Cabaretière Claudia de Breij

Ze stond altijd een beetje buiten de groep. Cabaretière Claudia de Breij (34) was een buitenbeentje op school, voelde zich niet thuis tussen de lesbiennes en nu nog staat ze op feestjes niet makkelijk bij de echte vrouwen....

'Ha, wat goed!’ Verrast bekijkt Claudia de Breij (34) de voor haar meegebrachte cd-box met Nederlandse liedjes. ‘Kijk, hier: Astrid Nijgh.’ Meteen zingt ze: ‘Die zomer was ik 17/ En niemand kon het aan me zien/Een puber met een hockeydas/Geen beautycase, maar boekentas. Ja, daar heb ik veel naar geluisterd, hoor.’ Op de cd-verzameling staan 128 liedjes en ze kent ze bijna allemaal. Al haar helden zitten erbij: Herman van Veen, Ramses Shaffy, Frans Halsema, zangers naar wie ze als klein meisje al luisterde en die een ‘verpletterende indruk’ op haar maakten. En nog steeds kan ze kippenvel krijgen van een goed liedje. Cabaretière is ze, en daarna radiomaker, en daarna tv-maker. ‘In die volgorde’, maar ten eerste is ze tekstschrijver, liedjesschrijver ook. Met de ambitie om nieuwe klassiekers aan het Nederlandstalig repertoire toe te voegen. Een liedje als Ik onthou van jou, van haar recente cd, past in de traditie van haar grote voorbeelden. ‘Maar het zijn niet alleen maar luisterliedjes, we hebben de boel flink opgerockt. Het moet ook zonder tekst lekker klinken. Ik was gewend om als een dichter te schrijven: taal, taal, taal. Maar dat maakt niet het beste liedje.’

Wat maakt het beste liedje? ‘De tekst moet een combinatie zijn van toegankelijk en abstract. Zo’n zin als ‘Ik onthou van jou’: in het theater vertel ik erbij dat dat over mijn demente oma gaat die niets meer onthield, zodat ik het voor haar moest doen. Maar als je zo’n liedje in de auto hoort, moet het over iedereen kunnen gaan. Dat heb ik echt moeten leren. Net als dat je je een beetje aan de popwetten moet houden: couplet, couplet, refrein – couplet, refrein – brug, refrein.’ Dan staccato: ‘En ik deed jarenlang couplet, couplet, couplet, couplet, couplet.’ Ze lacht: ‘De jongens werden er gek van.’

De jongens, dat zijn Sander en Rogier, de musici met wie ze al twaalf jaar werkt en op tournee gaat. Tijdens de voorstelling staan er meer muzikanten op het podium, maar ‘wij drieën zijn John Lennon en Paul McCartney. Het is een soort broederschap. Als je dag en nacht met elkaar aan het toeren bent, nou, dan ken je elkaar wel. Dan kom je op een punt dat je totaal vermoeid en melig het hele oeuvre van BZN gaat zingen, of je gaat boeren, haha.’

Jij en de mannen van de band, dat vind je leuk. ‘Ja, het heeft iets noests, zo samen ’s nachts bij het tankstation. Ik voel me gewoon prettig bij die mannenromantiek. Ik zou geen vrouw mee willen hebben op tournee, dat zou de magie doorbreken. Ja, hooguit mag er eens een mee voor de cd-verkoop, maar ze zou niet mee uit eten mogen.’

Waarom niet? ‘Ik vind vrouwen zo snel zeiken. Mannen vertellen gewoon leuk over wat ze op Discovery hebben gezien. Bij vrouwen gaat het altijd over gevoelens, over hun verhouding tot hun kinderen en hun moeder. Bij mannen met gevoelens gaat het over muziek en literatuur. En je kunt gewoon lekker dom met ze doen.’

Jij schrijft ook teksten over je moeder en je kind. ‘Ja, ik ben zelf natuurlijk ook een ontzettende vrouw. Maar het mag geen wijvengezeik worden, zoals van de moeders die ik op het consultatiebureau soms tegenkom. De jongens uit de band zijn ook verblind door hun kinderen, maar dat is anders, daar herken ik me veel meer in.’

Wat is het verschil? ‘Autonomie, denk ik. Mannen die kinderen krijgen blijven zichzelf als uitgangspunt houden, terwijl veel vrouwen zich er helemaal in verliezen.’

Ze schrijft aan een nieuwe theatervoorstelling en is bezig met de voorbereidingen voor een nieuw tv-programma voor de VARA, dat in september van start zal gaan. Geen groot studioprogramma zoals Thank God it’s Friday, haar eigen talkshow, waarover ze achteraf niet erg tevreden is. ‘Ik ben geen presentatrice, ik ben een máker. Ik maak eens een plaat, een boek, een theatervoorstelling. En op tv moet ik, denk ik, gewoon met de camera op pad en improviseren, zoals Ruby Wax in haar goede tijd. Maar presenteren moet ik niet meer willen.’ Ontspannen, vrolijk is De Breij tijdens het interview dat plaatsvindt in de zon, voor haar studio in een werfkelder aan de Utrechtse Nieuwegracht. Ze heeft een relatief rustige periode: de tournee van haar theatervoorstelling iClaudia zit erop, haar cd is gepresenteerd, haar boek over haar zwangerschap, Krijg nou tieten!, blijkt met vijftigduizend exemplaren een onverwachte bestseller. Zoon Bing is bijna een jaar. Met haar vrouw, Conny Kraaijeveld, presentatrice bij RTV Utrecht, is ze sinds 2005 getrouwd.

‘Vrouwen hebben geen mannen nodig om ze te onderdrukken’, zei je in je show. ‘Dat kunnen ze heel goed zelf.’ ‘Ja, dat vind ik schokkend. Mannen lezen hun succes af aan hun eigen prestaties en vrouwen aan het falen van een andere vrouw. Mannen meten: hoe groot is mijn auto? En vrouwen meten: hoe dik is haar reet? Vrouwen voelen zich het prettigst bij gelijkheid. Daarom vinden ze het ook zo fijn om in een blad een ster in haar bikini te zien die ook putjes in haar dijen heeft – kijk: we zijn lekker allemaal hetzelfde. Het uitgangspunt van mannen is competitie. Die zeggen: ‘Jij hebt een betere baan dan ik, ik wil die baan, en dat weet jij, want zo zijn we gebakken.’ Dat levert wat op. Terwijl de vrouwen hun kind zaten te zogen, zeiden de jongens: ‘Ik ga even verderop kijken.’ En ze ontdekten Amerika.’

Je hebt mannen wel erg veel hoger zitten dan vrouwen. ‘Dat valt ook wel weer mee, maar ik vind het nu eenmaal leuker om vrouwen te bashen dan om mannen te bashen. Bovendien doen niet veel cabaretières het. Er is, merk ik, bij vrouwen weinig zelfcorrigerend vermogen. Ik heb er plezier in: als ik voor een zaal sta, zie ik de mannen steeds meer ontspannen en de vrouwen steeds meer kijken van: wel godverdomme.’

Wat komt het hardst aan? ‘Als ik het heb over het gebrek aan ambitie. Over vrouwen die zeggen: ‘Ik vind werken wel leuk voor mijn sociale contacten, maar ik wil geen topfunctie, want dat glazen plafond is zo hard als je er tegenaan komt.’ Dat geldt voor zeventig procent van de vrouwen. Mij stoort dat gigantisch. Het is zo’n verspilling van potentieel. ‘Het is de gemakzucht waar ik niet tegen kan. Ik ben echt geen Heleen Mees, hoor. Ik sprak laatst een vrouw met drie kinderen die lekker thuiszat. Dan denk ik: prima, jij hebt daarvoor gekozen. Maar als het gemakzucht is, of eigenlijk bangigheid, dan heb ik de drang om ze daaruit te trekken. ‘Mannen durven veel meer op hun bek te gaan. Daarom zijn er ook zo weinig grappige vrouwen. Ze zijn er wel, volop, maar ze willen eerst zeker weten dat het goed is voor ze het aan anderen laten horen. Mannen gaan, hup, met een slechte grap het podium op.’

Misschien is het wel de natuur. Hebben vrouwen minder geldingsdrang omdat ze nu eenmaal kinderen kunnen krijgen. ‘Nou, de vrouw die ik het best ken, ben ik zelf, en mijn ambitie is geen spatje minder geworden, hoe graag ik ook bij mijn kind ben. Ik denk niet dat ik meer tijd met hem zou doorbrengen als ik minder zou werken. Dan zou ik mijn Grieks en Latijn bijspijkeren en eindelijk drumles nemen. Ik vind het zonde om je ontwikkeling stop te zetten als je een kind krijgt. ‘Ik denk dat er meer nurture dan nature in het spel is. Hoe iedereen altijd maar weer de jagers en de verzamelaars erbij haalt; dat moest ook maar eens afgelopen zijn.’

Je bent geen vrouwenvrouw. ‘Ik heb me altijd anders gevoeld, ja, ik ervaar mezelf als een soort onzijdig. Ik heb niet de behoefte androgyn te zijn, ik wil er wel vrouwelijk uitzien. Maar het is zo: ik voel me eerder one of the boys dan one of the girls. Wat raar is, want ik heb veel vrouwelijke vrienden. Maar dat zijn allemaal vrouwen die ook nooit de koningin van de klas zijn geweest. ‘Die meisjes in het middelpunt, daar voelde ik me lichtjaren van verwijderd. En ik ga nog steeds niet makkelijk bij zo’n groepje echte vrouwen op een feestje staan. Van die vrouwen die druk zijn met een Marc Jacobs-tas, terwijl ik altijd denk: dat is toch maar een beetje voor de grap, dat we met z’n allen doen alsof dat heel belangrijk is?’

Ze komt uit een warm, harmonieus gezin: vader directeur van een pr-bureau, moeder thuis, een broer. Ze is opgegroeid in Hagestein, waar ze ‘import’ waren uit Utrecht. ‘Een dorp waar alle meisje over paarden praatten.’ Ze voelde zich nooit een van hen. ‘Verschrikkelijk verlegen’ was ze op de middelbare school. Continu verliefd, op meisjes én jongens, maar zonder veel hoop: ‘Ik dacht altijd dat ik nooit verkering zou krijgen. Niemand was zo raar als ik.’ Het keerpunt kwam toen ze zich op haar 16de aanmeldde voor de kerstmusical. ‘Toen de anderen hun tekst kwijtraakten, begon ik te improviseren. Er kwam een ovatie uit de zaal. Toen dacht ik: o, wacht even, dit kan ik. Vanaf dat moment wist ik zeker dat ik later op een podium ging staan.’ Maar vanzelf ging dat niet. ‘Ik heb echt moeten leuren met mezelf. Auditie doen voor de kleinkunstacademie – afgewezen. In eigen beheer een programma uitgebracht dat geen impresariaat wilde hebben. Mijn eerste optreden, op een poëziefestival: na een kwartier had ik één lach. Eén. Niemand zat op me te wachten.’ Maar ze zette door. Stoppen met haar studie algemene letteren, cabaretfestivals aflopen. ‘Steeds weer kiezen voor de minst comfortabele optie. Misschien dat het me daarom zo stoort als vrouwen zo weinig willen. ‘Toen ik begon was het de tijd van het zapcabaret: sketchje, energiek dansje, weer een kort sketchje. En duo’s, veel duo’s. Kwam ik, in mijn eentje, met mijn liedjes en verhalen. Nodigde ik een impresario uit, kreeg ik aan het eind van de avond te horen: ‘Nee, jammer, ik zie het niet, helaas.’ Tot Frans Ruhl kwam, die mijn impresario zou worden. Hij zei gelijk: ‘Jouw liedjes doen me soms aan Frans Halsema denken en je grappen aan Van Veen.’ En ik dacht: huh? Iemand die het ziet!’

Het zijn onverwachte helden voor een cabaretière met een grote bek. ‘Iedereen denkt altijd: Claudia de Breij, dat is veel en luid. Maar ik ben helemaal niet zo veel en zo luid. Dat beeld blijft aan je kleven als je op tv een keer een glas water in iemands gezicht hebt gegooid, wat ik bij De wereld draait door gedaan heb. Nou ja, prima, liever een te ruig imago dan een te braaf imago. Maar zelf voel ik me nog net zo rustig als ik was als kind.’

Hoe was je als kind? ‘Ik was een beetje een raar, vroegoud kind, dat weinig aansluiting had met andere kinderen. Ik wist niet zo goed wat ik met ze moest. Ik vluchtte in boeken en muziek, dat was tenminste veilig. Heel veel lezen, heel erg geïnteresseerd in de oorlog en in Ghandi, dat soort dingen. Op de kleuterschool was ik al fan van Neil Diamond. Een keer per week mocht je een plaat meenemen en dan zat ik het liefst de hele middag bij de juf – die ik natuurlijk heel lief vond – op schoot naar zijn muziek te luisteren. En die andere kleuters maar rennen met die karren. Dat schoot niet erg op, natuurlijk, tussen mij en hen. ‘Op de achterbank bij mijn ouders luisterde ik naar Herman van Veen. Zo’n lied als Kraanvogels, dat maakte zo’n indruk. Soms denk ik wel dat de soldaten die in de oorlogen gevallen zijn / niet onder witte kruisen zijn begraven / maar dat ze kraanvogels geworden zijn. Een traag en zwaar lied, en zo mooi geschreven. ‘Ook al ben je 5, je begrijpt precies wat er gezegd wordt.’

Wat een aparte smaak had je, voor een kind van 5. ‘Ja, is dat niet wonderlijk? Rogier, uit mijn band, had als jochie een folder met elektrische gitaren in zijn schoolboek liggen. Hij speelde toen nog helemaal geen gitaar, maar hij ging wel steeds stiekem in die folder kijken. Dat is net zoiets. Het zit er allemaal al in als kind, ga je bijna denken. Je hoeft het alleen maar te herkennen.’

Je was ook dol op Marilyn Monroe, Danny Kaye. Denk je nu achteraf niet: toen al een gay-smaak? ‘Ja, ik heb als kind ook de musical Evenaar van Jos Brink twintig keer gezien. Ik zat naar de operette te kijken met mijn moeder, en ik hield enorm van show. Maar ja, dat is meer een homomannensmaak, toch? Hahaha, ik ben gewoon een ouwe nicht, geboren in het lichaam van – ja, van wat eigenlijk?’

Van een lesbische vrouw. ‘Nou, ik ben bi. Als mensen zeggen: je bent dus lesbisch, denk ik altijd: hohoho. Dat ervaar ik als vervelend. Ik maak zelf nog wel uit hoe ik in elkaar zit. Haha, mooi is dat, hè: ik ben getrouwd met een vrouw, maar ik ben Niet Lesbisch.’

Waarom roept dat zo’n aversie bij je op? ‘Ach, ik ben een antisemitische jood als het om lesbiennes gaat. Ik vind veel lesbiennes stom. Dat verandert wel, want ik kom steeds meer leuke tegen, maar toen ik voor het eerst uitging in de gay scene was het een behoorlijk armoedige bedoening. Allemaal vrouwen die te dik waren en een galeriehoudstersbril droegen en alleen maar dachten dat ik als een soort fag hag met de jongens meekwam. Want zoals ik zagen potten er niet uit. Dat vond ik zo vervelend: heb je je net vrijgevochten uit het keurslijf van de middelbare school en de heterohockeyfeesten, ga je naar een roze kroeg, en dan mag je daar ook niet zijn wie je bent. Ik bleef maar anders, ik heb er nog nooit bijgehoord.’

En nog steeds Ze begint hard te lachen, niet voor het eerst tijdens het gesprek. Met een tragikomische blik en een uithaal: ‘Nog steeds! El-le-ke dag!’

Ik bedoel: nog steeds ben je een uitzondering, als lesbische, pardon, biseksuele solo-artiest. ‘Ja, dat is wel goed voor mij. Van nature ben ik nogal behaagziek, maar omdat ik nou eenmaal anders was, moest ik af en toen wel tegen de stroom ingaan. Dingen doen die niet iedereen leuk en aardig vindt.’

Zoals? ‘Nou, het is heus niet zo dat heel Nederland denkt: goh, wat leuk, twee vrouwen met een kind. Ik vond het zo schokkend hoe er op de geboorte van Bing werd gereageerd. Kijk, dat een of andere laagschedelige tractorbestuurder schrijft: ‘Je zou maar geboren worden en als eerste tegen die rotkop van Claudia de Breij moeten aankijken’, dat kan ik nog wel hebben. Maar een ander schreef: ‘Ik wens Bing veel sterkte. Die ouders kunnen wel een kind willen, maar wil een kind wel zulke ouders?’ En dat sneed door mijn ziel, omdat het aan een bestaande onzekerheid raakt. Want natuurlijk heb ik gedacht: moet ik wel een kind willen? Maar hallo, gewenster en liefdevoller welkom zijn ze er niet.’

Over de donor wilden jullie niet veel kwijt. ‘Nee. Daarom heb ik het bewust met veel bombarie bekendgemaakt bij Albert Verlinde in RTL BOULEVARD: ik ben zwanger en het zit zus en zo: de donor is een goede bekende van ons die anoniem wil blijven. Want ik wist: als het bij Boulevard is geweest, is het nieuws weg. En dat was ook zo. Heel af en toe probeert een journalist het nog wel, laatst was er nog een radiopresentator die maar bleef doorvragen wie de vader is. Maar dat gaat niemand een flikker aan. Ik wil dat Bing dat van ons te horen krijgt en niet op het schoolplein. Voor een ander is het een weetje, maar het gaat wel om iemands leven.’

Jij was degene die zwanger werd, niet Conny. Was dat een moelijke keus? ‘Nee, om een tamelijk praktische reden: Conny is tien jaar ouder dan ik. Daarbij had zij niet zo de drang om zwanger te worden, terwijl ik alles in het leven een keer meegemaakt wil hebben.’

In je boek over je zwangerschap schop je behoorlijk aan tegen de roze wolk. ‘Dat vind ik nou onzin, zo ervaar ik het zelf helemaal niet. Ik vond het eigenlijk een grote roze wolk, want een kind krijgen is gewoon helemaal te gek. Wat ik alleen maar wilde zeggen was: je bent niet de enige zwangere die jeuk aan d’r tieten krijgt, en die zich na de bevalling voelt alsof er een Leopard-tank over haar is heengereden. En ik wilde een beetje tegenwicht bieden tegen zo’n Beatrijs Smulders, die vindt dat een kind een jaar borstvoeding moet krijgen van een moeder die alleen maar thuiszit. Een jaar thuiszitten! Voor mij zou het geestelijke zelfmoord zijn. Natuurlijk is er wat voor te zeggen als jij het jn vindt veel bij je kind te zijn. Maar ik vind het storend dat je bij voorbaat een slechte moeder of een mislukte vrouw bent als je niet zo denkt en voelt. ‘Ik las een artikel in de krant over lui ouderschap, dat sprak me wel aan. Mijn werk dwingt me tot een zeker lui ouderschap, en dat is maar goed ook voor het jochie. Ik vind het zo leuk met ’m, als ik niet uitkijk zit ik er bovenop. Alles wat ik doe, doe ik full force. Als ik werk, ben ik volop aan het werk. Maar als ik met mijn jongen ben, ben ik ook volop met mijn jongen.’

Tijdens de zwangerschap was je op tournee en je maakte het tv-programma Thank God it’s Friday. Hoe zag je week eruit? ‘Overdag vergaderen over de uitzending, liedjes en stand-ups schrijven, interviews voorbereiden en repeteren. En ’s avonds het theater in. Op vrijdag om 9 uur repetitie, om 2 uur opname en dan om 4 uur weer naar het theater. En dan op zaterdagochtend totaal naar de tering zijn, en zaterdagavond weer optreden. Achteraf gezien sloeg dat helemaal nergens op, maar als je er middenin zit, heb je dat niet door. Ik was wel moe, maar ik kon er niet aan toegeven. Want ik wist: er staan twintig uitzendingen in het schema en mijn naam staat erop. En er zitten ’s avonds duizend mensen in de zaal, en mijn naam staat erop.’

Na de bevalling kreeg je bekkeninstabiliteit waardoor je zes weken niet kon bewegen. ‘Ja, het was een mooie truc van het lot dat juist ik dat kreeg. Ik was altijd de eerste om te zeggen: whiplash, rsi, bekkeninstabiliteit – welvaartsziekten, allemaal homo’s die dat krijgen. Maar je gaat echt kapot van de pijn. Ik kon Bing niet eens uit de wieg tillen, dat vond ik nog het ergste. ‘Achteraf gezien had ik het ook tijdens de zwangerschap, maar als je optreedt, voel je niks. Spelen werkt als een soort drug, dus tot twee weken voor Bing geboren werd, stond ik nog op het podium. Ik had wel last, maar ik noemde dat bandenpijn, daar had ik wel eens over gelezen. Stond ik gesmoord ‘kut! kut!’ te schreeuwen in de inloopkast bij ons thuis, om Conny maar niks te laten merken. Want die vond dat ik veel te hard werkte, en dat wilde ik niet horen. En als ik eruit kwam, zei ik luchtig: ‘Ach, een beetje bandenpijn. Klaar.’’

Is er een verband tussen dat harde werken en die bekkeninstabiliteit? ‘De artsen zijn zo vriendelijk om te zeggen dat het niets met elkaar te maken hoeft te hebben, maar in mijn wat meer zelfreflectieve buien denk ik: het was niet voor niks. Ik moest even hard in het kruis getrapt worden, om eens te gaan liggen en na te denken over wat ik aan het doen was. Het was voor mij de enige manier om de haast uit het bestaan te halen. ‘Als ik ooit nog een kind zou krijgen, zou ik zeggen: ik ga een jaar zitten schrijven, toedeloe.’

Die vrouwen die het rustiger aan gaan doen als er kinderen komen, hebben dus wel gelijk? ‘Ik vind dat veel vrouwen het zichzelf te gemakkelijk maken, maar ik heb het mezelf veel te moeilijk gemaakt.’ Weer die harde lach. ‘Mooi hè: dat geef ik zomaar toe.’

cv Claudia de Breij

geboren 13 maart 1975 in Utrecht

burgerlijke staat Getrouwd met Conny Kraaijeveld, een zoon, Bing

opleiding Vwo in Culemborg, studie algemene letteren in Utrecht (niet afgemaakt)

werk

Begonnen als vrijwilliger bij Stadsomroep Utrecht, daarna BNN en NPS (radio) en sinds 2003 voor de VARA-radio op 3FM elke vrijdag tussen 12 en 2 Claudia d’r op.

Maakte voor de VARA-televisie VARA Laat, Claudia’s Showboot, Thank God it’s Friday en De wereld draait door.

Maakte vier theatershows, schrijft deze zomer de vijfde, Hete Vrede, waarmee ze vanaf oktober in de theaters staat.

Maakte twee cd’s, waarvan de laatste, Samen wakker worden, ergens heen, lekker eten en weer slapen, half mei werd uitgebracht.

Schreef een boek over haar zwangerschap: Krijg nou tieten!

Bereidt een nieuw tvprogramma voor de VARA voor dat vanaf september te zien is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden