging, dacht ik: nu moet ik aan mijn vriendin denken. Maar dan dacht ik toch steeds aan Alain Delon. Niks aan te doen.

'Toen het probleem zich in volle omvang aan mij opdrong, ik was inmiddels een jaar of 18, heb ik het mijn boezemvriend opgebiecht, schuilend onder de luifel van de marinekantine in Den Helder. Hij hoorde het aan en zweeg. Later bleek dat hij al ongeveer vanaf zijn derde wist dat hij homoseksueel was!'

Na de toneelschool, hij zat bij toneelgroep Centrum, begon het vrolijke homoleven. 'Ischa Meijer introduceerde me op De Kring, en ineens deed ik het met iedereen. Ik ging naar het dok, ik danste er voor het eerst close met iemand, en ik weet nog dat ik dacht: moeder, zie uw kind! Mijn seksuele leven is daar begonnen, het was een feest, dat zo'n vijftien jaar heeft geduurd, de mooiste periode uit mijn leven.

'Maar de combinatie van geestelijk iets met iemand delen, vriendschap, en tegelijkertijd lichamelijk contact, heb ik nooit kunnen maken. Ik deed het altijd met jongens met wie ik verder niks had. Ik heb angst voor dat soort intimiteit. Ik begrijp niet dat je langer dan drie maanden met hetzelfde lichaam vrijt en dat je dat dan nog spannend vindt. Ik doe wat de meeste mensen zich niet kunnen voorstellen, ik deel een grote intimiteit met iemand die ik vijf minuten geleden voor het eerst heb gezien.'

Hij is altijd alleen gebleven. 'Misschien ook vanwege die schaamte voor twee mannen, hand in hand, met een boodschappentas? Ik weet het niet, in ieder geval ben ik liever een interessante, niet te duiden vrijgezel.

'Ik heb ook lang het gevoel gehad dat mannen naar en wreed zijn. Ik ben nog steeds geen mannenvriend. Ik heb bijna alleen maar vriendinnen, omdat ik bij vrouwen het gevoel heb dat ze me in principe welgezind zijn.'

Misschien speel je daarom graag vrouwen.

'Dat weet ik niet. Je denkt vaak dat je op het toneel dingen kunt spelen die je in het gewone leven niet kunt. Dat is niet zo. Je kunt niet over je eigen schaduw stappen. De manier waarop je speelt heeft alles te maken met hoe je bent. Eigenlijk blijf je ook altijd de nagalm horen van de klachten en rapporten van de toneelschool. Je leest het in de recensies, en je hoort het van mensen die je zien spelen. Dat verandert nooit. Je leert er alleen beter mee omgaan of dat wat je wel kan virtuoos gebruiken.'

Wat waren bij jou de klachten?

'Ik was een houten klaas. Ik zat dicht, opgesloten in mezelf. Ik dacht eigenlijk dat ik geen gevoel had. Bij gevoel denk ik aan huilbuilen, hevige emoties. Nog steeds word ik ontzettend onzeker en angstig als ik een rol moet spelen waarin ik verdriet moet laten zien. Dan denk ik: o god dat kan ik niet. Ik ben toch meer een komediant, ik wil liever grappig zijn. Dat is ook mijn houding in het leven.

'Olga (Zuiderhoek) zei laatst dat ik soms zo raar onaangekondigd te heftige emoties kon spelen. Dat heb ik in het gewone leven ook. Ik ben altijd nogal blanco, ik bedek alles wat ik voel en denk. Dat pot zich op en dan komt het er opeens te heftig uit. Lichtelijk hysterisch.

'Mensen als Cathérine ten Bruggencate of Pierre Bokma intrigeren mij geweldig: die stuwende drang, de zelfverzekerdheid waarmee zij vinden dat ze hoofdrollen moeten hebben, omdat dat is wat ze kunnen. En ik denk inderdaad dat zoiets aan je kleeft, dat het in je karakterstructuur zit om hoofdrollen te spelen. Misschien ben ik wel iemand van de zijlijn.'

Dat grote toneel blijft je fascineren.

'Dat is het kindgevoel, wegdromen boven die mooie glansfoto's van diva's en grande dames in het theaterjaarboek. Ellen Vogel, een geweldige actrice, een prachtige vrouw. Maar elke keer als ik me in die wereld begeef, merk ik hoe wezensvreemd het me is. Ik moet er niks van hebben, nee, ook niet stiekem. Ik zou een en al klacht zijn, omdat ik het decor verschrikkelijk vind, of het lichtontwerp, of de kostuums. Ik wil altijd het geheel, dat is mijn aard, dat is mijn Werkteater-achtergrond. Ik wil overal achter kunnen staan, het overal mee eens zijn, me overal mee bemoeien. Dat is bij het grootschalige toneel nu eenmaal uitgesloten.'

Maar toch. 'Blanche spelen was een oude droom. Ik heb het gedaan bij Carrousel, maar eigenlijk had ik de Schouwburg voor ogen, de grote zaal, met alles erop en eraan. Dat is idioot natuurlijk. Lang zamerhand groei ik ernaar toe dat als ik ooit King Lear speel, het in een klein zaaltje zal zijn, met een rolbezetting die is teruggebracht tot vier personen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden