Carte blanche in China

Dankzij zijn ‘vrienden in hoge kringen’ lukt het de Nederlander Sierk Vojacek (41) al twaalf jaar om films te produceren in China....

Chinezen zien hoe lang je in China bent, zegt Sierk Vojacek. ‘Ze zien het aan hoe je je kommetje vasthoudt, hoe je slurpt, smakt, kauwt, hoe je je fysiek opstelt. Het maakt hen niet uit wat je zegt, maar wat je doét. Ik probeer dat nu ook te doen. Ze kunnen me alles vertellen: ik wil bewijzen. Ik probeer nu al in te schatten wat ik aan je heb als het stormt.’

De Chinezen zijn blij met de Nederlander Sierk Vojacek. Het certificaat Peace Ambassador of China, dat hem in 2002 werd uitgereikt onder lovende bewoordingen, getuigt daarvan. Al twaalf jaar werkt hij er nu als filmproducent.

Vojacek: ‘Tot 2000 ging elke tweede vraag die me werd gesteld over mensenrechten: hoe kun je in zo’n land werken? Ik hoor die vraag nooit meer. Het gaat nu al jaren alleen maar over groei en de winst die er te halen is. Wat toen verfoeilijk was, heet nu ineens slim.’

Over censuur hoor je hem dan ook niet klagen. ‘Ik noem het liever controle’, zegt de filmer. ‘Daar moet je mee leren omgaan. Het heeft in China meer te maken met een duizenden jaren oud administratief systeem. Als je je camera’s op het Plein van de Hemelse vrede wilt zetten, moet je vijf tot zeven departementen af om toestemming te vragen. Dat zijn regels. Maar als je uitlegt wat je wilt filmen, kun je op bijna iedere straathoek je camera neerzetten. Ik mag overal filmen waar ik wil. Als ik dat maar aanvraag.’

De huiskokkin heeft de lunch inmiddels bijna klaar op het bescheiden kantoor aan de Jianguomenwai Dajie, één van de meest prestigieuze straten van Peking. Het pand ligt op een steenworp afstand van Vojaceks appartement in de ambassadewijk – en de Friendship Store, de voormalige staatswinkel, die alleen producten aan buitenlanders verkocht en die nu – met de Olympische Spelen in aantocht – wordt vervangen door een hypermodern winkelcentrum.

Deze middag volgt een presentatie op de Nederlandse ambassade van Zhang Ning. Olympic Road to Beijing, een documentaire over een Chinese badmintonkampioene. Deze film – geregisseerd door Roel van Dalen (bekend van Help ik heb talent! en Ajax: Daar hoorden zij engelen zingen) – is een co-productie met het Nederlandse IdtV. De documentaire is tot stand gekomen met medewerking van het Olympisch Comité van Peking (Bocog) en het management van de Chinese sporters (CSM).

De film is de kroon op Vojaceks werk in China. De Chinezen zijn tevreden, de internationale verkoop loopt goed, en afspraken voor meerdere documentaires zijn al gemaakt. ‘We hebben van tevoren uitgelegd wat we wilden doen: via een persoonlijk portret van haar een idee geven over het leven in China. We hebben overal kunnen filmen, in sportcomplexen, bij haar ouders, tijdens wedstrijden en trainingen, maar ook op de campus, waar ze gescheiden woont van haar man.’

Er keken geen overheidsfunctionarissen over zijn schouder mee, benadrukt Vojacek. ‘Carte blanche gewoon. Wat je wel doet – uit respect – is dat ik hen als eersten de film laat zien. Dan vinden er heftige discussies plaats. Bijvoorbeeld over een zwerver die in beeld is. Moet dat nou, vragen ze dan.’

Maar er hoefde niet geknipt te worden, zegt hij. ‘Het enige dat het systeem verlangt is dat je hen informeert over wat je aan het doen bent. En dat doen veel mensen niet.’

In zijn Nederlandse jaren kent Sierk Vojacek redelijk succes als regisseur van bedrijfsfilms en als opnameleider bij grote commercials. Een typische selfmade man die als drop-out van de havo na wat omzwervingen – waaronder als koksmaat op een expeditie naar de Noordpool – besluit toch maar iets van zijn leven te maken.

Zijn moeder, de Tsjechische Bozé Vojacek, levert de bedrijfsnaam. Die zelfgekozen achternaam voorkomt bovendien dat hij constant geassocieerd wordt met zijn vader: Wim van der Velde, documentairemaker, vermaard editor en destijds directeur van de Filmacademie. Als Sierk thuis in Muiden nog ketelbinkie speelt, worden in de studio in de tuin klassiekers gemonteerd van filmmakers als Bert Haanstra, Fons Rademakers, Paul Verhoeven en Joris Ivens. Maanden kon dat duren en allemaal aten ze met de pot mee. Vojacek: ‘Paul Verhoeven heeft bij ons in de tuin Spetters gemonteerd. Ivens draaide in opdracht van de Chinese Communistische Partij films, die vervolgens weer door mijn vader werden bewerkt voor de Europese markt.’

Achteraf gezien heeft Ivens meer invloed gehad op Vojacek dan hij zich destijds realiseerde, blikt de filmproducent terug. ‘Ik mocht af en toe meekijken en zag zo mijn eerste beelden van China. Die zijn me altijd bijgebleven.’

Gepland is zijn Chinese carrière nooit geweest, gewild evenmin. Vojacek wordt verleid. Door twee Taiwanezen, een fellow traveller en een ongeremd land. De eerste Taiwanees komt hij tegen op een kruk in de regen nabij Marken. ‘Mister Sierk, ik denk dat u moet komen filmen in Taiwan’, zo spreekt zijn Taiwanese klant. Zijn vertrouwen in Sierk Vojacek Productions (SVP) was groot, want Vojacek had hem eerder voor een ramp behoed door allerhande filmvergunningen te regelen.

Enkele weken later wordt Vojacek met zijn vrouw Ira in Taiwan uitgebreid gefêteerd. Van hem wordt alleen verlangd om onder een groot spandoek met de tekst ‘Welcome Mr. Vojacek’ en ten overstaan van honderd reclamemensen onverwacht een speech over reclame af te steken.

Een paar maanden later zit hij weer in het land, bij Taiwanees 2 dit keer. Nu ligt er een storyboard voor een commercial op tafel en de vraag of hij het in drie weken kan filmen. Vojacek: ‘Ik ben een maand gebleven. Het was een rollercoaster, fascinerend. Op de set verstond ik niets van wat er gezegd werd. En er was geen koffie. Ik kon en moest me volledig op het werk concentreren en vertrouwen op mijn magere tekentalent om gedaan te krijgen wat ik wilde.’

Desondanks is Taiwanees 2 toch blij met het resultaat. Vojacek maakt in zijn opdracht nog enkele commercials en wint er zelfs een prijs mee. Dan is het volgens nummer 2 tijd om de oversteek te wagen en naar China te gaan.

Het is op een mistige dag in februari 1996 – zijn bedrijf bestaat dan tien jaar – als Vojacek achterin een met kanten gordijnen behangen Mercedes over betonnen platen wegzoeft van het destijds nog minuscule vliegveld van Peking. Met de koffers nog in de auto stoppen ze bij een gebouw, dat in de verte aan de Amsterdamse RAI doet denken.

Binnen is het tjokvol. Een schuivende massa jonge mensen duwt hem voort tot hij ineens het logo van zijn eigen bedrijf ontwaart boven een standje. Dan wordt hem plots duidelijk dat hij op een banenmarkt is beland. De folders van zijn eigen SVP worden voor zijn ogen weggegraaid.

Het is niet de laatste verrassing die zijn Taiwanese vriend heeft achtergelaten. Niet al te ver van het Beijing West station wordt hij naar de achtste etage van een chic groenmarmeren pand geleid. Op de deur ziet hij andermaal zijn logo, en zelfs in de glazen tafel zijn al de letters SVP gegraveerd. De wanden zijn bedekt met foto’s van hem, filmende in Taiwan. Er kan geen misverstand bestaan: ineens heeft Sierk Vojacek ook een kantoor in de Chinese hoofdstad Peking.

Aan de andere kant van de gang zit ook meteen al de eerste klant, maar dat weet Vojacek dan nog niet. Eerst moet hij op de tweede en derde dag van zijn verblijf in China nog sollicitanten van de banenmarkt spreken. Op de vierde dag overhandigt de Taiwanees hem de sleutels en vertelt van de afspraak met de klant later die dag. Voor 160 duizend dollar moet Vojacek twee weken later een film in Shanghai draaien. ‘Succes!’ zegt de Taiwanees nog en vertrekt.

Vojacek: ‘Daar zat ik dan, op de eerste draaidag: kippentenen als ontbijt, veertig graden hitte en vijftig man om me heen die zitten te wachten tot ik precies zeg wat ze moeten doen. En dat alles voor de ogen van zeker vijf Chinese producenten in zwarte leren jassen.’

Een vermoeiende tijd, maar wel zeer enerverend, zegt hij nu. ‘Reclame was een nieuwe industrie voor China. Er was geen referentiekader. In Amsterdam heb je meiden die voor jou alle shops op de PC Hooftstraat afstruinen voor gratis kleding, hier moest ik alles zelf uittekenen, schetsen maken. Maar dan hing er de volgende dag wel een volledig rek met kleding, die nog die nacht was gefabriceerd.’

Nieuwe ideeën moeten telkens keihard bevochten worden, leert Vojacek al snel. ‘Chinezen kunnen geen nee zeggen. Het woord bestaat gewoon niet. Als iets niet kan, zeggen ze: dat willen mensen niet zien. Dan leg ik met veel geduld uit waar ik toch heen wil. Het is een doorlopende onderhandeling. Zonder koffie.’

In de daaropvolgende jaren draait hij commercials op diverse plekken in China. Regelmatig vliegt hij tussendoor terug naar Nederland. De zaken gaan goed: uiteindelijk staat op elke set de koffie klaar als Mr. Sierk binnentreedt.

Wel ontdekt hij na verloop van tijd dat zijn licentie loopt via een firma uit Oezbekistan en begrijpt hij ineens waarom de Taiwanees zo graag met hem werkt: als alles fout gaat, is het buitenlandse bedrijf schuldig: Vojacek dus.

En laat op belastingontduiking nou net de doodstraf staan. Vojacek gaat dat risico liever uit de weg en breekt met de Taiwanees.

Het duurt dan vervolgens twee jaar voor hij in Shanghai een licentie krijgt als Wholly Foreign Owned Enterprise (WFOE). Met die licentie op zak, gaat hij als commercialproducent verder en haalt gespecialiseerde regisseurs binnen. ‘Ik kon hen prima begeleiden. Ik had gestaan waar zij stonden. We draaiden mooie campagnes, zo’n 25 per jaar.’

Maar met de geboorte van zijn dochter Dunya in 2002 verkoopt hij het reclamebedrijf aan Gwantsi, dat uitgroeit tot een van de grootste Chinese producenten. Omdat hij meer tijd wil doorbrengen met zijn vrouw en dochter, die deels in Nederland wonen, besluit Vojacek zich meer te richten op televisie, media-advies en de productie van langlopende projecten.

Zo tracht hij, samen met Procter & Gamble en Endemol, een gesponsord televisieprogramma van de grond te krijgen, en slaagt hij erin – met sponsoring van Ford Motors – de productie op te zetten van een soort Expeditie Robinson, dat inmiddels op 18 kanalen in China wordt uitgezonden. Zijn grootste succes behaalt hij echter met Bao Bei Wo Ai Ni, een educatief kinderprogramma, gesponsord door de ook in China aanwezige medicijnengigant Johnson & Johnson.

Het dagelijkse opvoedprogramma wordt nu een jaar uitgezonden en het slaat aan: het is inmiddels het best bekeken programma op kinderkanaal CCTV 14. ‘Dat is voor mijn reputatie hier erg goed’, zegt Vojacek. ‘Het is een soort Koffietijd met reportages over hoe dat ene kind op te voeden. Eigenlijk verkoop ik het éénkindbeleid aan de Chinezen.’

Zijn Chinese connecties, ofwel guanxi, zijn goed te noemen. Mede met dank aan Joris Ivens. Op de officiële diners bleken veel oudere heren aanwezig te zijn die deze Nederlandse filmer nog hebben gekend.

Als Vojacek meldt met deze fellow traveller aan tafel te hebben gezeten in het ouderlijk huis en dat hij zelf een tweede generatie filmer is, slaat dat steevast aan. ‘Mijn sleutelzin was altijd: ik wil de tweede Ivens worden. In die zin zit natuurlijk ook de boodschap verpakt dat ik – net als Ivens eerder deed – mét hen wilde werken en niet tégen hen. Ik heb nogal wat ‘tribunalen’ achter de rug van mensen uit het Chinese partijkader. Die willen allemaal natuurlijk wel eens weten hoe dat zit met zo’n broekie die hier commercials komt maken.’

Zijn relatie met de Chinese staatszender CCTV ontwikkelt zich feitelijk identiek aan de manier waarop de Taiwanees hem ooit benaderde. Hij geeft zijn guanxi in de media gratis advies, helpt hen met het bijschaven en ontwikkelen van programma’s en formats, stelt businessplannen op, bespreekt ideeën uit het Westen met hen, geeft presentaties en staat zelfs in naam van CCTV op een beurs in Cannes om daar de internationale distributie voor elkaar te krijgen van het vele unieke filmmateriaal in de staatsarchieven.

Dat alles om goede banden te houden met de Chinese bewindsvoerders. Vojacek: ‘In wezen krijg ik voor mijn diensten terug dat we de documentaires over Chinese sporters en de kinderprogramma’s kunnen maken.’

Vojacek lijkt Ivens inmiddels gepasseerd in zijn liefde voor de Chinezen. ‘Ik ben natuurlijk niet zo politiek geëngageerd als Ivens; ik ben een commercieel filmer. Maar ik heb wel net als Ivens een fascinatie voor dit land.’

Je zult van hem dan ook weinig kritiek horen over het land, dat toch niet bepaald bekend staat om zijn respect voor de mensenrechten of vrijheid van meningsuiting. Vojacek heeft zich daaraan aangepast. ‘Ik ben zeer pro-Chinees, als het gaat om hoe ze dingen aanpakken. Waarschijnlijk omdat ik er na twaalf jaar enigszins begrip voor kan opbrengen. Ik bestrijd dat er hier een regering zit die moedwillig de mensenrechten schendt. De gemeenschap gaat hier voor het individu, dat wel.

‘Natuurlijk zijn er misstanden, maar overall heeft men het beter dan in het verleden. Ook de Chinezen vinden dat de mensenrechten moeten verbeteren. Maar in hun tempo, zoals zíj het bepalen.’

Het is goed dat het Westen hamert op het belang van de mensenrechten, benadrukt hij. ‘De vrijheden nemen toe, maar er zijn beperkingen. Die controle is noodzakelijk, want anders gaat het ontsporen. Ik ben er namelijk van overtuigd dat vele Chinezen op dit moment niet alle vrijheden aankunnen. De Chinese regering stelt zich terecht op als een ouder die zijn kind niet direct vrijlaat, maar langzaam laat wennen. Die voorzichtige aanpak is beter voor China.’

En dus stuurt de regering soms bijvoorbeeld de inhoud van het internet bij. ‘Ja, dat klopt’, geeft Vojacek toe. ‘Soms is er een schoonveegactie. Maar is het nou zo vervelend dat er geen porno is? Ik ben voor een vrij internet, maar niet hier, niet nu. Je kunt niet zomaar een Nederlands model op China plakken.’

Controle is hard nodig om dit rijk bij elkaar te houden, wil hij maar zeggen. ‘De contrasten in dit land, tussen stad en land, tussen arm en rijk, zijn nog altijd groot. Als je in de steden heel vrije, geavanceerde media hebt, wordt de trek naar de steden nog groter. Dat kan het land niet aan.’

Wat niet wil zeggen dat hij het met alles dat hier gebeurt eens is. ‘Maar als de keus is tussen een politiek systeem waarin oude wijze mannen bepalen wat mag, tegenover een systeem waar mensen de dienst uitmaken als Murdoch (mediatycoon Rupert Murdoch, red.), die slechts winstbejag voor ogen hebben, dan ga ik voor politieke controle.’

Je moet alles kunnen roepen wat je wil, dat zal hij niet tegenspreken. ‘Maar het moet wel gefundeerd zijn. Mag ik alles zeggen? Ja. Doe ik dat? Nee. Dat is gewoon een kwestie van respect. Mag iedereen alles zeggen in dit land? Nee. Maar tussen de mensen onderling wordt wel alles gezegd.’

Dat is het grote verschil met hoe het twaalf jaar geleden was, denkt de filmproducent. ‘Die negatieve kant van het controlesysteem is verdwenen. Ik geef nu mijn visie op de politiek. Dat had ik destijds niet kunnen doen. De Chinezen zijn daar zelf ook opener in geworden. Ze zijn niet meer bang dat ze direct door hun buurman worden verraden.’

Als na de presentatie op de ambassade de handen op elkaar gaan voor de documentaire, ontvangt Vojacek de complimenten van de ambassadeur met trots. De twinkeling van een vrijbuiter schemert nog door in zijn blik, maar hij lijkt zich ervan te willen distantiëren. ‘Hoe groter je macht in China, hoe stiller je wordt, zeggen ze.’

Hij is daar in meegegaan, geeft hij toe. ‘Heeft het me leuker gemaakt? Nee. Ik ben een ongelooflijke strateeg geworden. Het spontane is er vanaf gegaan. Net als de Chinezen zet ik een gezicht op, waarvan niemand kan aflezen wie ik ben. En dat wil ik graag zo houden.’

Vroeger was de filmproducent een echte flapuit, zegt hij. ‘Nu praat ik nog wel, maar zeg ik niets meer.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden