Butlerzaak toont oorzaak van gerechtelijk dwalen

Het betrekkelijk grote aantal ten onrechte veroordeelden is deels te wijten aan de kloof tussen het medisch en het juridisch denken, menen A.E....

De tijdelijke Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) heeft in drie zaken ernstige manco’s in de opsporing en vervolging geconstateerd. Veel mensen dachten dat het met het aantal onterecht veroordeelden wel meeviel. Uit de drie rapporten van deze Commissie, de zaak van Lucia de B., Henny Knobbe en Ina Post, blijkt echter het tegendeel.

Hoe komt dit nu? En moet er een dergelijke permanente onderzoekscommissie komen en, zo ja, hoe moet deze er dan uit zien?

De oorzaak is vaak gelegen in een groot verschil in denken tussen medici en juristen. Dit was duidelijk het geval in de zaak Lucia de B. en de Amsterdamse Butlerzaak, de strafzaak tegen Dick van Leeuwerden. Maar denk ook aan de zaak tegen Henk H., veroordeeld tot twintig jaar wegens moord op een persoon zonder aanwijsbare doodsoorzaak, welke zaak nu door Knoops wordt onderzocht op een heropeningmogelijkheid.

De kloof tussen het medisch denken en het juridisch denken, en de gevaren die dit met zich meebrengt voor de materiële waarheidsvinding in strafzaken, kan het best worden geïllustreerd door de afgesloten strafzaak tegen Dick van Leeuwerden, die de afgelopen jaren meermalen vergeefs om heropening van zijn zaak verzocht.

In 1985 werd Van Leeuwerden door het gerechtshof veroordeeld wegens moord op een oudere vrouw waarmee hij zes weken eerder getrouwd was. Volgens het Hof gaf hij haar vaker een combinatie van alcoholische dranken, nadat de vrouw zelf eerder medicijnen had ingenomen. Zo ook die avond toen zij niet in orde was en waarop zij later overleed. Door de rechtbank was Van Leeuwerden een jaar eerder van moord vrijgesproken.

Opmerkelijk was dat tijdens de laatste herzieningsprocedure in 2006 het Nederlands Forensisch Instituut op verzoek van de verdediging aanvullend onderzoek deed naar de Amsterdamse Butlerzaak. Aan de hand van – pas na het proces gevonden – hartpreparaten van de overledene kon 22 jaar later worden vastgesteld dat zij enkele uren voor haar dood een klein hartinfarct had gekregen waardoor zij waarschijnlijk overleed.

Ofschoon destijds bij het Hof Amsterdam, dat Van Leeuwerden wegens moord tot twaalf jaar veroordeelde, dit feit niet bekend was, meende de Hoge Raad dat er geen grond voor heropening van de zaak bestond. De Hoge Raad oordeelde namelijk dat Van Leeuwerden ten onrechte had nagelaten medische hulp in te roepen toen hij zag dat de vrouw onwel werd en meende dat dit nalaten in verband stond tot de dood. Op welke wijze dan sprake zou zijn geweest van ‘voorbedachte rade’, zoals vereist voor moord, bleef voor velen een raadsel. Deze zaak leert dat het medisch oordeelsvermogen en het juridisch oordeelsvermogen ver weg van elkaar liggen.

In het recente jaarverslag van de Commissie Posthumus wordt het voorbeeld van de Amsterdamse Butlerzaak met zoveel woorden genoemd en wordt eveneens deze discrepantie vastgesteld. De opstellers van het jaarverslag stellen hierin vast dat ‘de indieners (Van Boxtel, Becker en Laane) uitgaan van een ander begrip van het strafrechtelijke leerstuk van de causaliteit dan Hof en Hoge Raad, waarbij in het bijzonder het niet inroepen van medische hulp op een moment waarop dit wel geboden was, kennelijk zwaar heeft gewogen’.

Zonder het besef hoe dergelijke verschillende interpretaties van een strafrechtelijk begrip kunnen ontstaan, zal het zelfreinigend vermogen van Justitie niet makkelijk vlot worden getrokken. Laten wij dit illustreren aan de hand van een aantal in het oog springende voorbeelden ontleend aan de Amsterdamse Butlerzaak die illustratief zijn voor genoemde kloof.

1. Het nieuwe onderzoek van het NFI (de alsnog gevonden en onderzochte hartpreparaten, wijzend op een hartinfarct) toont aan dat sprake is van een natuurlijke dood (acute hartdood).

2. Het Hof Amsterdam is destijds tot de conclusie gekomen dat de vrouw is overleden aan de combinatie van alcohol en het geneesmiddel chloorpromazine (een middel tegen psychosen). Aangetoond is echter dat de toenmalig patholoog-anatoom van het Gerechtelijke Laboratorium (Zeldenrust) in 1983 ten onrechte over het hoofd had gezien dat het hier niet chloorpromazine betrof, maar het relatief veilige anti-allergicum promethazine. Ook werd wetenschappelijk onderbouwd dat de aan de orde zijnde hoeveelheden bij de vrouw geen dodelijke concentraties met zich meebrachten. Bovendien werd door meerdere deskundigen nadien vastgesteld dat van de combinatie alcohol en promethazine in de gevonden hoeveelheden geen letale effecten bekend zijn. Op grond van deze medisch-wetenschappelijk onderbouwde feiten, valt het fundament weg onder de oorspronkelijke veroordeling wegens moord.

3. Zeldenrust zag in zijn verslag het hartinfarct over het hoofd. Justitie berichtte in 1990 dat de hartpreparaten niet meer beschikbaar waren.

4. Eveneens zagen Zeldenrust en justitie over het hoofd dat de vrouw leed aan een potentieel dodelijke ziekte, te weten het syndroom van Conn, terwijl de werkelijke doodsoorzaak (acute hartstoornis) zeer wel kan passen bij een ritmestoornis van het hart dat weer past bij het syndroom van Conn.

5. Dat volgens de strafrechters door Van Leeuwerden medische hulp had moeten worden ingeroepen, zodat het overlijden had kunnen worden voorkomen, is een misvatting van leken. Volgens verscheidene medische experts was directe medische hulp niet levensreddend geweest.

Deze fouten – zowel op het gebied van de geneeskunde als die van de zijde van justitie – werden stelselmatig door de strafrechters tot en met de Hoge Raad niet op juiste (medische) waarde geschat.

Kennelijk is de medische professie niet in staat gebleken om de implicaties van deze omissies te kunnen duiden aan de jurist die geacht wordt een oordeel uit te spreken over schuld of onschuld. Dat strafrechters medisch-wetenschappelijke feiten niet weten te transformeren naar een evenwichtige rechtspraak is niet alleen voor medici onbegrijpelijk, maar doet ook afbreuk aan het maatschappelijk draagvlak van een strafrechtelijke uitspraak.

Zolang strafrechters niet genegen zijn medische interpretaties serieus te nemen, zal de hier beschreven kloof blijven bestaan. De roep om forensische experts in een vroeg stadium bij de beoordeling in strafzaken te betrekken, en ook tijdens een herzieningsfase, heeft alleen effect als de rechtsvinding in strafzaken zich bedient van een systeem van ‘communicerende vaten’ als het gaat om de rol van de strafrechter en de medicus hierbij.

De voorlopige beslissing van de procureur-generaal van de Hoge Raad in de zaak Lucia de B. van 2 april 2008 lijkt deze roep te versterken nu ook daar de wisselwerking tussen de medische wetenschap en de strafrechters onder spanning is komen te staan, met name nu de procureur-generaal meent dat het gerechtshof een aantal verklaringen van medische experts niet juist heeft geïnterpreteerd.

Deze beslissing lijkt verder steun te bieden aan de bij velen levende overtuiging dat er een nieuw stelstel voor herzieningen in strafzaken in het leven wordt geroepen met een permanente onderzoekscommissie die gerechtelijke dwalingen kan onderzoeken. Dat een dergelijke commissie mede zou moeten bestaan uit medisch-forensisch experts behoeft na het bovenstaande geen betoog.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden